1 jaar geleden

De Openbaring (16)

Openbaring 11

Invoeging tussen de zesde en zevende bazuin (II)

(Hoofdstuk 11 vers 1-14)

De toestand in het land Israël

Wij komen nu tot het tweede onderwerp, dat behandeld wordt in de invoeging na de zesde bazuin. Het gaat over de toestand van dat deel van de aarde waarop Gods gedachten zijn gericht, vlak voordat de door de engel aangekondigde gebeurtenis plaatsvindt. Een prominent thema dat de oudtestamentische profeten bezighield, is het conflict dat zal worden uitgevochten tussen de heidense onderdrukker en de HEER Die de plaats van Zijn lijdende volk zal innemen, het oordeel over hun vijanden zal voltrekken en Zijn Uitverkorene op de troon in Sion zetten zal. Dit thema neemt in de rest van de Openbaring een centrale plaats in en werpt een helder licht op de plannen van God die door de oudtestamentische profeten zijn aangekondigd. Het wordt nu onmiddellijk opgenomen. De nieuwe profetie opent onze ogen voor de stad en de tempel van Jeruzalem. “En mij werd een rietstok gegeven aan een staf gelijk, en gezegd: Sta op en meet de tempel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden. En de voorhof die buiten de tempel is, verwerp die en meet die niet, want hij is aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang” (vs. 1-2).

Uit andere bijbelpassages weten wij, dat vóór de grote verdrukking vele Joden naar hun land zullen zijn teruggekeerd en dat de tempel zal zijn herbouwd. Dit zal gebeuren tijdens de heerschappij van de naties en terwijl de massa van de Joden nog in ongeloof is. Zij zullen hun nationale voordelen zoeken in politieke inspanningen in plaats van te vertrouwen op de hulp van God.

De blik van de profeet gaat terug naar een tijd die voorafgaat aan de grote verdrukking. De gang van zaken met betrekking tot de tempel en Jeruzalem wordt beschreven vanaf die tijd tot de tijd vlak voor de zevende bazuin. Men ziet de tempel, die de “tempel van God” wordt genoemd. Dit omvat het altaar en de binnenste kring van aanbidders. Maar de massa aanbidders, aangeduid door de voorhof, die zich buiten de tempel bevindt, waar het volk aanbad, wordt niet behandeld. De binnen- en buitenkant van de tempel worden gebruikt als symbolen voor de ware aanbidders van het uitverkoren volk van God en voor de massa ongelovige belijders eromheen. De meerderheid van het volk is nog niet tot de HEER teruggekeerd, maar is in afhankelijkheid van de macht uit de volken waarmee zij zich hebben verbonden. Zo zijn ze nog steeds verontreinigd en zal hun stad, hoewel heilig volgens Gods plannen, nog 42 maanden lang vertreden worden.

Op de reden hiervan komen we later terug. Maar eerst volgen we de volgorde van het visioen. “En ik zal aan mijn twee getuigen [macht] geven en zij zullen profeteren 1260 dagen lang, met zakken bekleed. Dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die vóór de Heer van de aarde staan. En als iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en verteert hun vijanden; en als iemand hun schade wil toebrengen, dan moet hij zó gedood worden. Deze hebben de macht1 de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht1 over de wateren om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen” (vs. 3-6).

Deze getuigen worden vergeleken met olijfbomen, wat erop wijst, dat zij met de Heilige Geest vervuld zijn. Zij zijn ook kandelaars, die het licht van de Heilige Geest werpen in de grote duisternis die zowel de Joden als de naties omhult. Hun aantal is veelzeggend. Vandaag, in de periode van de gemeente, terwijl de Heilige Geest op aarde woont, is er een volledig, hemels getuigenis: zeven kandelaren die hun licht verspreiden. Het zevenvoudige licht wordt dan als het ware overgebracht naar de hemel, waar de zeven fakkels van vuur branden voor de troon (hfdst. 4:5). Maar God zal op aarde niet zonder getuige zijn. Daarom zullen twee getuigen – niet twee personen – het kleinste aantal getuigen dat de joodse wet toestaat, opstaan in deze donkere tijd. De betekenis van deze symbolen is dat God gedurende deze hele periode van 1260 dagen of 42 maanden, waarin de stad Jeruzalem door de volkeren zal worden vertrapt, toereikend getuigenis zal afleggen. Het is het getuigenis van het gelovige overblijfsel, dat tijdens de grote verdrukking in Jeruzalem standhoudt.

Wat houdt dit getuigenis in? De getuigen zijn met zakken bekleed, een gebruikelijke uitdrukking van rouw en verootmoediging voor God. Gelovigen in onze tijd van genade worden aangespoord zich te allen tijde in de Heer te verblijden. Blijdschap past bij hen die een volmaakte en voltooide verlossing kennen en bezitten. Zakken passen bij hen die hun eigen zonden voelen en erkennen en tot God roepen om verlossing. Rouwkleding past bij het gelovige overblijfsel, terwijl feestkleding bij de gemeente hoort. Deze getuigen staan “vóór de Heer van de aarde.” Hoewel de Heer Jezus nu al het recht op de aarde bezit, is dit toch niet Zijn titel die Hij in de genadetijd aanneemt. Momenteel is Hij niet van deze wereld, en evenzo zijn Zijn verlosten niet van deze wereld. Maar wanneer de gemeente is opgenomen in het Vaderhuis en deze hemelse tijdsperiode ten einde is, zal God Zijn plannen voor heerschappij over de aarde hervatten. Het zekere fundament en de glorieuze hoeksteen van deze regering zal Christus zijn als Heer en Hoofd. De rampen in dit boek zijn de oordelen van God die de weg bereiden voor deze gebeurtenis. De getuigen die opstaan tijdens deze “periode van de weeën” zijn Gods getuigenis over deze gebeurtenis.

Daarom komt de houding van deze getuigen tegenover hun tegenstanders niet overeen met die van een Christen. Het lijkt eerder op de houding van Elia, die bad dat het niet zou regenen en om vuur uit de hemel vroeg. Wij denken ook aan Mozes, die water in bloed veranderde en Egypte met plagen trof. Dat is het optreden van God in Zijn regeringswegen en in het oordeel. Het is heel anders dan zijn huidige lankmoedige genade. Hier ademen we de sfeer die we vaak vinden in de Psalmen. Een trouw overblijfsel treurt en lijdt, maar houdt vast aan de trouw van God in vervolging, en wordt ondersteund door Zijn kracht in het weerstaan van de vijand. Hij bidt niet om bekering maar om de vernietiging van zijn onderdrukkers. Het getuigenis, dat wordt verkondigd is niet dat van Christenen die het evangelie van genade delen, maar het getuigenis van het Joodse overblijfsel. Dat volk verkondigt het evangelie van het koninkrijk, de glorieuze en overwinnende terugkeer van de Messias.

Hun wonderbaarlijke krachten duren alleen zolang hun getuigenis duurt. Maar Gods tijd om voor Zijn volk in te grijpen is nog niet gekomen. Daarom worden zij na afloop van hun getuigenis nog steeds vervolgd door hun vijanden. Deze worden geleid door een persoon die “het beest” wordt genoemd. Daarover horen we later in dit boek (Openb. 13:1-10). “En wanneer zij hun getuigenis voleindigd zullen hebben, zal het beest dat uit de afgrond opstijgt, oorlog met hen voeren en hen overwinnen en hen doden. En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is” (vs. 7-8).

Deze verwijzing maakt duidelijk dat het toneel van hun getuigenis Jeruzalem zal zijn. Het kan alleen maar Jeruzalem zijn, want het is de stad waar onze Heer werd gedood. Het visioen over het altaar en de tempel in het eerste vers, het karakter van het getuigenis van de twee getuigen, en de profetieën uit het Oude Testament, waarvan wij er enkele nader zullen bekijken, bevestigen deze opvatting. De woordkeus laat ook geen andere conclusie toe.

De stad Jeruzalem wordt vanuit twee zeer verschillende gezichtspunten bekeken: naar haar plaats volgens Gods raadsbesluiten en naar haar huidige toestand. Beide aspecten komen in dit hoofdstuk voor. Wanneer we spreken over Gods raadsbesluiten en over de schuld van de volken die haar vertrapten, wordt Jeruzalem de “heilige stad” genoemd. Maar hier, als we denken aan haar geestelijke toestand onder de heerschappij van “het beest dat uit de afgrond opstijgt,” wordt Jeruzalem gezien in de diepste morele duisternis, een stad die stinkt naar de vuiligheid van Sodom en die onder het oordeel van Egypte ligt. Het is de stad waar de schuld van de mens zijn hoogtepunt bereikte in de verwerping en kruisiging van de Heer Jezus.

Het gaat dus om twee krachten die tegenover elkaar staan. Toch is Jeruzalem het toneel van deze confrontatie. God heeft een toereikend getuigenis opgesteld, niet voor Zijn genade, maar voor Zijn oordeel. Het beest daarentegen probeert dit getuigenis en de getuigen te vernietigen. Hoewel het enigszins vooruitloopt, is het nuttig om nader in te gaan op wat deze vijandige krachten inhouden.

De twee getuigen

Laten we eerst de getuigen bekijken. Hun getuigenis is als dat van een treurend overblijfsel in Jeruzalem. Wanneer en waarom vinden we een overblijfsel, dat zo treurt? Dit staat in verband met de terugkeer van de Messias. God heeft verklaard dat Hij Jeruzalem zal maken “tot een bedwelmende beker voor alle volken rondom.” En verder: “Op die dag zal het gebeuren dat Ik Jeruzalem zal maken tot een steen die moeilijk te tillen is voor al de volken. Allen die hem optillen, zullen zichzelf zeker diepe sneden toebrengen.” Van de vorsten van Juda (dat is het overblijfsel) zegt God, dat Hij hen zal maken “als een vuurbekken in een stapel hout en als een brandende fakkel in een graanschoof,” en “rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.” Maar aan deze omstandigheden is een groot verdriet verbonden: “Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene. Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo” (Zach. 12:2-11).

Diep verdriet onder de gelovige Joden gaat vooraf aan hun nationale bevrijding. In het evangelie van Lukas lezen we ook over het lijden van het godvruchtige deel van het volk vlak voor de glorieuze verschijning van de Messias. “En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door het bruisen van zee en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk met kracht en grote heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij” (Luk. 21:25-28). Aan de vooravond van de terugkeer van Christus in kracht en heerlijkheid, zal het godvruchtig overblijfsel van de Joden in grote nood en verdriet verkeren, hun schuld betreurend, omdat zij de Messias hebben verworpen. Bovendien zullen zij in het zwaarste lijden worden gestort vanwege de vervolgingen die zij ondergaan en de algemene omwentelingen en oordelen.

Dat zijn de omstandigheden die duidelijk worden beschreven in de oordelen die volgen op het klinken van de bazuinen. Naast deze algemene overeenstemming in karakter komen ook de tijden precies overeen. In Lukas en Zacharia gaan de beschreven verdrukkingen onmiddellijk vooraf aan de komst en de heerschappij van Christus. Wat vinden we nu in Openbaring? We zien hier de lamp van het getuigenis van Gods regering over de naties opnieuw branden in Jeruzalem. We zien dat de sterke engel, die de Heer Jezus voorstelt, de hele aarde in bezit neemt en zweert dat er geen uitstel meer zal zijn. Verder staat er, dat na de stem van de laatste bazuin het geheimenis van God voltooid zal zijn. We zien dan bij de zevende bazuin, dat “het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van Zijn Christus” is gekomen (vs. 15).

Uit deze gedeelten uit de Schrift, alsmede uit het karakter van de getuigen van hun kant, blijkt dat de inhoud van het doorgegeven getuigenis betrekking heeft op de nabije terugkeer van de Messias tot bestraffing van Zijn vijanden, tot bevrijding van Zijn volk en tot de oprichting van Zijn troon. Dit is de ene kant van het argument.

Het beest

Wat is de andere kant die “het beest” wordt genoemd? Wij leren hier dat het “beest dat uit de afgrond opstijgt” de getuigen zal doden en geweld zal uitoefenen in Jeruzalem gedurende de 1260 dagen van hun profetische bediening, of de 42 maanden waarin Jeruzalem door de volkeren onder de voet zal worden gelopen. In hoofdstuk 13 wordt het beest beschreven als een beest met zeven koppen en tien horens. Eén van de koppen heeft een doodswond die genezen zal worden, wat de hele aarde zal verbazen (hfdst. 13:3). De draak zal het beest zijn macht, troon en groot gezag geven. “En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is” (hfdst. 13:8). Het beest krijgt de macht om 42 maanden te werken. Gedurende deze tijd zal het God lasteren, oorlog voeren tegen de heiligen en hen overwinnen. In hoofdstuk 17 vers 8 en 9 wordt het beschreven als een beest dat “was en niet is en zal zijn” en dat uit de afgrond zal opstijgen en ten verderve zal gaan, terwijl de zeven koppen bergen worden genoemd. In hoofdstuk 19 voert het oorlog met Christus – en wordt het levend in de vuurzee geworpen (vs. 19,20).

Als we de beschrijvingen met elkaar verbinden, lijkt het erop dat “het beest” de heerser is over de koninkrijken van de volken, die zijn zetel zal hebben in de stad met de zeven heuvelen, Rome, en wiens gebied zich ook zal uitstrekken tot Jeruzalem. Het Romeinse Rijk was het laatste rijk dat na de droom van Nebukadnezar de heerschappij had in de tijd van de volken, en het zal in stukken worden gebroken bij de komst van Christus (de steen die zonder handen afgehouwen werd; Dan. 2:34). Dan zal de Heer Jezus Zijn heerschappij over de aarde opnemen. Deze wereldmacht (het Romeinse Rijk) is voor een tijd verdwenen, wat wordt aangegeven door de dodelijke wond. Deze macht “was en is niet.” Maar zij zal weer verschijnen omdat de dodelijke wond zal worden genezen. In de laatste periode van de tijd die wij nu beschouwen, zal deze macht weer verschijnen met een bijzonder duivels karakter, aangeduid door het opstijgen uit de afgrond. Zij zal het voornaamste instrument van Satan worden bij de vervolging van de getuigen die de wederkomst van Christus en Zijn komend koninkrijk aankondigen. Gedurende 3½ jaar, of 42 maanden, zal het beest oorlog voeren tegen de gelovigen, God lasteren, en tenslotte de bondgenoten aanvoeren die campagne zullen voeren tegen de Heer en Zijn gezalfde. Op het hoogtepunt van deze goddeloosheid zal het beest zijn vreselijke lot treffen.

Een passage in de profeet Daniël illustreert dit ook. De regeringswegen van God werden hem geopenbaard in de tijd van de volkeren. Het is de periode waarin Israël terzijde wordt gesteld en de regeringsmacht in handen wordt gegeven van de volken. Vier rijken volgen elkaar op: het Babylonische, het Perzische, het Griekse en het Romeinse. Het laatste wordt als een “dier, schrikwekkend, gruwelijk en uitzonderlijk … en het had tien hoorns” beschreven “Terwijl ik op de hoorns bleef letten, zie, een andere, kleine, hoorn rees daartussen op. Drie van de eerdere hoorns werden voor hem uitgerukt. En zie, in die hoorn waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak” (Dan 7:7,8). Dan verschijnt de Oude van dagen in het oordeel. “Toen keek ik, vanwege het geluid van de grote woorden die de hoorn sprak. Ik keek toe totdat het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven” (Dan. 7:11). Dan komt met de wolken van de hemel “Iemand als een Mensenzoon” aan Wie “een eeuwige heerschappij die Hem niet ontnomen zal worden” is gegeven  (Dan. 11:14b).

Uit de gegeven uitleg blijkt, dat de tien horens 10 koningen zijn. De ene hoorn zal na deze opstaan, zich van de rest onderscheiden en drie koningen vernederen. “Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd,” wat staat voor 3½ jaar. Maar het oordeel zal neerdalen; en men zal hem zijn heerschappij ontnemen, en het koninkrijk zal aan het “volk van de heiligen van de Allerhoogste” gegeven worden (Dan. 7:25-27).

Niets is duidelijker dan de overeenkomst tussen de kleine hoorn en het dier dat uit de afgrond oprijst. Beiden vertegenwoordigen de heerser van het herrezen Romeinse Rijk. Deze zal de macht uitoefenen over Jeruzalem, dat zich onder de heerschappij van de volken bevindt. Hij lastert God en vervolgt de gelovigen. Hij regeert gedurende de laatste 3½ jaar van de tijden der volken. Hij zal worden afgesneden bij de komst van de Heer in het oordeel. Christus zal komen en Israël verheffen tot zijn beloofde hoogste positie onder de volken en Zijn eigen rechtvaardig koninkrijk over de aarde oprichten.

Dit is de tijd die in dit hoofdstuk van Openbaring wordt beschreven. De Joden keren terug naar Jeruzalem en herbouwen de tempel. Er is een aantal oprechte gelovigen, maar de meerderheid van het volk volhardt in ongeloof. De stad (Jeruzalem), die naar het voornemen van God weer in heiligheid wordt erkend, maar in haar huidige staat verontreinigd en onbekeerlijk is, bevindt zich nog steeds onder een vreemd juk. Ware getuigen kondigen het komende koninkrijk van de Messias aan in de tweede helft van de periode van de verdrukking, maar de laatste leider van de machten der volken is het toegestaan hen te doden.

De volkeren en zij die op de aarde wonen zullen zich verheugen over de onderdrukking van dit getuigenis. Daarbij denken zij er niet aan, dat ondanks de dood van de getuigen, de vervulling van de profetieën nabij is. “En [zij] uit de volken en geslachten en talen en naties, zien hun lijk drie en een halve dag, en zij laten niet toe dat hun lijken in het graf gelegd worden. En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden” (vs. 9,10). Er worden hier twee groepen onderscheiden: de volken en zij die op de aarde wonen. De eersten zijn “velen,” ongetwijfeld een grote meerderheid die zich verheugt. In hun triomf zullen zij zelfs niet toestaan dat de lichamen van de getuigen worden begraven. Maar de andere groep – “zij die op de aarde wonen”- jubelen nog luider. Deze aanduiding is geen geografische maar een morele en slaat op mensen die zuiver aards gezind zijn. Voor zulke mensen, die de wereld liefhebben en ervoor leven, is de profetie van de getuigen over een koninkrijk van recht en oordeel onverdraaglijk. Hun vreugde is dan ook zeer groot wanneer zij horen, dat de gehate getuigen zijn gedood en de stem van de gevreesde getuigen is verstomd.

Maar hun vreugde duurt maar kort. Drie en een halve dag later worden zij opgeschrikt door de bovennatuurlijke demonstratie van de macht van God. Daarmee toont Hij zowel Zijn waardering voor die gedode getuigen als Zijn toorn over hun jubelende vernietigers. “En na de drie en een halve dag kwam de [de] levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan, en grote vrees viel op hen die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Komt hierop! En zij stegen op naar de hemel in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen. En op dat uur kwam er een grote aardbeving, en het tiende deel van de stad viel, en zevenduizend namen van mensen werden bij de aardbeving gedood; en de overigen werden zeer bevreesd en gaven heerlijkheid aan de God van de hemel” (vs. 11-13).

De eerste opstanding is dan grotendeels voorbij. De Heer Zelf was de “Eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Kor. 15:20). Dan zullen zij “die van Christus zijn bij Zijn komst” worden opgewekt en opgenomen om Hem in de lucht te ontmoeten. De komst van de Heer voor de gelovigen vindt plaats vóór de grote verdrukking, die in deze hoofdstukken uitvoerig wordt beschreven. De gelovigen van het Oude Testament en die van de gemeente hebben deel aan de eerste opstanding en bevinden zich in de hemel, voordat de tot dan toe besproken oordelen beginnen. Maar door een andere daad van opstanding hebben ook twee andere groepen deel aan de eerste opstanding. Daarbij gaat het om “de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden” (hfdst. 20:4). De eerste opstanding omvat dus drie groepen:

  1. Zij die vóór de verdrukkingstijd opstaan en die al in de hemel worden gezien in het beeld van de 24 oudsten;
  2. degenen die zijn onthoofd vanwege het getuigenis van Jezus en het Woord van God, van wie de zielen onder het altaar zullen worden gezien wanneer het vijfde zegel wordt geopend (hfdst. 6:9);
  3. zij die de dood ondergingen omdat zij het beest en zijn beeld niet aanbaden. Tot deze groep behoren de getuigen die werden gedood.

Hun opstanding is opvallend en openbaar. Zelfs de slechtheid van hun vijanden draagt bij tot hun glorie. Terwijl de aarde zich verheugt over de val van de getuigen en hun lijken in de straten van de stad liggen te vergaan, worden zij plotseling vervuld van nieuw leven. Zoals eens Christus stijgen zij omhoog in de wolk naar de hemel, het teken van Goddelijke aanwezigheid. “Hun vijanden aanschouwden hen.” Wat een teken! Het is angstaanjagender dan het handschrift op de muur van het paleis van Belsazar en wijst op een nog verschrikkelijker onheil. Op hetzelfde moment doet een aardbeving de stad beven. 7000 mensen worden gedood in hun vreugde over de dood van de getuigen.

De overlevenden zijn vervuld van angst en geven God eer door Hem te verheerlijken als de God van de hemel. Maar er is geen berouw of inkeer, geen erkenning van Gods rechten over de aarde, die Hij hierna zal doen gelden. Ook is er geen onderwerping aan de waarheid die door de opgestane getuigen wordt verkondigd. Er is natuurlijke afschuw en religieuze eerbied waartoe de afschuw leidt. Maar men vindt geen gewetensactiviteit, geen geloof, geen buiging voor het getuigenis van het Woord van God. En toch staat de bazuin die de vervulling van Gods woorden aankondigt op het punt te klinken: “Het tweede ‘Wee!’ is voorbijgegaan, zie, het derde ‘Wee!’ komt spoedig” (vs. 14).

 

NOOT:
1. Of ‘gezag, bevoegdheid.’

 

Thomas B. Baines; © www.haltefest.ch

Jaargang 2010 – Bladzijde: 177.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW