3 maanden geleden

De Openbaring (14)

OPENBARING 9

Vijfde bazuin

“En de vijfde engel bazuinde, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. En zij opende de put van de afgrond en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven; en de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put” (vs. 1,2).

Deze en de volgende wee worden gekenmerkt door hun duidelijk satanische achtergrond. De val van een ster, zoals eerder in hoofdstuk 8 vers 10, wijst op de afval van een grote maar ondergeschikte macht die niet van aardse oorsprong is. Het gaat om een macht van de “overheden en machten” die heersen over de duisternis van deze wereld, een van de “geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef. 6:12).

Deze kwade ster mag satanische duisternis en kwelling over de aarde brengen. Hij bezit “de sleutel van de put van de afgrond.” Het is de onpeilbare, bodemloze afgrond waar het kwaad wordt tegengehouden voordat het zijn definitieve lot ontvangt. In die afgrond zal de duivel duizend jaar worden opgesloten voor zijn laatste opstand en eeuwige veroordeling (hfdst. 20:1-3). Daar zijn vermoedelijk ook de engelen die gezondigd hebben, die “overgeleverd zijn aan ketenen van donkerheid om tot [het] oordeel bewaard te worden” (zie 2 Petr. 2:4). In Jezus’ tijd vreesden de demonen naar die plaats te komen, toen zij Hem smeekten “dat hij hun niet zou gebieden in de afgrond te gaan” (Luk. 8:31). Een dichte rook stijgt op uit die verlaten gevangenis die het hart voor Gods licht verduistert en alle gezonde invloeden aantast, wat wordt aangeduid door het verduisteren van de zon en de lucht.

Maar dit is niet alles. Krachten rechtstreeks uit het demonische rijk worden ook ontketend. “En uit de rook kwamen sprinkhanen voort op de aarde en hun werd macht gegeven zoals de schorpioenen van de aarde macht [1] hebben. En hun werd gezegd dat zij geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, noch aan enig groen ding, noch aan enige boom, behalve aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofden hebben. En hun werd gegeven dat zij hen niet zouden doden, maar dat zij hen vijf maanden zouden pijnigen; en hun pijniging was [de] pijniging van een schorpioen wanneer hij een mens steekt. En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken en hem geenszins vinden; en zij zullen begeren te sterven en de dood vlucht van hen weg” (vs. 3-6). Het beeld van de sprinkhanen is waarschijnlijk een verwijzing naar de profeet Joël, waar ze worden aangeduid als “Mijn grote leger” (Joël 2:11,25) en waar hun woede uitvoerig wordt beschreven.

Sprinkhanen zijn een bekende en gevreesde plaag in het Oosten. Als ze verschijnen, wordt de lucht donker en geen plant ontsnapt aan hun vraatzucht. Hun overweldigende aantallen en de volslagen hulpeloosheid van de mens tegenover hen zijn kenmerken waarop in dit gedeelte in het bijzonder wordt gezinspeeld. De sprinkhanen die hier worden beschreven verschillen van de echte sprinkhanen in die zin dat zij de plantenwereld ongedeerd laten, maar mensen aanvallen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hebben.

Hoewel de hier beschreven krachten in aantal en kracht op sprinkhanen lijken, hebben zij stekels als schorpioenen. De kwelling veroorzaakt door de steken doet mensen verlangen naar de dood. Maar de dood “vlucht voor hen”. Deze plaag is niet gericht op verwoesting en doden, maar leidt tot eindeloze kwelling. Alleen die personen worden getroffen, die niet “het zegel Gods op hun voorhoofd hebben”. Aangezien de verzegeling niet bestemd is voor de volken, maar voor een select aantal Israëlieten uit de twaalf stammen, kunnen wij hieruit afleiden, dat deze verschrikkelijke, maar niet dodelijke kwelling, veroorzaakt door deze schare van kwelgeesten uit de bodemloze put, alleen bestemd is voor de ongelovigen uit Israël.

Het uiterlijk van deze sprinkhanen wordt nu in meer detail beschreven: “En de gedaanten van de sprinkhanen waren aan paarden gelijk, toegerust tot [de] oorlog; en op hun koppen was [zoiets] als kronen, aan goud gelijk, en hun gezichten waren als gezichten van mensen; en zij hadden haar als vrouwenhaar, en hun tanden waren als die van leeuwen, en zij hadden harnassen als ijzeren harnassen, en het gedruis van hun vleugels was als gedruis van wagens met vele paarden, die ten oorlog trekken; en zij hadden staarten, aan schorpioenen gelijk, en angels, en hun macht was in hun staarten om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang. Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; in het Hebreeuws is zijn naam Abaddon [2], en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon” (vs. 7-11). Men kan misschien zeggen dat de historische veroveringen van de Mohammedanen een schaduw waren van deze zwermen. Maar die veroveringen gingen gepaard met veel bloedvergieten, terwijl van de “sprinkhanen” die hier worden genoemd uitdrukkelijk wordt gezegd, dat zij geen mensen doden.

De belangrijkste toepassing van deze verzen moet dus iets heel anders zijn en ligt nog in de toekomst. Wanneer deze omstandigheden zich zullen voordoen, zal de overeenstemming tussen wat werkelijk gebeurt en de voorspelling duidelijk zijn voor het oog van het geloof.

Uit de beschrijving van de sprinkhanen kunnen wellicht bepaalde morele kwaliteiten worden afgeleid. De oorlogspaarden en de kronen symboliseren strijdlust en machtsvertoon. De schijn van onbeschaamdheid en onafhankelijkheid, gepaard aan echte zwakheid en onderdanigheid, vinden hun tegenhanger in de gezichten van mensen en in het haar van vrouwen. De leeuwentanden wijzen op vernietigend geweld. In het ijzeren harnas zien we een geweten zo hard als staal, ongevoelig en zonder mededogen. Het geluid als zij zich verplaatsen dat op het lawaai van strijdwagens lijkt, verwijst naar de grote chaos die deze sprinkhanen zullen veroorzaken. Met hun staart brengen ze schade toe, wat waarschijnlijk een echo is van Jesaja 9 vers 14: “De leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.” Deze pogingen tot verklaring zijn slechts gissingen.

Maar zelfs zonder in staat te zijn het raadsel van deze raadselachtige profetie volledig te ontcijferen, kan een algemene verklaring worden afgelegd. Het gaat niet om materiële, maar om morele schade, veroorzaakt door de volgelingen van Apollyon, de “bederver.” De sprinkhanen laten een geestelijke woestijn achter. De schorpioenen brengen schade toe aan het hart en het geweten. Het fysieke leven daarentegen, wordt niet vernietigd. Het woeden van de vijanden uit de afgrond is beperkt tot het ongelovige volk van het volk Israël en is in tijd beperkt tot de genoemde vijf maanden.

Dus zo ziet de eerste van de drie weeën eruit. Vers 12 kondigt aan: “Eén ‘Wee!’ is voorbijgegaan; zie, er komt nog twee keer een ‘Wee!’ hierna” (vs. 12).

Zesde bazuin

“En de zesde engel bazuinde, en uit de <vier> horens van het gouden altaar dat vóór God is, hoorde ik één stem die zei tot de zesde engel die de bazuin had: Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat” (vs. 13,14).

Het gouden altaar is het reukofferaltaar, dat – hoewel gescheiden door het voorhangsel – vóór de ark van het verbond met het verzoendeksel stond. In beeld is het dezelfde plaats waar de engel macht had gegeven aan de gebeden van de heiligen (hfdst. 8:3). Uit de vier hoornen van dit altaar komt, in antwoord op deze gebeden, de opdracht om de vier engelen los te maken bij de Eufraat. Hieruit blijkt dat deze gebeurtenis in de toekomst zal plaatsvinden.

Soms brengen deze verzen geschiedenis in herinnering. Men denke aan de ruitertroepen uit de Eufraat van de ontelbare Turkse horden die het Oost-Romeinse Rijk overrompelden en uiteindelijk vernietigden. Maar in onze tijd van genade kunnen de gelovigen niet om zo’n plaag vragen.

Maar wanneer de Heer Jezus Christus het oordeel over deze aarde zal voltrekken, zullen de dan levende gelovigen God vragen om wraak te nemen op hun vijanden. De rampen die dan de mensheid treffen, zullen een antwoord zijn op hun smeekbeden.

De Eufraat was de buitengrens van het Romeinse Rijk. De vermelding van de Eufraat geeft aan, dat het tweede wee betrekking heeft op het herstelde Romeinse Rijk, terwijl het eerste wee valt op het ongelovige deel van het volk Israël. Wij zullen zien, dat van de heerser van het Romeinse Rijk de zwaarste vervolgingen van de gelovigen zullen komen. Daarom zullen deze oordelen hem en zijn volk bijzonder hard treffen. Het leger dat verwoesting zal brengen is van tevoren voorbereid, maar wordt tot die tijd tegengehouden.

“En de vier engelen die gereed waren tegen het uur en de dag en de maand en het jaar, om het derde deel van de mensen te doden, werden losgemaakt” (vs. 15). In dit vers vinden we opnieuw de term “het derde deel,” hetgeen de conclusie bevestigt dat de slag slaat op het herstelde Romeinse Rijk. Er zijn pogingen ondernomen om de tijdsduur van dit wee te bepalen uit de woorden “tegen het uur en de dag en de maand en het jaar.” Maar het “het uur en de dag en de maand en het jaar” geven niet de duur van de wee aan, maar wijzen op het tijdstip van het begin ervan. Het begin van dit wee is tot op het uur bepaald.

“En het getal van de legers van de ruiterij was twintigduizend tienduizendtallen; ik hoorde hun getal. En aldus zag ik in het gezicht de paarden en hen die erop zaten: zij hadden vuurrode, donkerrode en zwavelkleurige harnassen en de koppen van de paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun monden kwam vuur, rook en zwavel. Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood, door het vuur, de rook en de zwavel die uit hun monden kwamen. Want de macht van de paarden is in hun mond en in hun staarten; want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben koppen, en daarmee brengen zij schade toe” (vs. 16-19).

Het oordeel verschijnt met de snelheid van een paard en in de vernietigende kracht van een leeuw. De ontelbare troepen ruiters – 200 miljoen – laten zien met welke tomeloze kracht zij zullen verschijnen en het geteisterde gebied zullen overspoelen. Vuur en zwavel vertegenwoordigen de sterkste vorm van dit oordeel. Het zijn symbolen van eeuwige straf. Rook met zijn verduisterend effect is het middel van vernietiging. Daarnaast is er een duivelse kracht die wordt gekenmerkt door de paardenstaarten, die op slangen lijken, en de koppen, die een schadelijk effect hebben. Als gevolg daarvan treedt niet alleen de morele dood in, maar ook de fysieke dood. Een ongekende vernietiging van mensenlevens en bovendien een satanische vergiftiging van zielen kenmerken deze wee. De concrete bijzonderheden zullen worden begrepen door hen die verstand hebben, wanneer deze dingen zullen geschieden. Nu kunnen ze alleen in algemene zin worden begrepen.

Hoe vreselijk dit leed ook is, het zal geen berouw veroorzaken. “En de overigen van de mensen, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen, dat zij niet aanbaden de demonen en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen kijken, niet horen en niet lopen; en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun diefstallen” (vs. 20,21). Het is niet precies bekend welke vorm van afgoderij de mensen in de eindtijd zullen bedrijven, hoewel Openbaring ons later enige aanwijzingen geeft. Maar uit deze en andere bijbelse passages moet de verbijsterende conclusie worden getrokken, dat de ontwikkeling van het voortschrijdende tijdperk uiteindelijk zal leiden tot een herinvoering van afgoderij in de een of andere vorm onder de beschaafde volkeren van de aarde. Ongetwijfeld zal deze verering daarbij een oppervlakkige intellectuele vorm aannemen, waarbij een beroep wordt gedaan op de natuurlijke godsdienstige gevoelens. Zo ontwikkelden zich natuurlijke religies in de vroegste geschiedenis van de mensheid. Maar zij zijn niets anders dan heidense gruwelen in Gods ogen.

Afgoderij en moreel verval zijn de twee grote zonden die door de profeten van het Oude Testament aan de kaak werden gesteld en die het verval van Gods aardse volk inluidden. De geschiedenis herhaalt zich. Ondanks alle menselijke ontdekkingen en uitvindingen is de morele aard van de mens altijd dezelfde gebleven. Aan het einde van de tijd der volkeren zullen deze twee zonden – afgoderij en moreel bederf – opnieuw het oordeel van God teweegbrengen.

Wat een ernstig beeld van hoe ver de hardnekkigheid van het menselijk hart tegenover God gaan kan. Zelfs deze vreselijke bezoekingen zullen geen heilzaam effect hebben. Blootgesteld aan de “macht der misleiding,” zullen zij die eens God in Zijn genade verachtten, Hem uiteindelijk in laag aanzien houden, ook in Zijn wijze van regeren. Met iedere slag van Zijn oordelen zullen de mensen verharden en zich verzetten, totdat zij zich, evenals de oude Farao, blindelings zullen storten in de vloed die hen zal verzwelgen. Dat is de weg van de mens. Hoe wonderbaarlijk is de genade die zich zo laag heeft gebogen over de gevallen staat van vervallen en geruïneerde schepselen, en hen voor een onmetelijke prijs heeft gekocht voor de heerlijkheid. “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!” (2 Kor. 9:15).

 

NOOT:
1. Of ‘gezag, bevoegdheid’.
2. Dit is ‘verderf’ (zie Job 26:6; 28:22).
3. Dit is verderver.

 

Thomas B. Baines; © www.haltefest.ch

Jaargang 2010 – Bladzijde: 55.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW