15 jaar geleden

De Gouden kandelaar (4)

Kent u, ken jij dat “verlangen” ook naar iets geheel nieuws voor je hart? Dat verlangen dat mogelijk wel ontstaan is door de dorheid in je ziel. Je weet alleen niet hoe dat verlangen gestild moet worden. Of – en dat is ook mogelijk – je weet het wel maar er is geen kracht om naar de bron te gaan. Hoe komt dat? De Heer heeft een vuur in ons hart aangestoken maar het is bijna uitgedoofd. Hoe verder? Geve de Heere dat deze serie lessen uit “De Gouden Kandelaar” over het leven in en door de Geest van God onze harten weer “brandend” maken. Brandend voor, door en met Hem! Zodat wij tegen elkaar kunnen zeggen: “Was ons hart niet brandend in ons toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?”.

Het leven in de Geest (2)

Wye 1 - Stilte

Het opgeheven leven

Het leven in de Geest wordt in de Schrift ook het opgeheven leven genoemd. De profeet Ezechiël weet iets van dat leven als hij zegt: “En de Geest hief mij op”, of: “De Geest kwam in mij en deed mij op mijn voeten staan” (Ezechiël 2:2; 3:12; 11:1,24).

Onze nieuwe mens heeft vleugelen van de geest. Hij is in staat zich boven het aardse en zichtbare te verheffen tot in zijn eigenlijke wereld, de wereld van God.

David zegt: “Tot U HEERE hef ik mijn ziel op; mijn God op U vertrouw ik” (Psalm 25:1-2). Maak mij de weg bekend, die ik gaan moet, want tot U hef ik mijn ziel op” (Psalm 143:8). “Verheug de ziel van Uw knecht, want tot U HEERE hef ik mijn ziel op” (Psalm 86:4).

Willen wij als de geliefden des Heeren verheugd en verkwikt worden, willen wij de leiding van boven ervaren, dan moet onze ziel zich verheffen tot Gods hoogten. Hoe anders wordt het beeld als wij mensen en dingen vanuit de hoogte bezien! Wij moeten dicht bij God zijn, willen we de dingen zien zoals Hij ze ziet en zoals ze in werkelijkheid zijn (Efeze 2:6; Kolosse 3:1-4). Vanuit dit geestelijk standpunt zullen wij de juiste beoordeling en als gevolg daarvan ook de juiste houding vinden in de omstandigheden waarin wij ons bevinden.

Deze hogere weg is meestal een weg van diep lijden, een weg van sterven. Paulus zegt: “Te allen tijde dragen wij Jezus’ doodslijden in het lichaam rond, opdat ook Jezus’ leven door ons lichaam wordt geopenbaard” (2 Korinthe 4:10, vert. Petrus Canisius). God regelt onze omstandigheden zo, dat als wij maar willen, het sterven met Christus kan worden beoefend en zo krijgt het Goddelijk leven in toenemende mate gestalte in ons. Maar hoe gemakkelijk gebeurt het, dat wij ons teweer stellen tegen het sterven in het groot en in het klein, dat ons dagelijks leven met zich meebrengt! Wij laten deze gelegenheden voorbijgaan omdat wij zo gewend zijn het sterven te ontlopen, en daar merkwaardig handig in zijn.

Zo worden wij beroofd van de opvoedende en heiligende genade die ons aan onze Heere gelijkvormig wil maken. Alleen door heel veel lijden worden wij gerijpt en groeien wij in ieder opzicht op tot Hem, die ons Hoofd is!

Laten wij ons toch nogmaals realiseren dat het de wil is van de Goddelijke liefde dat allen opnieuw geboren zijn, ertoe bestemd zijn dat de overweldigende grootheid van Zijn kracht zich in hen zal ontplooien en volkomen tot zijn recht zal komen in hun korte, aardse leven. “Het is dezelfde geweldig sterke macht, welke Hij in Christus heeft betoond, door Hem op te wekken uit de doden en Hem aan Zijn rechterhand in het hemelruim te doen plaatsnemen” (Efeze 1:17-20, vert. Brouwer).

Alleen deze werking van Gods Geest zal in staat zijn ons stap voor stap te bevestigen in het omhoog geheven leven, zodat wij iets zijn tot lof Zijner heerlijkheid en gebracht kunnen worden tot onze werkelijke, verheven bestemming.

De Geest der waarheid, die de wereld niet kent

Jezus zegt dat de wereld de Geest van God niet kent. “U kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn” (Johannes 14:17). Hij is het die ieder inzicht en het rijper worden in ons tot stand brengt. Daarom is het voor ons van groot belang uit de heilige Schrift Gods Geest te leren kennen zoals Hij is en te weten te komen welke voorwaarden Hij stelt.

Er moet niet alleen een honger en dorst naar de werking van Gods Geest in ons gewekt worden, maar deze moet ook door onszelf in het gebed begeerd, versterkt en levend gehouden worden. Aan oprechte harten openbaart Hij Zich altijd duidelijk en nadrukkelijk.

Maar wat ontbreekt bij ons de oprechtheid vaak. Wij hebben ons Ik, het aanzien bij de mensen, onze eigen mening, onze bezittingen of wat het ook mag zijn, veel meer lief dan dat het ons werkelijk ernstig te doen is om zelfkennis en het bereiken van het Goddelijk doel. God leren kennen, Zijn Naam verheerlijken, is niet het verlangen dat het dagelijks leven beheerst. En daarom zijn er zoveel die er zich over moeten beklagen dat zij innerlijk leeg en onvruchtbaar zijn.

De zegeningen van de Geest zijn overvloeiende zegeningen. Als Gods Geest in mijn hart mag werken, wordt de Heere in mijn leven geprezen. Dat zal gezien worden door de mensen om ons heen, in ons gezin, op ons werk. Zij merken als Gods Geest ons nieuwe karaktertrekken kan geven – als ons gedrag anders is geworden, als wij stiller, onzelfzuchtiger, liefdevoller, meer geheiligd zijn dan voorheen. Toen Hanna, de moeder van Samuël, in innig gebed voor God een nieuwe fase bereikt had, lezen wij: “En haar aangezicht was haar [zodanig] niet meer” (1 Samuël 1:18, St. vert.).

“Wat geen oog gezien, wat geen oor gehoord heeft en in ’s mensen hart niet opgekomen is, wat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben. Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; de Geest toch doorvorst alles, zelfs de diepten Gods. Wie toch der mensen kent wat in de mens is behalve de geest des mensen, die in hem is? Zo heeft ook niemand ooit Gods wezen en werk doorzien behalve de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt; opdat wij Gods genadegiften aan ons zouden kennen. Hiervan spreken wij dan, niet in woorden door menselijke wijsheid geleerd, maar in woorden, die de Geest leert en leggen geestelijke dingen voor geestelijke mensen uit. De ongeestelijke mens toch neemt niet aan wat van Gods Geest komt; want dat is in zijn oog dwaasheid. Hij kan het ook niet kennen, omdat het geestelijk moet beoordeeld worden. De geestelijke mens daarentegen beoordeelt wel alles, maar kan zelf door niemand beoordeeld worden; want wie heeft de zin des HEEREN genoeg gekend om Hem te begrijpen? Maar wij hebben de zin van Christus” (1 Korinthe 2:9-16, Leidse Vert.).

Gezegend om anderen te zegenen

De werkingen en de zegeningen van de Geest worden ons nooit enkel en alleen voor ons eigen gebruik en onze eigen verkwikking geschonken. Wat wij ontvangen, kan ons slechts tot zegen zijn, als wij het ook overbrengen op de praktijk. Wat van Hem is, heeft kracht en dienst tot nut van anderen. Iedere openbaring van de Geest wordt gegeven om anderen met ons te zegenen. “Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is [tot welzijn van allen – NBG-vert.]” (1 Korinthe 12:7; zie ook 4-31).

Alleen wanneer een gelovige in ieder stadium van zijn innerlijke ontwikkeling zo wordt als hij in dat stadium wezen moet, bezit hij de vereiste vrijheid en rijpheid om zijn medegelovigen te dienen. Zijn dienen kan tegelijk van nut zijn voor de hele gemeente, want ieder die luistert, zal zich zoveel eigen maken als hij op dat moment kan vatten. “naarmate ieder uwer zijn eigen gave heeft gekregen, moet gij daarmee elkander dienen als goede beheerders der veelsoortige genade Gods: spreekt iemand, hij spreke als waren het woorden Gods; bedient iemand, hij doe het als door de kracht die God verleent; opdat God in alles verheerlijkt worde door Jezus Christus, die tot in alle eeuwigheid de eer en de macht bezit. Amen” (1 Petrus 4:10-11; Leidse vert.).

Wanneer de Heer ons zal kunnen gebruiken om anderen te dienen, dan moeten wij bereid zijn om tot in ons diepste wezen omgevormd te worden tot de natuur van Jezus, anders zullen we geen begrip hebben voor de mensen die aan ons zijn toevertrouwd en we zullen hun niets te zeggen hebben.

Door hun opvoeding, die drieënhalf jaar duurde, en nadat de Heilige Geest in volheid op hen gekomen was en het werk van Christus in hen bekroonde, konden de discipelen beantwoorden aan de behoeften van de gemeente en de zwakken zowel als de sterken dienen (Handelingen 4:32-33).
Geestelijke rijpheid openbaart zich ook juist daarin dat men het jongste kind van God met liefde tegemoet treedt en begrip heeft voor zijn ontwikkelingsmoeilijkheden. “Voor de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om met alle middelen enige te redden” (1 Korinthe 9:16-23; vertaling Petrus Canisius).

De toerusting voor de taak die wij in de dienst vervullen moeten, kan slechts van Gods Geest komen, die altijd – om Zijn instrumenten toe te bereiden – de weg zal nemen van dieper doordringen in de heilige Schrift.

T.L. Macartney

NOTEN BEWERKER:
1. Zie Handelingen 6:5
Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello, van der Duyn van Maesdamstraat 89, 7391 VK Twello. Het wordt op aanvraag gratis toegezonden en heeft geen abonnementsprijs. Doel van deze publicaties is: Gods volk in onze tijd bewust te maken van de hemelse roeping van de gemeente van Jezus Christus, opdat Hij bij Zijn komst een toebereide bruid zal vinden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW