4 maanden geleden

De God van alle vertroosting

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting … (2 Kor. 1:3)

Deze naam van God is voor het hart van een beproefde en lijdende gelovige als balsem. Hoe lang verlangt hij toch naar troost!

Troosters zijn er vele. Als iemand een persoon tegenkomt die lijdt, zou hij wel een steen in zijn borst moeten hebben, als hij niet op zijn minst probeerde hem te troosten. Maar de troost van een mens die God niet kent, is lege adem, en zelfs gelovige vrienden kunnen “treurige troosters” zijn. Toen alles boven Job’s hoofd in elkaar stortte, gingen zijn drie vrienden dagenlang op de grond zitten om met hem te praten. Maar hun “troost” was voor hem de pijnlijkste plaag van allemaal. Waarom? Omdat de vrienden niet de bedoelingen van God met Job kenden, maar zich wel aanmatigden Zijn handelen met de beproefde vriend te kunnen verklaren, en wel op een manier die het innerlijk van de zwaar beproefde man diep verwondde en in beroering bracht. Zeker, hun onverstandig doen was een ander opvoedkundig instrument in de hand van God tegenover Job, maar we kunnen nog steeds hieruit leren, dat we alleen dan bruikbare troosters zijn, wanneer we over God “het juiste spreken” (Job 42:7), wanneer we de “God van alle vertroosting” aan anderen zo kunnen voorstellen, zoals Hij werkelijk is.

Paulus begreep hoe hij moest troosten. In dienst van zijn Heer, kwam hij dikwijls in grote verdrukkingen met zijn metgezellen, waarin zij “uitermate bezwaard zijn geworden boven vermogen”, zodat zij zelfs wanhoopten aan het leven (2 Kor. 1:8): maar de “God van alle vertroosting” lette steeds weer in ontferming op hen, en Zijn vertroostingen stroomden als verzachtende olie over al hun wonden en angsten en noden. Niet alleen was hun lijden om Christus’ wil overvloedig: door Christus was hun vertroosting ook overvloedig. Onder deze overweldigende indruk konden ze nu ook anderen, die in allerlei soorten verdrukkingen waren, vertroosten met de troost waarmee ze zelf door God getroost werden. In de diepste diepten van het lijden hadden ze God in Zijn diepe mededogen ervaren (zie 2 Kor. 1:4-7). Zo konden ze op zo’n wijze over de God van alle vertroosting spreken, dat wij vandaag nog steeds de warmte van hun woorden voelen.

Misschien word jij ook verzocht, om zoals Jeremia uit te roepen: “… Aanschouw en zie of er leed is als mijn leed!” (Klaagl. 1:12). Je denkt misschien dat jouw verdriet, jouw verdrukking, jouw lijden zo groot en zo speciaal is, dat niemand jouw ellende kan begrijpen en verzachten. Wend je tot de God van alle vertroosting! Hij heeft een bijzondere goddelijke balsem voor jou, speciaal voor jou. Je weet misschien zelf niet eens, welke troost je nodig hebt, maar Hij weet het en wil het jou geven. Keer je hart naar Hem. Hij is de God van alle of elke vertroosting.

God troost de nederigen (2 Kor 7:6). – Gaan de mensen onverschillig aan jou voorbij? Wordt er geen acht geslagen op jouw nood? God Zelf is je vriend. Zijn hart vraagt naar jou. Hij “bewaart de vreemdelingen … Hij houdt wees en weduwe staande” (Ps. 146:9). De wezen vinden genade in Hem, want Hij is “een Vader van de wezen” (Ps. 68:6). Hij wil dat de ellendige en de arme gerechtigheid ondervindt en de geringe en de arme bevrijd wordt uit de hand van de goddelozen (Ps. 82:3-4). Hij woont “bij de verbrijzelde en nederige van geest, om levend te maken de geest van de nederigen, en om levend te maken het hart van de verbrijzelden” (Jes. 57:15). – Of ontbreekt het jou aan troost, omdat je jezelf niet onder de geringen telt, maar onder de groten? De hoogmoedigen moet God ‘weerstaan’; zulken kan Hij niet bemoedigen. Maar Hij geeft genade aan de nederigen. Laten we het niet vergeten!

God troost “als troost een moeder” (Jes. 66:13). – Waarom heeft de troost van een moeder zo’n kalmerende invloed op het kind? Niet alleen omdat het haar liefde kent en voelt, maar ook omdat de moeder de menselijke emoties van haar kind kent. Onze Hogepriester, Die voor eeuwig in de hemel leeft, om Voorspraak te zijn voor de Zijnen, is niet alleen God, niet alleen onze Schepper, Die “Zijn maaksel” kent, maar ook een Mens Die eens “in alle dingen gelijk is geworden aan de broeders”, en “in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde” (Hebr. 2:17; 4:15). Welk een “troost van liefde” hebben wij in Hem in al onze menselijke zwakheden!

En wanneer wij, kinderen van God, deze wereld verlaten, die in sommige opzichten voor ons een tranendal is, zal God de eerste zijn om ons te troosten. Lazarus liet bij zijn dood zijn arme lichaam vol met zweren op aarde achter, en onmiddellijk werd zijn ziel “getroost” in de schoot van Abraham. En wanneer we dan allemaal naar de hemel gaan in het lichaam van heerlijkheid, zal God “elke” traan, elk spoor van verdriet, uit de ogen van de Zijnen afwissen. Ze zullen nooit meer huilen, want “de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:4).

Als we dit alles overdenken, kunnen we op de vraag: “Zijn de vertroostingen van God te klein voor je?” (Job 15:11) wel het antwoord geven:

Uw nabijheid verheugt mij,
zodat ik de moeite niet acht;
en wanneer de vijand mij bedreigt,
beschermt mij Uw macht.

 Mijn hart, met U vervuld,
gaat blij het pelgrimspad;
uit Uw hart komt voor mij voort
vrede, vreugde en genade.

www.haltefest.ch
Jaargang: 1962 – bladz: 167

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol