1 jaar geleden

De gemeente van God (11 – slot)

Deel II – slot.

Slotgedachten

Niet zonder verdriet was het, dat we over zoveel onverkwikkelijks moesten spreken, de inhoud van een gesprek over de gemeente van God zou toch allemaal liefde, lieflijkheid en vreugde moeten zijn. – We zien dat er gestreden moet worden voor de kostbare dingen, die heerlijke waarheden die de gemeente geschonken zijn, die een onschendbare oase van vrede in deze koortsachtige wereld zou moeten zijn. Toch voelt het hart zich getroost en gesterkt door de gedachte, dat zoals de zon, hoewel verborgen door de dikste mist, altijd aan de hemel staat, het Goddelijk raadsbesluit ten aanzien van de gemeente van God onveranderd en heerlijk blijft bestaan. De liefde die alle verstand te boven gaat, schrijft de wegen van Christus met de gemeente voor. Hij, Christus voedt en verzorgt haar. Spoedig zal Hij haar tot Zich nemen. Laat we aan deze verkwikkende realiteit vasthouden: Christus in de heerlijkheid, de Heilige Geest hier op aarde, één gemeente en hoop van onze roeping! We bewegen ons niet in het midden van koude waarheden, ook niet in onverdraagzame eisen, zoals een levenloos raderwerk dode materie in beweging zet, maar we zijn geplaatst in het echte leven, in het Goddelijke leven.

De bron van dit leven is Christus alleen, het verheerlijkte Hoofd van Zijn nog steeds op aarde verblijvende lichaam, die ook zelf voor de heerlijkheid in de hemel bestemd is. Wanneer we meer met Hem bezig zouden zijn en de onmetelijkheid van de geestelijke zegeningen ons meer bewust zouden zijn – waarmee we in Christus gezegend zijn (Ef. 1:3) -, zou het geen moeite zijn om ons naar Zijn gedachten te vergaderen. Dit omdat we allemaal met Hem verbonden zijn en tot Hem aangetrokken worden als het kleine ijzervijlsel naar de met alles samenwerkende kracht van een magneet. Binnenkort zullen alle heiligen, of in Hem ontslapen of nog in leven op aarde, deze grote aantrekkingskracht zonder beperking volgen, en zal Christus Zijn gemeente verheerlijkt voor Zichzelf stellen, “heerlijk, zonder vlek of rimpel” (Ef. 5:27), in haar schoonheid en haar eenheid. Moge deze hoop ons tot overwinnaars maken!

Kom, o schone Morgenster,
toef toch niet meer lange;
stel Uw komst toch niet meer ver,
’t is ons hier soms bange.
Maar U laat ons niet alleen,
sterk dan dit vertrouwen,
en voer ons dan spoedig heen,
dat wij U aanschouwen.

“Hem nu, die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid! Amen”.

© Bibelkommentare.de
Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol