6 maanden geleden

De gemeente van God (8) — hoofdstuk 20-24

De gemeente van God

Haar waarheden en grondbeginselen

 

HOOFDSTUK 20

De plaats van de vrouw

 

Dezelfde geest van verandering en wetteloosheid, die zich in de wereld in deze tijd van de “laatste dagen” (2 Tim. 3:1) doet gelden, wint zienderogen terrein, daar waar men belijdt de Kerk van God te zijn. — De vrouw verlaat de haar van God toegewezen plaats. Ongeacht wat de Schrift dienaangaande zegt, maakt zij aanspraak op dezelfde rechten die de man heeft, om iedere, door haar gewenste positie, in te nemen. Gemeentelijk bezien bereikt de vrouw de grens, wanneer zij zich het ambt van herder of leraar van een kerk aanmatigt. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Vrouwelijke predikanten en leraars op de kansel nemen steeds in aantal toe. Er zijn vrouwelijke “ouderlingen” en “diakenen,” vrouwen bidden in bidstonden inplaats van de mannen; en ook bij andere gemeentelijke samenkomsten worden haar stemmen gehoord. 

Al is het waar dat menige vrouw over een grotere welsprekendheid beschikt dan vele mannen, daarom heeft zij nog niet het recht een plaats in te nemen die God haar niet toekent; zèlfs niet wanneer er zegen van uit zou gaan. — Toen Mozes de rots sloeg inplaats van eenvoudig te spreken, zoals hem geboden was, rechtvaardigde de uitslag, dat het water voor de dorstige Israëlieten uit de steenrots vloeide, in geen geval zijn handelwijze. Daarom ook trof hem het misnoegen van de Heer, zodat hij en zijn broer Aäron, de eer om het volk in het beloofde land te brengen, moesten verliezen. Zij hadden God niet geloofd en hem voor de ogen van het volk Israël niet geheiligd (Num. 20:7-12). — De zusters in Christus behoren deze ernstige waarschuwing ter harte te nemen, opdat zij de volle beloning niet verliezen. Laten wij eens zien, wat het Woord ons aangaande de plaats van de vrouw leert.

DRIE HOOFDEN

“Maar ik wil dat u weet, dat Christus het hoofd is van iedere man; en de man [het] hoofd van [de] vrouw en God [het] hoofd van Christus” (1 Kor. 11:3-16). Het staat vast, dat alle gelovigen onder deze Goddelijke bepaling moeten buigen. Als God Zelf zegt, dat de man het hoofd van de vrouw is, dan is het toch niet nodig hier verder over te disputeren?

HET TEKEN VAN DE MACHT

Wanneer de man met een bedekt hoofd bidt of profeteert, onteert hij zijn Hoofd, namelijk Christus; als de vrouw met ongedekt hoofd bidt of profeteert, onteert zij haar hoofd, de man. De man is Gods beeld en heerlijkheid; de vrouw de heerlijkheid van de man. De man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man (in terugblik op de oorspronkelijke scheppingsorde). De man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. Daarom wordt ons gezegd: “daarom behoort de vrouw een macht1 op haar hoofd te hebben terwille van de engelen” (1 Kor. 11:10). De sluier of de hoofdbedekking van de vrouw is het teken van de macht (het gezag) van haar echtgenoot over haar, en een zichtbaar bewijs voor de engelen. Het lange haar is haar tot een bedekking gegeven.

Gods Woord noemt het voor de vrouw een schande wanneer zij zich het haar laat afsnijden (1 Kor. 11:6). Nochtans laten vele gelovige vrouwen zich het haar afknippen, en dit ten aanschouwen van de engelen (wat moeten deze hemelse wezens daarvan denken!) en verachten zodoende het gebod van de Heer. Kunnen geredde vrouwen het haar niet behouden om Christus wil? Wat heeft de mode daarmee te maken?

DE BETREKKING VAN DE VROUW TOT DE MAN

De man is niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man. De vrouw is uit de man, alzo ook de man door de vrouw, “maar alle dingen zijn uit God” (1 Kor. 11:12) — De vrouw is de man onderdanig, maar de man is afhankelijk van de vrouw. Wanneer een man met een gevoel van meerderwaardigheid op de vrouw neerziet, handelt hij in strijd met Gods Woord en bewijst slechts geen verstand te hebben. De man werd geschapen om de vooraanstaande en verantwoordelijke plaats in te nemen; de vrouw daarentegen de bescheiden en rustiger plaats. Het is niet goed dat de man alleen zij, daarom is hem de vrouw tot een hulp gegeven. In haar huisgezin vindt de vrouw — alhoewel niet haar enige — dan toch in hoofdzaak haar dagelijkse taak, die zij met alle waardigheid heeft te vervullen. De vrouw moet aan haar man onderworpen zijn “als aan de Heer” de man moet zijn vrouw liefhebben, voeden en onderhouden, geheel zoals Christus de gemeente liefheeft en onderhoudt (Ef. 5:22-33). Schoon is het gezinsleven, waar dit in praktijk wordt gebracht.

DE HOUDING VAN DE VROUW TOT DE OPENBARE DIENST

“Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet veroorloofd te spreken” (1 Kor. 14:34,35). — Het Griekse woord, hetwelk hier door “spreken” wordt vertaald, komt ook voor in de verzen 19, 21, 28, 29, 34 en 35 van dit hoofdstuk. Alle vertalingen van het Nieuwe Testament geven dit Griekse woord in genoemde verzen met “spreken” weer.

Niemand heeft een woordenboek nodig om de betekenis van dit woord te verstaan. Zèlfs een kind weet, wat het betekent, als hem het spreken verboden wordt.

— Zij die menen aanstoot te moeten nemen aan deze spreekbeperking in de gemeente, zeggen, dat dit bijzondere Griekse woord in de vier eerste gevallen “spreken” betekent, terwijl het in de twee laatste teksten de betekenis van “babbelen” zou hebben; de bedoeling van de Geest die door Paulus sprak, zou niet geweest zijn de vrouw van “spreken” uit te sluiten, doch haar slechts het “babbelen” in de samenkomst hebben willen verbieden. — Deze uitleg is niet alleen in tegenspraak met iedere bestaande vertaling, maar past ook niet in het verband en de samenhang van dit hoofdstuk. Het geeft blijk van een zeer merkwaardige opvatting, te veronderstellen, dat een gelovige vrouw zich gedurende het samenkomen aan “babbelen” zou te buiten gaan. Wij willen daarom op deze onzinnige uitleg niet verder ingaan, en wijzen haar zonder meer van de hand.

ZEVEN KARAKTERISTIEKE FEITEN

— Hier volgen zeven karakteristieke feiten:

  1. Geen vrouw kreeg de opdracht, ook maar één van de 66 bijbelboeken te schrijven, hoewel enige daden en gezegden van de vrouw vermeld worden.
  2. Geen vrouwelijke priester werd in het Oude Testament benoemd.
  3. Er was geen vrouwelijke dienaar in de tabernakel of de tempel.
  4. Geen vrouw werd door onze Heer tot één van de twaalf apostelen gekozen.
  5. Geen vrouwelijke evangelisten, herders of leraars (in het openbaar) vinden wij in het Nieuwe Testament.
  6. Van geen vrouw lezen wij, dat zij een wonder heeft gedaan in het openbaar.
  7. Van geen vrouw is in 1 Korinthe 15 vers 5-9 sprake als openbaar getuige van de opstanding, hoewel de Heer het éérst na de opstanding aan vrouwen verschenen is.

Waarom dit alles? Heel eenvoudig hierdoor, omdat aan de vrouw, als “het zwakkere vat” (1 Petr. 3:7), nòch in de gemeente, nòch in de wereld een verantwoordelijke plaats is toegewezen.

DE HOUDING VAN DE VROUW TEN OPZICHTE VAN HET
OPENBARE GEBED EN DE EREDIENST

1 Timotheüs 2 handelt over het gebed en de Goddelijke orde voor man en vrouw. In vers 8 lezen wij: “Ik wil dan dat de mannen in elke plaats bidden …”; dit betekent: op iedere plaats waar openbaar gebeden wordt en waar mannen en vrouwen tezamen zijn. De klemtoon is op het woord “mannen” gelegd; de vrouwen zijn daar niet bij inbegrepen. De mannen bidden ongedekt; de vrouwen daarentegen zijn stil en gedekt. — Nadat de apostel het eerst de mannen vermeldt, wendt hij zich in de verzen 9-14 tot de vrouwen en gebiedt haar ondermeer bescheidenheid, stilte en onderdanigheid. Als grond voor dit gedrag voert hij aan: “Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva; en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding.”

Betekent dit alles, dat een vrouw geen deel heeft aan aanbidding en gebed, wanneer de gemeente bijeen is? In geen geval! Onze liederen vormen een groot deel van ons samenkomen. Broeders en zusters zingen tezamen en brengen op deze wijze gemeenschappelijk hun gedachten van aanbidding, van lof en van dankzegging tot uitdrukking. Gedurende de zang neemt niemand een vooraanstaande plaats in, en dit is volkomen juist. — Niet alle aanwezige broeders gaan voor in gebed, doch degene, die het doet, geeft leiding aan de aanbidding van de anderen, en aan het slot stemmen allen in. Allen nemen deel aan de aanbidding; de stille broeders, zowel als de stille zusters. —

Enige Schriftplaatsen worden voorgelezen, opnieuw neemt iedere stille toehoorder, broeder en zuster, hieraan deel. — Pauzes ontstaan, waarin geen geluid vernomen wordt; nochtans stijgt de aanbidding op uit alle harten, zowel uit die van de zusters, als ook uit die van de broeders.

Bij het samenkomen tot gebed gaat het op dezelfde wijze. Ook hier behoren de zusters in stilte bidden. — Hanna, deze godvruchtige vrouw, bad een lang gebed voor het aangezicht van de Heer in de tempel, waar aanbidders samengekomen waren. Van haar wordt gezegd, dat zij haar ziel uitstortte in gebed, en door God werd gehoord. God verhoorde haar gebed. Letten wij er op: “Hanna sprak in haar hart; alleen haar lippen bewogen, maar haar stem werd niet gehoord” (1 Sam. 1:9-17). Hoorbare gebeden waren in deze gemengde gemeente niet toegestaan; evenwel was het voor geen vrouw verboden, te bidden “in haar hart”; en dit bidden heeft bij God dezelfde uitwerking.

EEN VERKLARING VOOR ENIGE SCHRIFTPLAATSEN

Galaten 3 vers 28 — “Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije,; daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus.” Deze Schriftplaats is niet van toepassing op de verhouding of de orde in de gemeente, want daarin zegt het Woord van God zeer duidelijk, dat er onderscheid is tussen de geslachten. Maar in de verloste familie van God is, wat de redding en de verleende genade betreft, in het geheel geen onderscheid. Allen zijn in het éne lichaam; allen hebben dezelfde Geest, dezelfde hoop, dezelfde Heer, hetzelfde geloof, dezelfde doop, dezelfde God en Vader, allen hetzij man of vrouw. “U bent allen één in Christus Jezus.” — Dit woord heeft geen andere betekenis.

Mattheüs 28 vers 7 — “En gaat vlug heen en zegt Zijn discipelen: Hij is opgewekt <van de doden>.” Met deze woorden kwam de engel tot de beide vrouwen, en deze verbreidden het bericht niet openlijk in de straten van Jeruzalem, noch in de omgeving van de tempel waar vele mensen bij elkander waren, maar hun werd opgedragen, dit de discipelen persoonlijk aan te zeggen. Zij waren geen openbare getuigen, en in verband hiermede worden hun namen in 1 Korinthe 15 vers 5-8 niet genoemd.

Anna — een vrouw waarvan wij lezen in Lukas 2 vers 36-38 — was een profetes van Oudtestamentische orde. Zulke profetessen werden in tijden van afval geroepen, met een persoonlijke boodschap aan de mannen, die verantwoordelijk waren (zie: Richt. 4:14; 2 Kron. 34:22-28). — Anna diende God met “vasten en bidden”; dat was haar dienst. Zij “sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten”; niet ter gelegenheid van een openbare bij-eenkomst (dat was haar niet toegestaan), maar tot de enkeling.

De Samaritaanse vrouw uit Johannes 4 vers 28 en 29, predikte niet in het openbaar, maar zij nodigde de mensen in de stad uit: “Komt, ziet een mens die mij alles heeft gezegd wat ik heb gedaan.” Iedere vrouw mag anderen uitnodigen het evangelie te horen.

Handelingen 1 vers 14 — “Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen.” Alhoewel het een Joods gebruik is overluid te bidden, mogen wij zonder meer aannemen, dat het in deze gemengde samenkomst de vrouwen niet toegestaan was hardop te bidden. — Wanneer zij echter onder elkander zijn, mogen zij wel overluid bidden (zie: Zach. 12:10-14). — Wanneer zij nièt onder elkaar zijn, bidden zij zoals Hanna, waarvan wij lezen: “Hanna sprak in haar hart; alleen haar lippen bewogen, maar haar stem werd niet gehoord” (1 Sam. 1:13). — Ook al zouden de vrouwen in Handelingen 1 vers 14 overluid gebeden hebben, dan nog is dit geen richtlijn voor de gemeente, immers, de gemeente bestond toen nog niet, en dus was er ook nog geen verbod tot overluid bidden aan de vrouwen gegeven.

In Handelingen 18 vers 24-28 lezen wij hoe Priscilla en haar man, aan Apollos, de prediker, de Schriften nauwkeuriger uitlegden; zij deden dit echter persoonlijk, en in hun huis. — Iedere gelovige vrouw mag haar man op gelijke manier bijstaan.

In Handelingen 21 vers 9 wordt aangaande Filippus, de evangelist, verhaald: “Deze nu had vier maagdelijke dochters die profeteerden.” — Daar zij uit een godvrezend huisgezin waren, hebben zij zeker niets wat onbetamelijk is gedaan, en zonder twijfel de aan de vrouwen opgelegde beperking geëerbiedigd. Hun boodschap was een zuiver persoonlijke en gold bezoekers en buren.

In Filippi 4 vers 3 worden zekere vrouwen genoemd die met Paulus in het evangelie “gestreden” hebben. Paulus, die door de Geest van God zo nadrukkelijk heeft geschreven dat het een vrouw niet is toegestaan te spreken in de gemeente of in het openbaar (1 Kor. 14:34), zal zeer zeker geen vrouwen bij zich hebben gehad die predikten! Wij zullen hierbij dan ook moeten denken aan een andere wijze van “strijden.” Zij konden de mensen berichten overbrengen betreffende de samenkomsten; vrouwen en zieken bezoeken en zich daarmee bezighouden; zij konden ook Paulus bedienen, of op een dergelijke wijze in het evangelie werkzaam zijn. — Een moeilijke arbeid, die echter in het bereik van de vrouw ligt.

In Handelingen 2 vers 17,18 lezen wij: “En het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt God, dat Ik van Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren … Ja, op Mijn slaven en op Mijn slavinnen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.” — Deze profetie heeft betrekking op Israël; op zijn verhoging en op zijn zegen in de “laatste dagen” van zijn geschiedenis, en onderscheidt zich van de leer van de gemeente in betrekking tot het spreken van vrouwen (1 Kor. 14:34,35).

DE WARE BEZIGHEID VAN DE VROUW

Vrouwen dienden de Heer met hare goederen (Luk. 8:3), en dat kunnen ze heden ook nog doen aan hen, die Hem toebehoren.

Uit Romeinen 16 vers 1-12 zien wij, dat vrouwen de gemeenten dienden; zij droegen veel bij; hielpen de dienstknechten van Christus, en deden nog vele andere goede werken.

In 1 Timotheüs 5 vers 5-14 lezen wij, dat godvruchtige vrouwen in gebed en smeking volharden. — Onder haar goede werken wordt genoemd: het opvoeden van kinderen; het huisvesten van vreemdelingen; het wassen van de voeten van de heiligen; het verlenen van hulp aan verdrukten.

Titus 2 vers 3-5 tekent ons de vrouw als een voorbeeld tegenover haar eigen geslacht, als leraressen van het goede. Tot onderwijzing van de jeugd is niemand zo geschikt als de vrouw. — Wat iemand in het leven wordt, hangt méér van de geduldige opvoeding van de moeder af, dan van die van de vader. Vrouwen kunnen zeer gewichtige arbeid op het zendingsveld verrichten. In Mohammedaanse landen en ook wel elders, mogen zij alleen in de huizen komen om tot de vrouwen te spreken. Bij het verplegen van zieken; het maken van bezoeken, of ook als gastvrouw, overtreffen zij in het algemeen de mannen.

De helft van het mensdom is van het vrouwelijk geslacht. — Welke mogelijkheden hebben daarom de vrouwen voor iedere soort van dienst. Iedere vrouw kan tot een man over zijn ziel spreken, wanneer haar daartoe de gelegenheid geboden wordt. 

EEN BIJZONDERE EER EN EEN OPROEP

In twee belangrijke gevallen, en deze zijn enig in haar soort, heeft God de vrouw boven de man in het bijzonder geëerd. — Christus werd uit een vrouw, de maagd Maria, geboren. Na Zijn opstanding verscheen de Heer het éérst aan een vrouw; Maria Magdalena.

Vrouwen, behoudt toch de plaats die u door de onbeperkte Wijsheid is toegewezen! Niet de plaats van het hoofd, want die behoort aan de man, die aan God verantwoording verschuldigd is. Het openbare optreden behoort niet ú, maar hèm. Zó heeft de Heer het gewild. Uw arbeidsveld is heerlijk. Verderf het niet door in het gebied van de man in te dringen. — De man en de vrouw moeten, in de vrees van God, op hun juiste plaats blijven. De algemene roep van de wereld naar de “rechten van de vrouw,” is opstand tegen God, en is een kwaad van de “laatste dagen.”

 

HOOFDSTUK 21

De scheiding van de zonde

 

Dit is, evenals de verlossing, een gewichtig en groot onderwerp, dat van het eerste tot het laatste hoofdstuk door de bijbel heenloopt. Iedere tuchtiging die sedert mensenheugenis over het volk van God gekomen is, moest plaatsvinden, omdat het volk “wat kostbaar is” niet had “afgescheiden van wat waardeloos is” (zie Jer. 15:19), maar er de voorkeur aan gaf in gemeenschap met de werken van de duisternis te volharden. De Goddelijke natuur verlangt scheiding van de zonde. In Jesaja 6 vers 1-5 zien wij de Heer op een hoge en verheven troon zitten, voor Wiens onbevlekte en heerlijke tegenwoordigheid de Serafs met hun vleugels, gezicht en voeten bedekken, en elkander toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten.” Bij het zien van deze beelden, werd de profeet door vergelijking met zijn eigen toestand tegenover zulk een onbevlekte heiligheid, genoodzaakt uit te roepen: “Wee mij! want ik verga!” — Ondanks zijn vooraanstaande positie als profeet onder de men-sen, wordt hij gedwongen te belijden: “Ik ben immers een man met onreine lippen!” — Op deze wijze was de onthulling van Gods heiligheid, in dié tijd aan het volk gedaan. 

Door 1 Johannes 1 vers 3-10 komt een zeer gewichtige boodschap tot ons voor de tegenwoordige tijd. — Ten eerste wordt ons verkondigd: “Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” (vs. 3).

— Verder: “dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is. Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij wandelen in de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar (Vader, Zoon, en zij die in het licht wandelen; vs. 3), en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (vs. 5-7). — Deze Goddelijke gemeenschap omvat “alle heiligen”; allen die “in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is” hebben hieraan deel. 

Wanneer wij aanspraak op deze gemeenschap maken, en “in wij wandelen de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet” (vs. 6). — De profeet Amos schrijft: “Gaan er twee samen zonder elkaar ontmoet te hebben?” (Amos 3:3). Hoe kunnen wij in gemeenschap met God wandelen, als ons leven niet met Hem in overeenstemming is?

ONZE DURE PLICHT

Met het oog op Gods heiligheid wordt ons in 2 Timotheüs 2 vers 19-26 gezegd: “Laat ieder die de Naam [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid”; wij worden vermaand ons te reinigen van alle kwaad, en: “ontvlucht de begeerten van de jeugd.” Indien wij dit doen, zullen wij “een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.” — Wèlk een eer, zulk een vat te mogen zijn!

AFSCHEIDEN VAN DE ZONDE

Omdat zij zich niet van de zonde afscheidden kwam de oude wereld door de zondvloed om. — Sodom en Gomorra werden door het vuur van de hemel verteerd. — De kinderen Israëls verloren hun erfdeel, en zijn nu onder de volken verstrooid. — De Kanaänieten, Moab, Ammon, Edom en Assyrië, zijn niet meer. — Wereldrijken, zoals: Babylon, Medië-Perzië, Griekenland en Rome zijn gevallen, en zijn nu nog slechts onderwerpen van de geschiedenis.

Tengevolge van de zonde snellen de tegenwoordige volken naar hun uiteindelijk verderf in Harmagedon; en de zich steeds verder van God verwijderende belijdende kerk zal “met vuur verbrand worden” (Openb. 18:8). —Voor de grote witte troon zullen alle goddelozen in de vuurzee geworpen worden; een eeuwige scheiding tussen God en de zonde (Openb.20:11,14,15; Mark. 9:43-50). Waarom dit alles? Omdat “het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos” (Joh. 3:19).

 

HOOFDSTUK 22

Scheiding van de zonde

 

De gehele wereld ligt in het (of: “den”; n.l. Satan) boze” (1 Joh. 5:19). Satan is haar god (2 Kor. 4:4), en zij wordt beheerst en geleid door haar god (Ef. 2:2). — De wereld is in vijandschap met God, en wil zich aan Gods wet niet onderwerpen (Rom. 8:6-8). — Joden zowel als heidenen liggen onder de vloek, omdat zij de Vorst van het Leven gedood hebben (Hand. 3:15 ; 1 Kor. 2:8). Nochtans is de houding van God van een onbeperkte liefde en barmhartigheid voor een verloren wereld. God biedt vergeving en redding, “daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 3:9).

Er zal echter op “het jaar van het welbehagen van de HEERE” de “dag van de wraak van onze God” volgen. (Jes. 61:2). Wanneer zij, die Christus toebehoren, de plaats van afscheiding tegenover de wereld innemen, zoals Christus het gedaan heeft, zal de wereld hen haten (Joh. 17:14-18). De christen mag de wereld — het grote wereldsysteem — niet liefhebben, noch de dingen die uit haar zijn (1 Joh. 2:15-17), want het gehele wereldsysteem staat vijandig tegenover de Vader, en zal uiteindelijk door het oordeel getroffen worden.

DE WERELD BEVREDIGT IEDERE BEGEERTE

De wereld bevredigt iedere begeerte van het vlees in ons; om het even, of onze smaak nu fijn of grof is. Mode, sport, en alle soorten vermakelijkheden tot tijdverdrijf worden in overvloed — ongeacht moeite en kosten — door de wereld aangeboden. 

Via de radio komen in onze woningen: redevoeringen van de groten der aarde, wereldnieuwsberichten, sportuitslagen, predicaties en komische voordrachten, zakennoteringen, weerverslagen, uitgelezen voordrachten en onbeschaafde omgangstaal.

Kortom: gelovigen en zondaars; christelijk en wereldlijk; professor en zakenman; heer en knecht; oud en jong; man en vrouw, — voor allen wordt iets geboden!

Tot de wereldse genoegens kunnen wij zeker de bioscoop rekenen, die alle klassen in de maatschappij tot zich trekt. Wanneer de alcohol er duizenden in het verderf sleept, dan ruïneert de bioscoop er tienduizenden. Haar moraal is die van Sodom, haar praktijk is gelijk aan de mannen en vrouwen van Gomorra. Talloze mensen raken vertrouwd met het zien naar dat wat onfatsoenlijk is. Het zedenbederf brengt het geweten van de mens tot zwijgen. In hetzelfde vlak ligt de televisie, die onze huisgezinnen binnendringt en dit alles, als op een gouden schaal, aan ons presenteert .— Zijn al de verleidingen van dit soort? In geen geval! Dat zou niet voldoende zijn. — Het opvoedende, schone en leerzame, alles vindt men er; goed en kwaad; sluw door elkander gemengd. — Echter op de bodem van de beker van genot ligt het gevaar, dat de zielen vergiftigd, en velen ten verderve sleept in de eeuwige duisternis. Laten wij het hierbij laten. Wat zullen wij trouwens verder zeggen? God en de wereld zijn twee elkander afstotende polen; binnen korte tijd zal Hij haar, met allen die daarin zijn, verwoesten. — Laten wij er ons ver van houden!

DE WARE AFSCHEIDING BESTAAT

De ware afscheiding bestaat niet daarin, dat wij ons als een monnik geheel van de mensen afsluiten. De Heer heeft dat nimmer gedaan, maar Hij kwam openlijk met alle soorten van mensen in aanraking; echter alléén met het doel hen te redden! Hij was “heilig, onschuldig, onbesmet en gescheiden van de zondaars” (Hebr. 7:26), afgezonderd door Zijn eigen natuur — van hun boze aard, van hun zondige genoegens, hun aardse plannen en aanleg. Hij was een hemelse Vreemdeling in een vijandige wereld —waar Hij van Zijn Vader getuigde. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen ( 1 Petr. 2:21).

 

HOOFDSTUK 23

Scheiding van het godsdienstig kwaad

 

De genoemde afval van de kerk voltrekt zich snel en zal bij de verschijning van de antichrist zijn hoogtepunt bereiken. Alle godsdiensten zullen daarbij betrokken zijn. Maar voor het hoogtepunt bereikt is, zal de Heer Zelf van de hemel neerdalen en Zijn ware Bruid tot Zich nemen (1 Thess. 4:13-18). De massa, — enkel godsdienstige belijders maar niet “wedergeboren” mensen, — zullen achterblijven. — De Schrift toont aan, dat een middel tot redding voor de afvalligen, die bewust de grondwaarheden van het Woord van God hebben losgelaten, niet bestaat (Hebr. 6:4-8; 10:26; 2 Petr. 2:20,21). — Het is onmogelijk, de met zo vele “moderne ideeën” doorzuurde godsdienstige systemen te veranderen. Trouwens, nergens leert de Schrift, dat de ware gelovigen zich hiermee moeten bezig houden. Integendeel; het Woord van God zegt zeer nadrukkelijk: “Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt” (Openb. 18:4). Door dit “uitgaan” wordt niet bedoeld iets nieuws te beginnen, maar enkel tot Gods ordonnantie en voorschriften voor de gemeente terug te keren.

BUITEN DE “LEGERPLAATS”

Keren wij ons tot Hebreeën 13 vers 10-16. — De Joden, die de woorden van God zijn toevertrouwd (Rom. 3:2) en de inzettingen van de dienst van God (Hebr. 9:1), verwierpen hun Messias, en riepen: “weg met Hem; kruisig Hem”! Hun tempel met alle inzettingen zou hun woest gelaten worden (Matth.23:38). Zij hadden de Zoon van God verworpen, en wilden niets van Zijn leer weten. Zij voerden Hem buiten hun stad, naar Golgotha, waar zij Hem in smaad en schande kruisigden. Zoals eens het zondoffer buiten de legerplaats verbrand werd, (Lev. 6:30; 16:27), alzo leed Jezus ook buiten het leger; buiten Jeruzalem.

DE AFVALLIGE STAD

Binnen deze afvallige stad had de tempeldienst — zoals gebruikelijk met zijn vele schone ceremoniën normaal voortgang. — Maar waar was de Christus van God? — Buiten, verstoten en gedood! Kon nu deze tempeldienst door God aanvaard worden? Onmogelijk! — Zou Christus, als Hij heden ten dage kwam, voor het naam-christendom aanvaardbaar zijn? — De leiders verloochenen Zijn Godheid; Zijn geboorte uit een maagd; Zijn verzoeningsbloed. Konden zij Hem nog beslister verwerpen? Nochtans gaan ze door opgesmukte godsdiensten te houden in hun architectonisch versierde gebouwen, waarin zij God aanbidden. — Zou God dit aannemen? Onmogelijk! — De ware aanbidder moet zich van deze religieuze misleiding afkeren, gehoorzamende aan het bevel van God, en “tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen” (Hebr. 13:13). — De kruisiging is een smaad, en het kruis is een schande en een ergernis, tot op de huidige dag. Voor de ware discipelen is het nu de tijd, zich onverbrekelijk met de verachte en verworpen Zoon van God te verbinden.

DE EIS TOT AFSCHEIDING

“Daarom, gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is”; dit is de dure plicht van ieder kind van God. (2 Kor. 6:17). En als wij ons, op grond van Zijn gebod, van dat alles hebben afgescheiden, hoe zouden wij gerechtvaardigd kunnen worden wanneer wij tot datgene terugkeren — ook al zou het slechts voor een uur zijn — wat wij verlaten hebben? — De apostel zegt het met deze woorden: “Want als ik wat ik heb afgebroken, weer opbouw, dan betoon ik mijzelf als een overtreder” (Gal. 2:18). Gaat, wanneer wij in gehoorzaamheid aan Gods bevel ons scheiden van godsdienstig kwaad en van menselijke systemen, ons getuigenis verloren? Beslist niet, want aan de gehoorzamen geeft God een heerlijke bemoediging: “zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht en u hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend” (Openb. 3:8).

 

HOOFDSTUK 24

De voltooiing van de gemeente

 

Een heerlijke hoop bezit de gemeente sedert de hemelvaart van de Heer, namelijk Zijn beloofde terugkeer, om de Zijnen uit de wereld te halen: “… kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14:3).

De ontmoeting van Christus en de gemeente zal “in de lucht” geschieden. Hij zal van de hemel neerkomen, en de geredden zullen worden “opgenomen” Hem tegemoet, — als door een magneet aangetrokken.

De gestorvenen in Christus zullen eerst opstaan om, bekleed als de Heer Zelf, met het lichaam der verheerlijking dat geen verderf meer zal zien, verhoogd te worden. — Daarna voltrekt zich de verandering van de lichamen van alle levende gelovigen in dezelfde verheerlijkte toestand, — niet langer aan de dood onderworpen. — Dàn worden allen tezamen opgenomen in de wolken de Heer tegemoet; de gemeente is dan op aarde niet meer zichtbaar. — Dit alles zal in minder dan geen tijd, ja, in een “oogwenk” geschieden. Niet één gelovige zal, voor de reiniging door de “grote verdrukking,” worden achtergelaten. Allen zullen, gelijk de Israëlieten, uitgaan zoals zij uit Egypte geroepen werden. (1 Thess. 4:13-18; 1 Kor. 15:50-58; Hand. 1:9-11; 1 Kor. 15:23).

Na de wederkomst des Heren wordt de gemeente voor de rechterstoel van Christus gevoerd, waar de aard van haar dienst en getuigenis op aarde wordt openbaar gemaakt; dienovereenkomstig zal ieder zijn loon ontvangen of schade lijden. — Zo eindigt alles tot Gods lof en heerlijkheid (1 Kor. 3:10-15; 4:1-5). — Hierna vindt de bruiloft van het Lam plaats, waarbij de gemeente met de heerlijkheid van de Heer in onbevlekte gerechtigheid bekleed zal zijn. Dan is zij gelijkvormig aan het beeld van de Zoon van God; een volmaakte bruid voor de heerlijke Bruidegom; Zijn gezellin, die Zijn ganse heerlijkheid deelt tot in alle eeuwigheid! (Openb. 19:7-9; Rom. 8:29; Ef. 5:27; Rom. 8:17; Joh. 17:24). —

 

O, mijn Jezus! mijn Vertrouwen!
Wat zal ’t voor mijn ziele zijn,
U in heerlijkheid te aanschouwen,
eeuwig U mijn lof te wij’n!

Kom, Heer Jezus! hoor mijn smeken;
‘k zie verlangend naar U uit;
wil het wolkenfloers verbreken,
voer ter bruiloft Uwe bruid!

 

NOOT:
1. Dit is een teken van het gezag waaronder zij staat.
SLOT.

 

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW