2 weken geleden

De Openbaring 12

Openbaring 7

 

Invoeging tussen het zesde en zevende zegel

Na het zesde zegel komt er een pauze waarin we een gelovig overblijfsel zien, dat op aarde gered wordt. In hoofdstuk 6 vers 9-11 zagen we al een ander overblijfsel gered voor de hemel. Het overblijfsel omvat hier twee groepen mensen: aan de ene kant een bepaald aantal uit Israël en aan de andere kant een niet te tellen schare uit de volken.

Het overblijfsel uit de 12 stammen van Israël

“Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van de levende God had; en hij riep met luider stem tot de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en aan de zee schade toe te brengen, en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld” (vs. 1-3). De vier engelen die op de vier hoeken van de aarde staan, zijn de uitvoerders van Gods oordeel, zelfs over de meest afgelegen gebieden van de aarde. De vier winden staan voor de storende elementen die in alle streken voorkomen en die God kan loslaten om te oordelen. Zo wordt Gog, de grote vijandelijke macht in het boek Ezechiël, beschreven als een naderende “storm” [1] (Ezech. 38:9). De Heer wordt in Jesaja 32 vers 2 beschreven als “een beschutting tegen de wind, een schuilplaats tegen de vloed …” wanneer Hij Israël van zijn vijanden verlost.

Wat betekenen nu de aarde, de zee en de bomen? De aarde wordt in de Bijbel gebruikt als een beeld van volkeren onder stabiele regeringen, terwijl de zee volkeren voorstelt in hun onrust en wanorde. Van de weinige symbolen die in Openbaring worden uitgelegd, wordt gezegd, dat de wateren “volken en menigten en naties en talen” zijn (Openb. 17:15). Van het laatste wereldrijk wordt gezegd dat het “uit de zee opstijgt” (Openb. 13:1). De vier grote dieren in Daniël 7 vers 3, die de vier grote wereldrijken karakteriseren, stegen op uit de zee, terwijl “de vier winden van de hemel de grote zee opzweepten” (Dan. 7:2). Dit wijst op anarchistische toestanden. Dit beeld wordt verschillende keren gebruikt. Zo citeert de Psalmist het in Psalm 65 vers 8 met betrekking tot de Heer als volgt: “Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen van hun golven en het rumoer van de volken.”

Een boom staat in de Bijbel figuurlijk voor een grootheid van deze aarde: “Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn tegen al wie hoogmoedig en trots is, tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden; tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven, en tegen alle eiken van Basan …” (Jes. 2:12,13).

De betekenis van deze beeldspraak is, dat God door de uitvoerders van Zijn voorzienigheid, de engelen, verschillende sociale omwentelingen laat komen over de volken onder stabiele regeringen, maar ook over de verontruste massa’s en over de groten van deze aarde.

Maar voordat deze machtige omwenteling begint, herinnert God zich Zijn uitverkorenen en zorgt voor hun veiligheid. Voor hun bevrijding, stijgt een engel op uit het oosten. De zon komt op in het oosten. Waarmee zullen Gods verzegelden zich dan bezighouden? Zij zullen wachten op het opgaan van de “Zon der gerechtigheid … en onder Zijn vleugels zal genezing zijn” (Mal. 4:2). Het is de verschijning van de Heer in heerlijkheid. In de tegenwoordige tijd mag de gelovige zoeken naar de heldere morgenster die de nieuwe dag aankondigt. Dit spreekt over Zijn komst voor de opname van de gelovigen. In de periode van deze passage is het Oosten het rijk van de hoop.

Hoewel de Heer Jezus nog niet Zelf verschijnt voor de verlossing van Zijn volk, stijgt Zijn engel op met het “zegel van de levende God.” Dit is niet de Heilige Geest van God, door Wie wij verzegeld zijn tot de dag der verlossing (Ef. 4:30). De Heilige Geest zal dan niet gegeven worden op de manier waarop hij vandaag gegeven wordt. Maar de engel, een van die “dienende geesten die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven” (Hebr. 1:14), bezit het zegel van de levende God, dat de waarborg is van leven en bevrijding. Hij verzegelt er de dienaren van God mee aan hun voorhoofden. Als de “Zoon van de levende God” vormt Christus de gemeente die niet kan worden overwonnen door de poorten van hades. Deze verzegeling door de levende God bewaart de gelovigen van Openbaring 7 voor de macht van de dood. De dood verliest zijn verschrikking voor hen die beschermd zijn achter het schild van de levende God.

“En ik hoorde het getal van de verzegelden: 144.000 verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël – uit [de] stam Juda 12.000 verzegelden, uit [de] stam Ruben 12.000, uit [de] stam Gad 12.000, uit [de] stam Aser 12.000, uit [de] stam Naftali 12.000, uit [de] stam Manasse 12.000, uit [de] stam Simeon 12.000, uit [de] stam Levi 12.000, uit [de] stam Issaschar 12.000, uit [de] stam Zebulon 12.000, uit [de] stam Jozef 12.000, uit [de] stam Benjamin 12.000 verzegelden” (Openb 7:4-8).

Deze getallen zijn duidelijk symbolisch. Het getal twaalf is het getal van het volmaakte beheer. Zo zijn er twaalf zonen van Jakob, twaalf apostelen en in de huidige passage 12.000 verzegelden uit elk van de twaalf stammen. Waarom de stam van Dan niet in de lijst voorkomt, kunnen we alleen maar gissen. De reden is niet dat deze stam zou zijn afgesneden, want in Ezechiël 48 vers 1 wordt het noordelijkste gebied toegewezen aan de stam van Dan in de nieuwe, toekomstige landverdeling. Vanuit een historisch gezichtspunt vertegenwoordigt Dan het trouwe overblijfsel uit Israël in de begintijd van de gemeente. Maar de historische kant is, zoals reeds gezegd, van secundair belang. De wezenlijke vervulling van deze profetie ligt nog in de toekomst. Wat echter duidelijk is uit deze verzen, is dat vóór de verdrukkingen die de aarde zullen treffen na het zesde zegel, een overblijfsel uit de twaalf stammen van Israël speciaal door God zal worden aangewezen om door de oordelen heen gered te worden.

Een menigte behouden uit de volken

“Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God die op de troon zit en aan het Lam!” (vs. 9,10).

Deze menigte is gekleed in witte kleren, het symbool van gerechtigheid. Ze houden palmtakken in hun handen als teken van overwinning. Hun loflied, dat gericht is tot God die op de troon zit en tot het Lam, is heel anders dan dat van de gemeente, dat in hoofdstuk 1 vers 5 luidt: “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed.” Ook de lofprijzing van de oudsten in hoofdstuk 5 vers 9 is anders: “… want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met uw bloed, uit elk geslacht en taal en volk en natie.”

De overwinnaars in deze passage zeggen niets over het bloed of over verlossing. Zij schrijven de verlossing eenvoudig toe aan God op Zijn troon en aan het Lam. Maar daarna zien we dat “zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam” (vs. 14). Waarom is dit onderwerp weggelaten uit hun lofzang?

Dit blijkt duidelijk uit hun omstandigheden. De troon waarvoor zij staan is geen troon van genade maar van gerechtigheid. Het Lam is hier niet het offerlam voor de zonde, maar de uitvoerder van het oordeel. Zoals de zielen onder het altaar baden, dat hun bloed gewroken mocht worden (hfdst. 6:10), zo hebben deze gelovigen gevraagd om bevrijding van hun vijanden door het oordeel. De verschijning van Christus betekent voor hen de bevrijding uit hun aardse benauwdheid en het verkrijgen van aardse zegeningen. De profetische blik is gericht op het volledige resultaat van deze bevrijding. Dan stijgt de lof van deze gelovigen op tot God en het Lam, die aldus voor hun redding hebben ingegrepen. De genade van God die Zijn Zoon gaf, of de liefde van Christus die hen door Zijn bloed verloste, staat hier niet op de voorgrond van hun gedachten. Het gaat veeleer om de bevrijdende macht die tussenbeide kwam in het oordeel. Dit is vaak het thema van de Psalmen. “Want U zult hen tot een doelwit maken, met Uw boog zult U op hun gezicht richten. Verhef U, HEERE, in Uw macht; dan zullen wij zingen en Uw macht met psalmen loven” (Ps. 21:13,14).

De reactie van de engelen op de roep van deze menigte getuigt van een soortgelijke houding. “En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer vóór de troon en aanbaden God en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen” (vs. 11,12). Als we deze lofzang vergelijken met die van de engelen in hoofdstuk 5, dan is er hier geen sprake van “het Lam dat geslacht is” als overheersend thema. Het lijdt geen twijfel dat Christus als Mens onder deze titel tot het koningschap zal komen. Hier is het echter niet de titel die het onderwerp van de lofzang vormt, maar het feit dat het koninkrijk is opgericht. De engelen loven God voor het feit, dat Zijn koninkrijk eindelijk in macht en heerlijkheid gevestigd is, terwijl de bevrijding als gevolg van deze macht het voorwerp is van de dankzegging van de palm-dragende menigte.

Maar het ware karakter van dit tafereel ontvouwt zich in het volgende: “En één van de oudsten antwoordde en zei tot mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen? En ik zei tot hem: Mijn Heer, u weet het. En Hij zei tot mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam” (vs. 13,14). Deze overwinnaars zijn mensen die uit “de grote verdrukking” komen. Dit verwijst naar een tijdsperiode die even duidelijk is vastgesteld als de dag van de Heer of een andere bijbelse tijdsperiode. De grote verdrukking wordt ook genoemd in Jeremia, waar zij wordt aangeduid als “een tijd van benauwdheid voor Jakob”, waaruit Israël zal worden gered (Jer. 30:7). In Daniël 12 vers 1 wordt deze tijdspanne genoemd, die onze Heer ook noemde, met de nadruk op het ongekende karakter ervan: “Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.”

Dit is de grote verdrukking waaruit deze gelovigen uit de volken komen. Het lijden van deze verdrukking, dat eigenlijk voor Israël is, zal “over het hele aardrijk komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen” (Openb. 3:10). De gemeente zal nooit het “uur van verzoeking” hoeven doormaken. Dit zijn gelovigen die na de opname van de gemeente op aarde zullen leven en op de Messias zullen wachten. Hoewel zij niet tot het volk Israël behoren, zullen zij putten uit de belofte van Joël 2 vers 32, die speciaal voor die tijd geldt, dat: “… ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.” Hun kleren worden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam (vs. 14).

Waarom wordt de “grote verdrukking” hier genoemd? En waarom krijgen we degenen te zien die het zegevierend hebben overleefd? De inleiding van dit onderwerp zou volkomen zinloos zijn, indien de berichtgeving ons niet meenam naar het begin van dit verschrikkelijke tijdperk. De oordelen die onder de eerste zes zegels worden beschreven, hoewel verschrikkelijk van aard, komen voort uit de voorzienigheid van God. Maar zij vormen slechts het “begin van de weeën.” De zwaardere oordelen van de grote verdrukking staan op het punt te beginnen. En daar worden twee feiten vooraf benadrukt. Eén daarvan is de verzegeling van een bepaald symbolisch aantal mensen uit de twaalf stammen van Israël. Zij zullen door deze verschrikkelijke oordelen heen bewaard worden. Het andere feit is dat een grote schare mensen uit de volken ook gered zal worden gedurende deze periode en een bijzondere gunst van God zal genieten.

Alles is in overeenstemming met de wijze waarop God met de aarde omgaat na de opname van de gemeente. De bijzondere zegening voor de gemeente is, dat zij niet in de tijd van de verdrukking zal komen. De bijzondere zegening van degenen die hier genoemd worden, is dat zij als overwinnaars uit die periode tevoorschijn zullen komen. Hun loflied is ook heel anders dan dat van de gemeente. Het verwijst niet naar redding door het bloed van Christus, maar naar redding door middel van Zijn kracht. Het is een luid gejubel van mensen die niet van hun zonden, maar van hun onderdrukkers zijn verlost. Bovendien werd de gemeente gevormd uit een overblijfsel uit Israël en uit verloste mensen uit de volken. Na hun bekering zijn deze gelovigen tot één lichaam gedoopt door één Geest (1 Kor. 12:13). Zij zijn geschapen tot één nieuwe mens in Christus (Ef. 2:15). In deze passage wordt echter voorrang gegeven aan hen die uit Israël komen, waarmee wordt benadrukt dat God anders handelt ten opzichte van Israël dan ten opzichte van de volken. De 144.000 worden van tevoren verzegeld als bevoorrechten voor Gods speciale zorg. Het overblijfsel (die uit de volkeren) verschijnen aan het einde van die tijd, wanneer de tekenen van de overwinning in hen worden gezien. Dit is duidelijk, omdat in de oordelen die aan het koninkrijk van de Messias vooraf zullen gaan, Israël het speciale voorwerp is van Gods plan en liefde. De verzegeling die voorafgaat, is geheel in overeenstemming met de beginselen volgens welke Hij dan zal handelen. Het is even consequent, dat een schare uit de volken zal worden gered, hoewel zij niet speciaal worden aangeduid.

Aangezien deze gelovigen, gekleed in witte kleren en met palmtakken in hun handen, vóór de troon en vóór het Lam staan, zou men kunnen denken dat zij in de hemel moeten zijn in plaats van op aarde te leven als een gered overblijfsel. We herinneren eraan, dat deze scène symbolisch is. Zo bezien is het in overeenstemming met hun verblijf op aarde. Als zij hun kleren op deze aarde gewassen en wit gemaakt hebben, waarom zouden zij ze dan op aarde niet dragen? Als zij op aarde overwinnaars zijn, waarom zouden zij dan op aarde de palmtakken niet dragen?

Er wordt gezegd, dat de menigten in de hemel rondom de troon staan. Maar van deze wordt gezegd, dat zij vóór de troon zijn. Deze positie geeft niet aan, dat zij zich in de hemel bevinden. Tijdens de regering van Christus zal God Zijn aardse troon hebben en zal de heerlijkheid van Christus zichtbaar zijn op aarde. Ook vandaag kunnen gelovigen vrijelijk vóór de troon van de genade komen zonder in de hemel te zijn. Soortgelijke taal schijnt gebruikt te worden voor gelovigen uit die tijd. “Te staan vóór de troon” en “te staan vóór het Lam” duidt eenvoudig op een bijzonder innige toegang tot God, zoals ook Mozes hem kende.

De context waarin deze mensen worden genoemd, versterkt deze opvatting. De 144.000 verzegelden uit Israël zijn duidelijk bevrijd en bestemd voor aardse zegen, want het doel van hun verzegeling is om hen te beschermen tegen de oordelen. Hoewel de menigte uit de volken apart wordt genoemd, blijkt uit hun verbinding met de Israëlieten, dat zij een andere, buitenste cirkel vormen rond de kern van de verzegelden. De woorden zij “die uit de grote verdrukking komen” kunnen alleen betrekking hebben op personen die deze tijd hebben overleefd en niet op hen die daarin zijn omgekomen. Verlossing betekent in deze context: met het leven wegkomen in plaats van de dood te ondergaan. Bovendien wordt speciaal melding gemaakt van het martelaarschap van de zielen die zich onder het altaar bevinden en van hen die later door het beest worden gedood. In hoofdstuk 20 vers 4-6 worden zij gezien als degenen die tot leven zijn gekomen en met de Christus hebben geregeerd en deel hebben aan de eerste opstanding. Niets van dit alles wordt hier vermeld met de wit geklede menigte uit de natiën. Als zij zich bij de oudsten en de engelen in de hemel hadden gevoegd, zou er zeker een verwijzing zijn naar hun aanwezigheid daar. Maar de groep mensen in de hemel in dit hoofdstuk is dezelfde als voorheen; er is niets dat erop wijst, dat er een andere groep bijgekomen zou zijn.

Deze ontelbare menigte uit de volken stelt de gelovigen voor die tijdens de grote verdrukking in de komst van de Messias geloofden en uiteindelijk na hevig lijden met hun leven wegkomen. Hun beloning wordt genoemd in vers 15: “Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij die op de troon zit, zal Zijn tent over hen uitbreiden.” Dit betekent niet, dat zij in de hemel zijn. De oude Anna in Lukas 2 vers 37 ging niet weg uit de tempel: “… terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.” Het verlangen van het trouwe overblijfsel om in de tempel van God te verblijven, loopt als een rode draad door de Psalmen: “Hoe lieflijk zijn Uw woningen, HEERE van de legermachten! Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen naar de voorhoven van de HEERE; mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de levende God” (Ps. 84:2,3). De zegen die hiermee gepaard gaat, is dus geheel in overeenstemming met het verlangen van de gelovigen in het Duizendjarig Rijk.

De gelovigen in de hemel verblijven in het huis van de Vader of bij Christus. Maar er wordt van hen niet gezegd, dat God een tent over hen heeft opgericht. Dit heeft Hij in de wolkkolom tijdens de zwerftocht door de woestijn gedaan. Dit zal Hij opnieuw doen, zoals Jesaja 4 vers 5 en 6 laat zien: “… dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en ’s nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.” De beloofde zegen die deze grote schare zal genieten, komt ook overeen met wat aan de aarde beloofd is in het Duizendjarig Rijk.

“Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte; want het Lam, dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen” (vs. 16,17). Dit zijn heerlijke zegeningen, maar zij zijn meer van toepassing op aardse gelovigen dan op hemelse. In de eeuwige staat zal God “elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn” (Openb. 21:4). Tranen, rouw, pijn en dood zullen niet meer bestaan. De zegeningen voor de scharen uit de volken daarentegen zullen meer betrekking hebben op bescherming tegen tegenspoed en bescherming tegen het kwaad. Zij zullen niet meer hongeren en dorsten. Voor een aards volk, dat juist verlost is uit zijn lijden, maar nog steeds op de plaats is waar deze verdrukking plaatsvond, zijn deze beloften wonderbaarlijk. Maar zij komen niet overeen met hen die in het huis van de Vader wonen.

Deze beloften gelden ook voor het aardse volk tijdens de regering van de Heer Jezus op deze aarde. Want Hij zal komen “om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!, tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn! Op de wegen zullen zij weiden, op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn. Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden, hitte en zon zullen hen niet steken, want hun Ontfermer zal hen leiden, Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen” (Jes. 49:9,10). Dit is geen belofte voor de hemel, maar het is voor het herstelde volk Israël. Het wordt vervolgd in vers 26: “Ik zal hen die u onderdrukken, hun eigen vlees te eten geven, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn. En alle vlees zal gewaarworden dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.” Hoewel deze profetieën over Israël uitgesproken zijn, komen de scharen uit de volken er ook van genieten, zoals ook uit Jesaja 49 vers 6 blijkt: “Het is te gering, dat U voor Mij een knecht zou zijn, om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.”

Met betrekking tot de periode, wanneer “de HEERE van de legermachten zal regeren (als Koning) op de berg Sion en in Jeruzalem,” wordt aangevoerd: “En Hij zal op deze berg verslinden de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is, en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn. Hij zal de dood voor altijd verslinden, de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde” (Jes. 24:23; 25:7,8). De vervulling van deze profetie is noch in de tijd van de gemeente, noch in de eeuwige staat. Het vindt ook niet plaats in de hemel. Het gaat om de mensen die op deze aarde zullen leven tijdens de gezegende heerschappij van de Heer Jezus, nadat Hij Zijn vijanden zal hebben verslagen.

Een terugblik op dit en het vorige hoofdstuk maakt de context en de betekenis duidelijk. De eerste zes zegeloordelen zullen volgen op de opname van de gemeente. Daarna zal de “grote verdrukking” beginnen. Op dat punt denkt God aan Zijn uitverkorenen uit Israël. Het oordeel staat als het ware stil, totdat ze verzegeld zijn. Maar Zijn genade omvat ook de scharen uit de volken. Deze mensen worden weliswaar niet verzegeld als bijzondere objecten van Zijn handelen, zoals bij de Israëlieten. Maar het vooruitzicht duurt voort tot het einde van de periode van verdrukking, waar zij, gekleed in het wit en met palmtakken in de hand als teken van overwinning, een nauwe toegang tot God zullen hebben en Zijn bijzondere zorg en gunst zullen genieten tijdens het Duizendjarig Rijk. Deze invoeging betekent niet, zoals sommigen menen, een onderbreking in de ordelijke loop der gebeurtenissen. Het markeert het einde van de eerste zes lichtere oordelen onder de eerste zes zegels. Vervolgens toont het Gods genadige zorg voor Zijn uitverkorenen, die door de volgende zwaardere oordelen moeten gaan. In Mattheüs 24 vers 8 wordt dit keerpunt aangeduid als het “begin van de weeën,” die leiden tot de “grote verdrukking.”

 

NOTEN:
1. Zo vertaald in de Engelse NKJV + Duitse Elberfelder Bibel.

 

Thomas B. Baines; © www.haltefest.ch

Jaargang 2009 – Bladzijde: 304.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW