13 jaar geleden

De Gouden Kandelaar (6)

Hoe is het met onze strijd? Hebben wij onze ogen open? Hebben wij zelfkennis? Hebben wij ook belemmeringen, die het werk van de Geest van God blokkeren? Wandelen wij in de Geest? Zomaar enkele vragen die ons leven in beroering kunnen brengen.

Het leven in de Geest (4)

Hoofdstuk 2

Wye 1 - Stilte

Strijden in de Geest

“Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten. Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen!” (1 Petrus 5:8-11).

Het is voor de kinderen van God in onze dagen van de grootste betekenis open ogen te hebben voor de zware strijd waarin wij zijn geplaatst. Met de grootste geraffineerdheid bestrijdt de macht der duisternis Gods zaak!

Toen de Amalekieten het weerloze volk Israël in de woestijn aanvielen, zocht Jozua onder het volk strijdbare mannen uit, een uitgelezen schare strijders (Exodus 17:8-16). Met hen behaalde hij tegen zonsondergang de overwinning over de machtige vijand. “Zo overwon Jozua Amalek en diens volk door de scherpte des zwaards”. Zijn ook wij bereid Gods strijd te strijden?

Bij het leven in de Geest zal ook voortdurend strijd in de Geest behoren, want niets wil de duivel zo hardnekkig doen mislukken als een leven dat aan God is toegewijd. De vorst van deze wereld is er ten zeerste op uit die discipelen van Jezus te verlammen, die zich ten volle van hun roeping bewust geworden zijn, die vastbesloten aan Gods kant gaan staan tegen zonde en onwaarheid.

Voortdurend moet het ons gebed zijn dat wij een diepere zelfkennis ontvangen: “Ontdek Gij alles en verbrandt wat in Uw licht niet rein is, Heer!” En niets van wat tot de natuurlijke mens behoort, is rein in Gods oog. Alles wat in u nog van de natuurlijke mens is, staat God in u tegen. De natuurlijke mens, ook in de gelovige, strijdt tegen Gods Geest. In de moorddadige strijd die de duivel voert, strijden vele kinderen van God met hun onveranderde wezen aan de zijde van de vijand, zonder dit te beseffen. Zo houden zij Gods zaak tegen en leggen haar hinderpalen in de weg in plaats van het evangelie tot volle overwinning te brengen. Het ergste is dat hun dit niet eens duidelijk is. Wanneer zij acht zouden slaan op dat onbehagelijke gevoel in hun binnenste en dit zouden onderzoeken, dan zouden zij spoedig weten wat in hun denken, spreken en handelen God in de weg staat en nu onvoorwaardelijk moet worden gedood (Romeinen 6:11-13; Kolosse 3:5-10). Hoe vaak gebeurt het dat wij niet wakker zijn voor God! Daarom kan er zoveel plaats vinden in ons gedrag dat remmend werkt op onze verhouding tot God en tegelijk op het hele werk van de Here.

Diepere zelfkennis

Het is opvallend hoeveel mensen slaven van hun ik-leven blijven en daarmee slaven van de vijand. De Heer roept: “Verhoogt, verhoogt, bereidt de weg. Verwijdert de struikelblokken van de weg mijns volks. Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven” (Jesaja 57:14,15).

“Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildemis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei!” (Jesaja 40:3,4).

Dat is het grote werk van ommekeer, dat, helaas, bij vclen nooit mag gebeuren. Voor de aartsvader Jakob ging de zon pas op in zijn levensavond. Tot op dat ogenblik werd zijn levensdag tegengehouden door zijn ongebrokenheid en zijn gebrek aan oprechtheid. Wat zou Jakob voor God hebben kunnen worden, als in de ochtend van zijn geloofslevcn de grote doorbraak had plaats gevonden – de overwinning van de Geest over het vlees! (Genesis 32:1,2,22-32).

Als Gods Geest door het Woord Zijn werk in mij doet en mij overtuigt en terechtwijst en tot een diepere zelfkennis brengt, zal ik ook verder komen in het kennen van God en in de praktijk rijper worden!

Zelfkennis brengt noodzakelijkerwijs een diepe verootmoediging voor God en de mensen met zich mee. Daarom schrikt de natuurlijke mens ervoor terug en wil hij dit niet. Maar deze verootmoediging is onvermijdelijk, als we innerlijk verder willen komen. Alleen op deze manier gaan wij in de praktijk stap voor stap in op Gods oordeel over onze natuurlijke mens, zoals dit aan het kruis reeds aan hem is voltrokken. In ons persoonlijk, innerlijk leven moeten wij ons nu stap voor stap buigen onder deze Goddelijke veroordeling en daarmee in de praktijk toestemmen in een steeds dieper doorwerkend sterven met de Here Jezus en ons zo stellen onder het woord: “Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn” (Romeinen 6:6).

Daarom is het zaak voor mij om in een hete gebedsstrijd stap voor stap tot een grondiger zelfkennis te komen en verootmoediging voor God en mensen te beoefenen en te zoeken. Verootmoediging en zelfkennis leiden tot een diepere reiniging en maken in ons karakter en in ons praktisch leven de weg vrij voor het openbaar worden van de macht van het leven van Christus. Dan wordt in mijn op zichzelf zo onbelangrijke, kleine leven vervuld wat de profeet Jesaja in hoofdstuk 40 zegt: “Bereidt de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God; … en de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren!” (Jesaja 40:3,5).

Grondige reiniging en blijvende bevrijding

“En wij allen weerspiegelen de heerlijkheid des Heren met een gelaat, waarvan de bedekking is weggenomen en worden aldus tot Zijn evenbeeld vervormd, van de ene heerlijkheid overgaande tot de andere heerlijkheid, gelijk de Heer des Geestes dat bewerkt” (2 Korinthe 3:18; vertaling Brouwer). Dit woord laat ons de normale ontwikkeling zien van een leven na de bekering – een voortdurend omgevormd worden tot de gezindheid en het wezen van onze Heer. Zo kon Stefanus in enkele jaren tot volle geestelijke rijpheid komen en dat doen wat Gods genade voor zijn korte leven had bestemd. “Een man vol van geloof en Heilige Geest, vol van genade en kracht”. De Heer vervulde hem geheel en al en daarom brak ook de volle gelijkenis met Jezus hier op aarde al met een onvergelijkelijke heerlijkheid door. Met bijna dezelfde woorden als de Heer zelf bad hij, toen zijn moordenaars de stenen naar hem wierpen: “Heer, reken hun deze zonde niet toe!” “Heer Jezus, ontvang mijn geest!” Zijn sterven was de heerlijke bezegeling van zijn kort, aan God toegewijd leven. Ook zijn tegenstanders konden hun ogen niet afwenden van zijn gelaat, dat straalde “als het gelaat van een engel”.

Als een vat helemaal gevuld is met een waardevolle inhoud, dan is daarin voor niets anders plaats. Maar wat is er bij de meeste gelovigen nog veel dat een plaats heeft naast het werk van genade, dat wij niet willen ontkennen! Zij zijn geen mensen uit één stuk en het heerlijke plan dat God Zich voor hen heeft voorgenomen, komt niet ten volle tot uitvoering (2 Timotheüs 2:21).

De normale ontplooiing van het Goddelijke leven vindt overal plaats, waar men het werk van Gods Geest door niets belemmert. Het rijpen en toenemen in het Goddelijke leven gebeurt alleen bij een voortdurende verootmoediging en verbreking. Dat is de bekering, die bij Gods kinderen steeds opnieuw nodig is, dit hemelse geschenk dat de Heilige Geest bewerkt en dat ook Goddelijke droefheid genoemd wordt. “De droefheid, zoals God ze verlangt, brengt bekering ter zaligheid voort, die men zich nimmer berouwt” (2 Korinthe 7:10; vertaling Canisius).

Het gaat erom met een heilige ijver iedere trek van de oude natuur, ieder spoor van ongoddelijkheid te lijf te gaan. De Heer Jezus zegt: “Wie niet haat … zijn eigen leven, kan Mijn discipel niet zijn”. Die heilige, gewelddadige haat wordt van ons geëist, die ook het rechteroog, als het ons verleidt en belemmert, uitrukt en kan wegwerpen. Men doodt ieder lid van de zonde en zo wordt men aanhoudend meer dan overwinnaar door Hem die ons heeft liefgehad.

Gods oproep vandaag

“Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad. Want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen. Schud het stof van u af!” (Jesaja 52:1).

Wij horen hier door de profeet Jesaja een roep, die in de eindtijd het ver afgedwaalde Israël uit een eeuwenlange verwijdering van God wakker roept en omhoog heft tot de positie van genade waardoor het in staat wordt gesteld in het duizendjarig rijk aan het hoofd van de volken te staan. Wat een opwekking zal dat zijn! (Ezechiël 37:1-14).

Ook vandaag moet deze oproep allen het heil aanbrengen die er gehoor aan geven. Ook van dit woord geldt hetzelfde wat de zendbrieven in Openbaring begeleidt: “Wie oren heeft om te horen, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt”.

De roep weerklinkt! Wie laat zich wakker roepen? Het komt erop aan dat het innerlijk oor van het hart zich opent voor dat wat Gods Geest ons heeft te zeggen. Dat is een zaak van de allerpersoonlijkste verantwoordelijkheid van de enkeling!

Niet voor niets staat er een tweevoudig “Waak op!” De eerste oproep heeft ons geleid tot bekering, maar wij hebben steeds opnieuw de opwekkende, leven gevende krachten van Gods Geest nodig, want wij staan voortdurend bloot aan de in slaap sussende sfeer van deze wereld. “Toen zij ontwaakten, zagen zij Zijn heerlijkheid!” Hoeveel kinderen van God verzuimen en verdromen al de heerlijkheid waarvan de eeuwige Liefde bepaald had dat zij die op aarde zouden zien en verkrijgen.

“En dit, dat gij de tijdsomstandigheden kent: het uur is voor u aangebroken, om eens te ontwaken uit de slaap – want thans is het heil ons meer nabij dan toen wij tot geloof kwamen” (Romeinen 13:11; vertaling Brouwer).

“Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Efeze 5:14).

Bekleed u met sterkte

“Bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem!” Juist in onze dagen wil de Heer Zijn gemeenten opwekken tot een nieuwe hoogte van vreugde en kracht – zoals bijvoorbeeld een moeder haar kind op de ochtend van zijn verjaardag wekt voor een bijzondere dag van vreugde. Onze Heer heeft een overvloed van vreugden voor Zijn aangezicht bereid, waarvan wij tot dusverre nog nauwelijks enig vemoeden hebben, maar waarvoor Hij nu bij ons begrip wil wekken. Sion moet het heerlijke gewaad van Goddelijke geestkracht aantrekken dat God voor haar klaargelegd heeft, evenals er vroeger voor Aäron en zijn zonen bijzondere kleren van heerlijkheid en schoonheid vervaardigd waren (Exodus 28:2).

Ook wij zijn tot een hoge priesterdienst geroepen en worden daartoe uitgerust met krachten uit de toekomende wereld! “lk verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit” (Jesaja 61:10).

Iedere morgen mogen wij ons kleden met de klederen van onze geestelijke macht. “Laat u vernieuwen in de geest van uw gemoed en doe de nieuwe mens aan, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid” (Efeze 4:23,24; Luther vertaling). “Weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht” (Efeze 6:10). David looft “de Heer, die een schild is voor allen, die op Hem vertrouwen”, de God, “die mij met kracht omgordt en mijn weg effen maakt … en mij op mijn hoogten doet staan” (Psalm 18:33,34). Kind van God, grijp uw macht aan, betreed de hoogten die voor u bestemd zijn! Gelukkig zij, die zich van ganser harte en vol ijver de hoogten van Gods plan eigen willen maken en die tot iedere prijs in hun leven willen laten realiseren!

“Bekleed u met uw pronkgewaden!” Wij denken bij deze pronkgewaden aan die onvergelijkelijke eigenschappen die onze roem en tooi moeten zijn en die het werk zijn van de in ons wonende Geest. “De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedertierenheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing!”

“Bekleedt u dan als Gods uitverkoren heiligen en geliefden, met innige barmhartigheid, met goedheid, ootmoed, zachtheid en lankmoedigheid. Weest verdraagzaam jegens elkander en vergeeft elkander, als gij over elkaar hebt te klagen; zoals de Heer u heeft vergeven, zo moet ook gij het doen! – Hul u bovenal in het kleed der liefde, want zij verbindt al de genoemde eigenschappen tot volmaaktheid! Als gij zo met elkander omgaat en verder gaat, dan zal de vrede, die het hart van Christus zelf vervult, ook in uw harten heersen en daartoe zijt gij immers geroepen als degenen, die het ene lichaam van Christus vormen” (Kolosse 3:13-15; vertaling Canisius).

Geen onbesnedene, geen onreine mag er binnengaan

Eeuwenlang is Jeruzalem door heidense volkeren vertreden. Onbesnedenen hebben het vernederd; maar als Sion voor het duizendjarig rijk wordt opgewekt is het grote keerpunt gekomen. “Voortaan zal geen onbesnedene – geen onreine in u binnenkomen”. En zo lezen wij ook over het hemelse Jerazalem: “De straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. En in haar zal niets onreins binnenkomen en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam” (Openbaring 21:21,27).

Wat kan er nog veel zijn in ons hart, in ons denken, dat voor God niet kan bestaan: oppervlakkigheid, hoogmoed, jaloezie, afgunst en onreinheid! Het hoeft niet langer zo te zijn, want Christus heeft ons vrijgemaakt opdat wij rein en vrij zouden zijn! Geen verloste hoeft het juk van een zonde, een gebondenheid te dragen. Paulus zegt: “Zodat wij … elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus”. Vandaag is het grote keerpunt voor hen die nog gebonden zijn. “Gode zij dank, gij waart vroeger wel slaven der zonde, maar hebt van harte gehoor gegeven aan de leerregel, die uw leiband geworden is” (Romeinen 6:17; Leidse vertaling). “Maar nu van de zonde vrij en Gode dienstbaar gemaakt, hebt gij dat geoogst, wat tot heiligmaking leidt en als einde het eeuwigheidsleven” (Romeinen 6:22; vert. Brouwer).

Schud het stof af

“Schud het stof van u af, welaan, zet u neder, Jeruzalem!” Bij voorwerpen die onder het stof zitten, merken wij dat zij niet dagelijks worden gebruikt. Een verloste die zich niet dagelijks ter beschikking stelt van zijn Heer en zich niet dagelijks met Zijn levenskracht laat vullen, wordt “stoffig” in zijn binnenste. Wat is de genade van de dagelijkse reiniging door Gods Woord groot! De Heer Jezus zegt tegen Petrus: “Als Ik u niet was, hebt gij geen gemeenschap met Mij” (Johannes 13:8).

Nadat wij eerst de reiniging hebben ervaren bij onze bekering, wil de Heer Jezus dagelijks verder reinigend in ons werken door Zijn Woord, zodat wij in een geheiligd leven voor Hem vrucht kunnen dragen. Maar als wij lange tijd de genadevolle dienst van de grote Hogepriester niet hebben willen accepteren, dan is het nu zaak ons diep te verootmoedigen en tot het besef van onze eigenlijke roeping te ontwaken.

Zoals eens Simson, mogen wij ontwaken en alles van ons afschudden om onze plaats als afgezonderde voor de Heer in te nemen. Bent u zich ervan bewust waar uw plaats is in de heilige gemeenschap van het gezin van God en welke taak u als lid van het lichaam van Christus moet vervullen? Schud het stof van zelfzucht, traagheid, hoogmoed en eigenwilligheid van u af! Hef uw ziel omhoog tot de lichte hoogten waarvoor u bestemd bent! “Wandelt in de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees” (Galaten 5:16). “Maak de banden van uw hals los, gevangene, dochter Sions!” (Jesaja 52:2). God eist van Zijn strijders een volkomen doorbraak naar de vrijheid. “Als gij verstrikt zijt door de woorden van uw mond, gevangen zijt door de woorden van uw mond, … red u, want gij zijt in de greep van uw naaste gekomen. Ga, klamp uw naaste aan en bestorm hem! Gun uw ogen geen slaap en uw oogleden geen sluimering; red u als een gazelle van de vangst, als een vogel uit de hand van de vogelaar” (Spreuken 6:2-5).

Een gevangen dochter Sions, wat een tegenspraak! “Om waarlijk vrij te zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houd dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen” (Galaten 5:1). Christus baat u niets en alle erkenning van de Christelijke waarheid baat u niets, als u niet eenvoudig in geloof de wonderbare vrijheid en zegeningen aangrijpt die Hij zo duur heeft gekocht!

(wordt D.V. vervolgd)

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello, van der Duyn van Maesdamstraat 89, 7391 VK Twello. Het wordt op aanvraag gratis toegezonden en heeft geen abonnementsprijs. Doel van deze publicaties is: Gods volk in onze tijd bewust te maken van de hemelse roeping van de gemeente van Jezus Christus, opdat Hij bij Zijn komst een toebereide bruid zal vinden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM