1 jaar geleden

De gewoonte van gastvrijheid (24)

Leviticus 19 vers 33:
“Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.”

De gewoonte van gastvrijheid (deel vierentwintig)

Een groep vreemdelingen die in onze huidige samenleving vaak over het hoofd wordt gezien, zijn zij die uit andere landen onder ons leven. Ik denk vooral aan buitenlandse studenten. Volgens een statistiek die ik zag, woonden er in 2012-2013 naar schatting 886.052 internationale studenten in de Verenigde Staten. Van dat aantal zal bijna 80 procent nooit worden uitgenodigd in een Amerikaans huis.

We kunnen dit moeilijk geloven, maar misschien kunnen we ons afvragen: “Wanneer hebben we voor het laatst een buitenlandse student in huis gehad?.” Het kan een beetje verontrustend zijn om een volslagen vreemdeling in huis te hebben. Ons is altijd geleerd, dat het gevaar van een vreemdeling groot is. En toch denken we aan de woorden van de Heer Jezus in Mattheüs 25 vers 35-36 en vers 40: “Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen; naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen … Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan één van de geringsten van deze broeders van mij, hebt u het Mij gedaan.”

We begonnen deze serie met mijn verhaal over een zuster die elke woensdagavond haar huis openstelde voor studenten. Ik denk aan een ander gezin, dat elke zomer enkele maanden lang jongeren uit een ander land ontvangt. Zij deden dit jarenlang. Ik denk aan weer een ander gezin, dat vaak voor langere tijd uitwisselingsstudenten uit andere landen in huis had. Elk van deze voorbeelden is een prachtige gelegenheid om de liefde van Christus te delen met de niet geredden. Het is niet alleen een gelegenheid om ons licht te laten schijnen voor hen die nog in duisternis verkeren, het dient ook als een blijvend voorbeeld van “Christus aandoen” (Rom. 13:14). Deze uitdrukking komt ook voor in Galaten 3 vers 27. Als volgeling van Christus wordt ons geleerd: “… en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid” (Ef. 4:24). Eén manier om te laten zien, dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan (Kol. 3:10) is onze huizen en harten open te stellen voor mensen die eenzaam, hongerig of in nood zijn. We lijken nooit meer op Christus dan wanneer we Zijn liefde delen!

 

Tim Hadley Sr.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW