6 maanden geleden

De gemeente van God (5) — hoofdstuk 11-13

De gemeente van God

Haar waarheden en grondbeginselen

 

HOOFDSTUK 11

Systemen en sektarische namen

 

In de eerste Brief aan de gemeente te Korinthe schreef de apostel Paulus: “Maar ik vermaan u, broeders, door de naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn; maar dat u vast aaneengesloten bent, één van denken en één van bedoeling. Want mij is over u bekend gemaakt, mijn broeders, door de [huisgenoten] van Chloë dat er twisten onder u zijn. Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Kefas (Petrus), en ik van Christus. Is Christus gedeeld?” (1 Kor. 1:10-13). Hier hebben wij een belangrijke Schriftplaats, die scheuringen en sekten veroordeelt. Het volk van God, hetwelk in dezelfde zin en in dezelfde mening volkomen eens moest zijn, is door mannen met een sterke wil in stukken gescheurd. leder deel heeft zich tot een georganiseerd systeem ontwikkeld, gescheiden door geloofsbelijdenissen en overleveringen. Deze scheuringen zijn systematisch geordend en duren tot op heden voort.

DE VERENIGING VAN KERKEN

Thans zijn wij zóver, dat zelfs in naam godsdienstige mensen, de grote fout en het positieve kwaad van deze scheuringen zien. Zij zijn van gevoelen, dat de kerken in het belang van de wereld, de verschillen moeten vergeten en tezamen gaan. Er is thans een wereldbeweging voor de vereniging van de kerken. Waarschijnlijk zullen deze pogingen tenslotte bekroond worden door een samengaan met de Rooms-Katholieke Kerk, aan het eind van deze bedeling.

Het is duidelijk, dat een dergelijke vereniging van kerken slechts tot stand kan komen door een vergaan-de toegevendheid aan elkanders overtuiging betreffende leer, grondbeginselen en belijdenissen. — Spurgeon de trouwe en gezegende prediker, heeft eens gezegd met het oog op deze zaak, dat hij slechts één weg tot kerkhereniging zag, en wel een vereniging alleen op de Bijbel gegrond. — Dit getuigenis is waar.

EEN GEESTELIJKE EENHEID

Onze verantwoordelijkheid bestaat niet in de ondersteuning van een poging om de vele scheuringen geheel of gedeeltelijk op te heffen, maar ons te beijveren “de eenheid van de Geest te bewaren” (Ef. 4:3). Ons voorrecht zowel als onze plicht is, op de ware grond vast te staan zoals deze ten tijde van de apostelen geleerd werd. Geen andere Naam en geen ander lichaam, als dat van de Heer aan te nemen, en geen andere autoriteit als die van het Woord te aanvaarden; voorts, dat wij de geestelijke eenheid van alle ware gelovigen in het “ene lichaam” erkennen, en bereid zijn, ieder gelovige die door het Woord van God niet wordt uitgesloten uit de gemeenschap van de heiligen, op te nemen. Deze houding is niet sektarisch en is de enige die wij moeten aannemen ten opzichte van de godsdienstige verwarring om ons heen. — Het Goddelijke principe is: “… Laten zíj terugkeren naar u, maar ú mag niet terugkeren naar hen” (Jer. 15:19).

SEKTARISCHE NAMEN

Menselijke namen leiden tot scheuring; Bijbelse daarentegen tot eenheid. In Korinthe oogstte men de vruchten van sektarisme; zij brachten een wereldomvattende partijgeest teweeg, zoals wij deze heden ten dage zien. Mannen, die de discipelen achter zich aftrokken (Hand. 20:30). — Johannes de Doper handelde anders; zodanig was zijn getuigenis van het Lam van God, dat wij lezen: “En de twee discipelen hoorden hem spreken en volgden Jezus” (Joh. 1:36,37). Ook verklaarde hij; “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Joh. 3:30). — In Korinthe zeiden sommigen: “Ik ben van Paulus”; was Paulus niet de grootste, de voornaamste “apostel der heidenen” (Rom. 11:13)? Kon hij niet de meeste aanspraak maken op een leiderschap, daar hij toch de belangrijkste schrijver was van het Nieuwe Testament? — Het is mogelijk, maar hij was toch niet voor de heidenen gestorven? Neen, zij behoorden een ander toe.

Anderen zeiden: “Ik ben van Apollos”; Apollos was zeer zeker een welsprekend man, machtig in de Schriften, vol van geloof en van des Heilige Geest, en vele mensen werden door hem voor de Heer gewonnen. Nochtans behoorden de Korinthiërs hem niet toe; zij waren het eigendom van Christus.

Weer anderen zeiden: “Ik ben van Kefas (Petrus). Ongetwijfeld kon ook Petrus een bijzondere aanspraak doen gelden, want hij was het, die de Heer “de sleutels van het Koninkrijk der hemelen” (Matth. 16:19) had gegeven; de één om de deur tot redding voor de Joden openen; de andere om de deur voor de heidenen te ontsluiten. En toch vergisten zij zich zeer bij hun keuze. Petrus was slechts een mens, en niet hun Heer.

IK BEN VAN CHRISTUS

Een vierde groep zeide: “Ik ben van Christus.” Zij hadden gelijk. “U bent van Christus” (1 Kor. 3:23). Allen waren Zijn eigendom; gekocht door Zijn bloed. Het zou een eenparig, gezegend getuigenis voor de waarheid en tot verheerlijking van God geweest zijn, wanneer alle gelovigen in Korinthe beleden hadden: “ik ben van Christus.” — Iedere andere naam was verheerlijking van mensen en eiste de eer op, die de Heer alleen toekomt. — Er is geen andere Naam onder de hemel aan de mensen gegeven dan de Naam van Jezus Christus, de Gekruisigde, maar nu de Opgestane en Gezalfde van de Vader. Christus voor mij!

BIJBELSE NAMEN

De volgende vijf namen vinden wij in het Woord in betrekking tot het volk van God: christenen, gelovigen, broeders, heiligen en discipelen. Zij zijn van toepassing op ieder gelovige en verbinden allen tezamen. — Stellen wij ons voor, dat U een vreemdeling ontmoet; spoedig deelt hij U tot Uw vreugde mede: ik ben een christen. — Ik óók, antwoordt u. — Heerlijk is de gemeenschap tijdens het gesprek. De Naam heeft u beiden verbonden; u bent één in Christus, en niet het minste spoor van scheiding is merkbaar. — Als echter na enige tijd de vreemdeling zegt: Ik ben Luthers of een naam van een ander kerkgenootschap noemt, dan wordt u beiden zich onmiddellijk bewust, dat er een menselijke naam tussen u is gekomen, waardoor de gemeenschap, hoewel niet geheel verbroken, toch minstens wordt getemperd. — En als wij de andere drie namen uit 1 Korinthe 1 vers 12 op gelijke wijze gebruiken, zo hebben wij dezelfde ervaring. — Menselijke namen laten duidelijk zien, dat buiten het ene door God gevormde lichaam nog meerdere bestaan, zodat geloofsbelijdenissen in plaats van Gods Woord regeren. Op deze wijze verderft de mens de van God gegeven eenheid. — Wij willen ons bij hen voegen. die Zijn Woord bewaren, Zijn Naam niet verloochenen en die vasthouden aan datgene, wat wij bezitten, tot de Heer wederkomt.

 

HOOFDSTUK 12

Over het verlenen van vleiende titels

 

Er zijn drie Schriftplaatsen, die onmiddellijk met deze zaak verband houden, welke wij hier aanvoeren en die de lezer zelf zorgvuldig kan naslaan. — Van God staat geschreven: “Zijn Naam is heilig en ontzagwekkend” (Ps. 111:9). — Toen onze Heer met Zijn discipelen sprak, zei Hij: “U echter, laat u niet rabbi (leraar) noemen; want één is uw Meester, en u bent allen broeders. En noemt niemand uw vader op de aarde, want één is uw Vader: de Hemelse. Laat u ook niet leermeesters (leidsman) noemen, want één is uw Leermeester (Leidsman), de Christus” (Matth. 23:8-10). — En als wij tot de tijd van Job teruggaan, lezen wij: “O, laat ik voor niemand partijtrekken, en geen mens naar de mond praten! Want ik kan niemand naar de mond praten; meteen zou mijn Maker mij wegnemen” (Job 32:21,22; nieuwe vertaling H.S.V.).

HET ALGEMEEN GEBRUIK VAN TITELS

Niettegenstaande deze Goddelijke verklaring, is het verbazingwekkend, welke omvang de toepassing van vleiende titels heeft aangenomen in de belijdende kerken, die daarmee openlijk in strijd met de wil van de Heer zijn. Het gebruik van titels is algemeen, en zó tot een gewoonte geworden, dat de meeste christenen ze gedachteloos gebruiken. Deze verkeerde gewoonte heeft het geweten gevoelloos gemaakt. Het menselijke hart is van nature geneigd zich van Gods geboden àf te keren. —

De Heer gebood aan Zijn oude volk Israel heel duidelijk géén gesneden beelden te maken (Ex. 20). Toch was het land in de loop der tijden vòl van afgoden (Jes. 2:8). — Onze Heer heeft duidelijk gezegd: “laat u geen rabbi noemen,” toch heeft de kerk deze strelende titels aangenomen en vermeerderd. Titels, die alleen God toekomen, werden aan mensen verleend en worden bij het gebruik tot Godslastering; bijvoorbeeld: Zijne heiligheid; heilige vader; eerwaarde heer pastoor; — ook zijn er vele titels, die wat gematigder zijn, zoals: Vader; doktor; dominee; enz. —

VANWAAR KOMEN DEZE TITELS?

Uit de Rooms Katholieke Kerk. — Geen spoor daarvan is er in het Oude Testament te vinden. — Stelt u zich eens voor, dat Abraham, Mozes, Aaron, David of iemand van de profeten, priesters of Levieten zulke verschillende benamingen hadden ontvangen! Nog meer misplaatst zouden ze geweest zijn voor Paulus, Petrus, Johannes, Barnabas, Epafras of andere mannen Gods uit de eerste tijd van de gemeente; zij waren allen discipelen van de verstoten en gekruisigde Heiland. — Neen, geen vleiende titels ontvingen zij; integendeel! want de wereld gaf hen smadelijke titels, zoals de wereld ze óók aan onze Heer had gegeven (Matth. 10:25).

ENIGE KLEINERE TITELS

Terwijl deze of gene de meest gangbare titels verwerpen, dulden ze toch: heer doktor; vader; heer pastoor. — Onmogelijk kunnen deze benamingen met het oog op Mattheüs 23 vers 8-10 gerechtvaardigd worden. — Weliswaar lezen wij in het Lukas-evangelie: “Vader Abraham” (Luk. 16:24), doch moeten hierbij bedenken, dat deze uitroep door een mens “verkerende in pijnen” werd gedaan! — Wat is er dan eigenlijk voor verkeerds aan? Wel, hoewel Paulus de meeste aanspraak kon maken op een titel, is de benaming “theologisch doktor” nimmer door de Heilige Geest aan Paulus, of een ander mens verleend. Ofschoon wij het woord “pastoor” (herder) in de Schrift vinden, betekent het daar eenvoudig: het karakter van een gelovige aan wie door de opgestane Heer deze gave was verleend; de ontvanger van deze “herderlijke gave,” kon zowel een boer als een timmerman zijn. — Dergelijke titels hebben geen recht op grond van Psalm 111 vers 9. —

 

HOOFDSTUK 13

Theologische scholen en seminaria

 

De volgende Schriftplaatsen gelieve u nauwkeurig te bestuderen: “En Hij (Jezus) klom op de berg en riep bij Zich hen die Hijzelf wilde; en zij kwamen naar Hem toe. En Hij stelde er twaalf aan, <die Hij ook apostelen noemde,> opdat zij bij Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken” (Mark. 3:13,14).

“Toen zij nu (de oversten, oudsten en schriftgeleerden) de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich; en zij herkenden hen dat zij met Jezus waren geweest” (Hand. 4:13).

Ten slotte: “en wat je van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen, die bekwaam zullen zijn ook anderen te leren” (2 Tim. 2:2).

EEN OPROEP TOT VERKONDIGING

Een oproep tot verkondiging van het evangelie of tot iedere andere dienst, gaat van de Heer Zelf uit, en dat geldt heden ten dage even zo goed als ten tijde van de roeping der twaalven. Het feit, dat de. Heer nu in de hemel is, verandert bier niets aan. In de tegenwoordige tijd moet een discipel in zijn hart zich volkomen bewust zijn van zijn Goddelijke roeping tot de dienst; voorbereiding en geschiktheid daartoe hangen hoofdzakelijk of van zijn omgang met Jezus in de stilte van zijn binnenkamer, in gebed en overdenking van het Woord. Uit zijn verborgen plaats zal hij — in de kracht van de in hem wonende Geest van God — tegenover de mensen een getuige van Christus zijn, wáár zich de gelegenheid ook mocht voordoen. Gaven worden verleend door het Hoofd van de gemeente (Ef. 4:11); niet volledig gevormd, maar zij ontwikkelen zich door een gestadige wasdom. —

SCHOOL VAN GOD

Deze school is een school van God. Dit is geen school door mensen ingericht met aangestelde en betaalde leraars, maar een opleiding die alleen kan geschieden aan de voeten van de Meester, en in de dagelijkse omgang met mensen, wier redding wordt beoogd. De moeilijke levensweg is een uitstekende leraar door de ervaringen en versterkt de geestelijke ruggengraat, hetwelk niet op een theologische school kan aangeleerd worden. Seminaria worden noch in het Oude- nòch in het Nieuwe Testament gevonden. God verkoos mannen door Zijn Geest; het Woord deed het overige. — Houdt dit een ongeleerde en gebrekkige verkondiging in? In geen geval! Wij achten het Hoofd van de gemeente meer wijsheid te bezitten. Alle bevolkingsgroepen hebben het evangelie nodig, of zij zullen in hun zonden verloren gaan. Alle gelovigen, een ieder op de plaats waar God hem gesteld heeft, zijn uitverkoren getuigen, en worden in iedere groep van het volk gevonden. Daarmede hebben wij een Goddelijk vastgestelde evangelieverkondiging, zowel uit de kringen van de hooggeplaatsten, als uit die van de meest eenvoudigen in het land; en dat alles zonder de hulp van godsdienstige opleidingsscholen. Op deze manier kunnen wij alle lagen van de bevolking bereiken. De meer ontwikkelde gelovige verklaart het Woord zoals hij het op zijn knieën heeft geleerd, en de eenvoudigen brengen de boodschap, zoals ook zij die van God hebben ontvangen. Wij kunnen Gods wijze van doen niet verbeteren.

Wanneer men in de kerksystemen van het “algemeen priesterschap” van de gelovigen niets wil weten, maar de voorkeur blijft geven aan een “geestelijke” en een “leken” stand, blijft er voor hen niets anders over, dan dure scholen te bouwen waar zij hun “geestelijkheid” kunnen opleiden, om hen, naast een gering onderwijs in de Schriften, een óvervloed van menselijke geleerdheid bij te brengen. Wat is het gevolg hiervan? — Verscheidene opleidingsscholen brengen een geslacht van moderne geestelijken, die de mensenwereld met een verderfelijke leer overstromen! Dit is dan het resultaat van een toepassing van menselijk werk.

DE OPDRACHT AAN TIMOTHEÜS

Toen Timotheüs van Paulus de opdracht ontving om de dingen die hij van Paulus gehoord had aan trouwe mannen mee te delen die het op hun beurt aan anderen moesten leren, dacht Paulus eenvoudig aan de oudsten van de verschillende gemeenten of vergaderingen, die door Timotheüs zouden bezocht worden, en aan wie hij de opdrachten van Paulus moest overbrengen. In geen geval kan de opdracht aan Timotheüs betrekking hebben op leerlingen van een school voor toekomstige leraars, want destijds bestonden dergelijke opleidingsscholen nog niet. Voor onze wasdom en ontwikkeling heeft God de plaatselijke gemeenten met de oudsten gegeven.

HEEFT PAULUS DAN GEEN SCHOLING GEHAD?

Lezen wij niet van Paulus, dat hij “aan de voeten van Gamaliël onderwezen was naar [de] gestrengheid van de voorvaderlijke wet”? (Hand. 22:3). Hebben wij hier dan óók niet een schoolopleiding? — Inderdaad, doch dat was een opleiding “naar de wet van Mozes”; echter, “de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Joh. 1:17). Deze opleiding was vóór zijn bekering. In Filippi 3 vers 5 en 8 lezen wij dan ook hoe Paulus zelf over dit alles dacht; hij heeft het “om Christus wil schade geacht.” Verder zegt hij in vers 10: “om Hem te kennen” met betrekking tot de “voortreffelijkheid” van zulk een belijdenis.

DE BESTE MANIER

De beste manier is die van God, zoals uiteengezet werd. Ze kan gemakkelijk in de praktijk gebracht worden; is eenvoudig en niet duur; met buitengewone resultaten wordt ze bekroond; bewaart voor hoogmoed en eigendunk, en verheerlijkt de Heer. Ze is zoals David zich over het zwaard van Goliath uitdrukte: “Zoals dat is er geen tweede, geef het mij” (1 Sam. 21:9).

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW