9 maanden geleden

De gemeente van God (1) – hoofdstuk 1-3

VOORWOORD:

Moge deze overdenkingen van een oud schrijver óók vandaag in de 21e eeuw nog tot zegen zijn voor allen die het lezen.
De auteur van deze overdenking is Franklin Ferguson die leefde van 1861-1944. Het is dus al vrij oud maar zeer de moeite waard om deze te lezen. Ook al zult u niet overal mee eens zijn, desalniettemin kunnen we hier toch veel van leren. {Frisse Wateren}

In het voorwoord van de oorspronkelijke uitgave zegt de schrijver: <<Meer dan ooit bestaat heden het gevaar, dat wij de ontvangen waarheid, waarvan wij overtuigd zijn geworden, kwijt raken. Daarom is het noodzakelijk, de gelovigen telkens weer aan deze waarheid te herinneren, hoewel wij haar kennen en daarin bevestigd zijn, gedachtig aan hetgeen Gods Woord zegt in 2 Petrus 1 vers 12 en 13: “Daarom ben ik er altijd op uit1 u aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en bevestigd bent in de onderhavige waarheid. Ik houd het echter voor juist, zolang ik in deze tent woon, u door herinnering op te wekken.”>>

Met, de tijd veranderen de dingen, vooral, als het om mensen gaat. Bij God en Zijn Woord is dit niet zo; bij Hem is geen verandering, want van Hem staat geschreven: “U bent Dezelfde …” (Hebr. 13:6). “… maar het woord van de Heer blijft tot in eeuwigheid.”

Hoe ook de omstandigheden van de tijd mogen zijn, de gemeenten van de gelovigen moeten gevormd worden naar het voorbeeld van het Nieuwe Testament. Het geheel behoort zó te zijn, zoals het in het begin was. Moge deze artikelen ook in ons land een welwillende ontvangst vinden. —

Wanneer wij de Bijbel als het geInspireerde Woord van God aanvaarden en de daarin door de Heilige Geest gegeven richtlijnen erkennen en maatgevend doen zijn in ons leven, en onze harten gevangen geven onder de gehoorzaamheid van Christus, zullen wij graag het voorbeeld van de edele Bereeërs navolgen: “Zij ontvingen het woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de SCHRIFTEN onderzochten of deze dingen zo waren” (Hand. 17:11). —

INHOUD

  1. De heidenen
  2. Het volk Israël (de joden)
  3. De gemeente van God
  4. De aankondiging van de gemeente door Christus
  5. Pinksteren; het ontstaan van de gemeente
  6. De woning van van God; verleden en heden
  7. Het nieuwe middelpunt van de gemeente
  8. Een plaatselijke gemeente
  9. De twee grote belangrijke dingen
  10. Het Hoofd van de gemeente
  11. Systemen en sektarische namen
  12. Over het verlenen van vleiende titels
  13. Theologische scholen en seminaria
  14. Menselijke aanstelling
  15. Een bezoldigde dienst
  16. De leiding in de gemeente
  17. De benoeming van de oudsten
  18. De tucht in de gemeente
  19. De toelating van gelovigen
  20. De plaats van de vrouw
  21. De scheiding van de zonde
  22. De scheiding van de wereld
  23. Scheiding van godsdienstig kwaad
  24. De voltooiing van de gemeente

 

De gemeente van God

Haar waarheden en grondbeginselen

 

Door een beschikking van de Heer zijn volgens 1 Korinthe 10 vers 32, alle volkeren van de aarde nu in 3 groepen verdeeld: “Weest geen struikelblok voor Joden en voor Grieken en voor de gemeente van God.’ Indien men dit onderscheid niet maakt, kan men het Goddelijke plan, tot het bereiken van een groot doel, niet begrijpen. Bij de studie van de Heilige Schrift, is het een zeer belangrijke wet, dat men “het woord der waarheid recht snijdt” (zie 2 Tim. 2:15). Wij ontmoeten dit begrip in Leviticus 1 vers 6 met betrekking tot het brandoffer, waar geschreven staat: “… en het in zijn stukken verdelen.” Wij zullen nu deze Goddelijke verdeling van het menselijk geslacht nader beschouwen.

 

HOOFDSTUK 1

De heidenen

 

In de bijbel vinden wij het gebruik van woorden als “naties,” “volken” en “heidenen,” doch waar er ook sprake van is, altijd zijn het heidenen, die de schrijvers op het oog hebben. Bij het tegenwoordig gebruik van het woord “heiden” moet verschil gemaakt worden tussen de z.g. christelijke en niet-christelijke landen. In werkelijkheid echter heeft de uitdrukking betrekking op alle volken, met uitzondering van de Joden. De benaming “christelijke landen” is in de Schrift onbekend. Bij enig nadenken wordt ons dat duidelijk. Het besluit van de Vader, betreffende de Zoon “eis van Mij, en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven” (Ps. 2:8), omvat hier alle volken en is niet slechts tot de heiden beperkt, zoals wij het woord thans verstaan. Na de zondvloed vormden de nakomelingen van Noach en zijn drie zonen een bepaalde vorm van naties (volken) in de vlakte van Sinear (Gen. 11). Daar verwarde God de spraak van het volk, om hun boze plannen te niet te doen, — een stad te bouwen en een toren, waarvan de spits tot in de hemel zou reiken, om zich zelf een naam te maken, opdat het niet over de gehele aarde zou worden verstrooid. Gods bedoeling was de herbevolking van de wereld, en met dit doel voor ogen, wilde Hij het nieuwe geslacht overal verspreiden. Omdat de mensen trachtten, de wil van God te doorkruisen, werd hun spraak verward. Zij hielden op met bouwen, want zij konden elkaar niet langer verstaan, en zo werden zij, overeenkomstig de bedoelingen, verstrooid. Dit gebeurde ongeveer 100 jaar na de zondvloed. Vanaf dit tijdstip ging iedere groep, die haar eigen taal had, haar grondgebied zoeken. Doch in de loop der tijden volgde generatie op generatie. De naties dwaalden steeds verder van God af en de boosheid nam op aarde toe.

EEN NIEUW BEGIN

Toen Noach en zijn gezin uit de ark kwamen, hadden zij waarlijk de gelegenheid voor een nieuw begin en de verschrikkelijke herinnering aan de zondvloed was een grote waarschuwing voor de gevolgen van het zondigen. Zeker had men nu kunnen verwachten, dat deze mensen met zulk een waarschuwing het voortaan beter zouden doen dan de zondaars, die overweldigd en in de wateren van het oordeel waren omgekomen. Helaas, zij deden het niet anders, en wel: omdat “de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af” (Gen. 8:21). Er is geen morele evolutie, een ontwikkeling, die langzamerhand gaat, gaande van een nu bestaande lage toestand tot een betere toestand en verder opwaarts. Door alle eeuwen heen bewijst de menselijke geschiedenis, dat een evolutie onmogelijk is. Altijd gaat de neiging van het goede naar het kwade, van het betere naar het slechtere. Daarom zegt onze Heiland: “U moet opnieuw geboren worden” (Joh. 3:7). Daarom is inplaats van de verloren gegane en door de zondeval verdorven natuur, een nieuwe noodzakelijk (2 Kor. 5:17).

In het eerste hoofdstuk van de brief aan de Rom. lezen wij, dat het de mens niet goed dacht God te erkennen; zo heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken (Rom. 1:28). Zij waren vervuld van alle ongerechtigheden en tot de komst van Christus waren zij tot een zevenvoudige afval gekomen. (Rom. 1:21-23). Ondanks alle daarop volgende pogingen van der zogenaamde beschaving met een christelijke invloed, is de toestand van de heidense naties als volgt: “zonder3 Christus, vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God4 was in de wereld” (Ef. 2:12). —Doch tijdens het huidige tijdperk, de tijd van de genade, vanaf het kruis tot de komst van de Heer, daalt God tot de volken af, om “uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam” (Hand. 15:14). Daarover zullen wij meer horen.

 

HOOFDSTUK 2

Het volk Israël (de Joden)

 

Dit oude en in zijn soort enige volk, had zijn oorsprong in de Goddelijke uitverkiezing van Abraham uit het land der Chaldeeën, tegen het jaar 1921 voor Christus, — 428 jaar na de zondvloed, en voor zover wij ons kunnen bedienen van de huidige tijdsberekeningen, 3815 jaar geleden (1956). Het aantal Joden werd voor de tweede wereldoorlog op 16 miljoen geschat.

DE ROEPING VAN ABRAM

In Genesis 12 vers 1-3 wordt ons gezegd: “De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.”

Ten tijde van de roeping van Abram was de afgoderij met haar nevenverschijnselen op de aarde ingeburgerd; “Bewerend wijzen te zijn, zijn zij dwaas geworden en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren” (Rom. 1:22,23).

Vierhonderd jaar na de zondvloed had een beklagenswaardige vervreemding van de mensen van de enig ware God plaats gevonden. Zij werden even zo boos als het geslacht in de dagen van Noach. Maar God, “Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 3:9), had nu een nieuwe bedoeling. Het was Zijn verlangen in de wereld onder de valse goden een waar getuigenis voor Zichzelf op te richten, namelijk een verlost volk als voorbeeld in de verering van het hoogste Wezen, “in de kracht van de heiligheid,” en dat dit de leraar van de ware kennis van de Allerhoogste zou zijn. Dit volk waren de Hebreeën, algemeen Israel genoemd.

DE REIS NAAR EGYPTE

Wij vermelden de reis naar Egypte van het toen kleine gezelschap van Abrahams nakomelingen; het, vierhonderdjarige verblijf aldaar; de toename van het volk en zijn slavernij onder farao; de geweldige bevrijding uit Egypte en de veertigjarige zwerftocht door de woestijn; de grote verovering van Kanaän en de intocht van het volk van God in het beloofde land; zijn vermeerdering en toenemende rijkdom aan aardse goederen, en in de loop der tijden de oprichting van de prachtige tempel van Salomo, het schoonste en kostbaarste bouwwerk dat de wereld ooit heeft gezien, met een priesterstand en een Goddelijke eredienst.

De hele wereld hoorde van dit nieuwe volk, dat God voor Zich had uitverkoren. Men hoorde van Zijn geweldige daden, namelijk dat Hij de plagen over Egypte bracht; van de uittocht; de splitsing van de Rode Zee, en de volkomen nederlaag van farao en zijn achtervolgend leger in de machtige wateren; van het dagelijkse manna voor het uitverkoren volk. Men hoorde van het water dat uit de geslagen rots stroomde; van de wolk, die het volk overdag leidde en van de vuurkolom, die hen ’s nachts verlichtte, en van de Ark van het Verbond, waarin de “God der heerlijkheid” onder hen woonde. Men hoorde van de wetgeving op de berg Sinaï; van het tegenhouden van de wateren van de rivier de Jordaan om het volk door te laten trekken; van de buitengewone veldslagen in Kanaän, en van het stilstaan van de zon op het bevel van Jozua.

DE BUITENGEWONE VOORRECHTEN VAN DE ISRAËLIETEN

Wij laten hier een overzicht volgen van een zeer opmerkelijk zevenvoudig voorrecht, zoals dit aan Israël was toegekend en waar in Rom. 9:4-5 van gesproken wordt.

  1. “Van hen is het zoonschap”; dat wil zeggen zij zijn door God als Zijn eigen volk voor een bijzonder getuigenis op aarde aangenomen.
  2. “Van hen is de heerlijkheid”; de zichtbare heerlijkheid van de aanwezigheid van God in de ark van het verbond en later in de tempel; God woont inderdaad onder de mensen.
  3. “Van hen zijn de verbonden”; verbonden, die God met dit volk heeft gemaakt, en die betrekking hebben op het volk en het beloofde land.
  4. Van hen en de wetgeving”; een wet door de vinger van God geschreven en aan Mozes op de berg Sinaï gegeven, waar hij, voor de ontmoeting met God, was opgeklommen. Daarna werden van tijd tot tijd verschillende gedeelten van het Oude Testament aan de Israëlieten ter bewaring toevertrouwd. Zij hebben deze met grote zorg bewaard.
  5. “Van hen is de dienst”; dit heeft betrekking op de voorschriften en de verordeningen van een door God ingestelde religieuze dienst, in tegenstelling tot de valse godsdienst der heidenen.
  6. “Van hen zijn de beloften”; beloften, direct door God gegeven; wonderbaar in hun aard en van gehoorzaamheid afhankelijk.
  7. “Uit hen is naar [het] vlees de Christus”; een wonderbare bijzondere uitverkiezing. De Zoon van God, de Verlosser, zou een geboren Jood zijn, zoals het door de profeten was voorspeld, (zie o.a. Jes. 7:14 en 9:6,7).

Op deze buitengewone wijze onderscheidde God de Joden van het overige mensengeslacht en maakte hen tot Zijn uitverkoren getuigen op deze aarde. Door hen zouden de heidenen tot de kennis van de ware God komen; de zegeningen zien, die verbonden zijn aan de gehoorzaamheid aan de geboden van God, en in het hemelse licht iedere verkeerde weg verlaten en zich tot Hem wenden.

HET FALEN VAN DE ISRAËLIETEN

De Israëlieten faalden zeer in hun getuigenis voor God. Zij herinneren er ons aan, dat de mens in zijn verantwoordelijkheid, zelfs onder de gunstigste omstandigheden, een onbetrouwbaar schepsel is. Tuchtigingen en bevrijdingen, geloofsafval en gevangenschap en een uiteindelijke verstrooiing in alle windrichtingen, (zoals het heden ten dage is), tekenen de loop van dit eens zo bijzonder bevoorrechte en verantwoordelijke volk. Doch niet alles was een mislukking. Israels ondergang was de aanleiding, dat onder de heidenen de Naam van God werd gevreesd. Z6 verheerlijkte zich God nochtans.

GOD IS NOG NIET KLAAR

Maar God is nog niet klaar met dit volk van Zijn verbond. Ten gevolge van Zijn onveranderlijk raadsbesluit, zal Hij het berouw van het volk en zijn terugkeer tot Hem met de hernieuwde inschakeling als Zijn getuige in de gehele wereld en gedurende het komende duizendjarige rijk bewerken. Ditmaal zal door de Joden “de aarde vol zijn van de kennis van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt” (zie Jes. 11:9). Nooit meer zal de naam van de Joden door falen bevlekt worden. Hoewel het raadsbesluit van God schijnbaar verijdeld werd, toch zal dit binnenkort in heerlijkheid voltooid worden. “Want wie heeft Zijn wil weerstaan? (Rom. 9:19). De profeten en de schrijvers van het Nieuwe Testament hebben van deze dingen — die nu spoedig moeten plaatsvinden — gesproken.

JODEN EN HEIDENEN ONDER DE ZONDE

Intussen zijn Joden en heidenen “allen onder de zonde”; de gehele wereld is voor God schuldig geworden (Rom. 3:9). Heden wordt het heil van God zonder onderscheid Joden en ook heidenen aangeboden en ieder, die gelooft, is door Zijn genade zonder meer gerechtvaardigd door de verlossing die in Christus Jezus is. Op deze wijze vormen zij een nieuw volk “van het eigendom,” namelijk, “de gemeente.” Wij mogen er wel aan toevoegen: “O diepte van rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijne oordelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen!” (Rom. 11:33).

HOOFDSTUK 3

De gemeente van God

 

Na de verwerping en kruisiging van de Messias door de Joden, die hun verlatenheid van nu en hun verstrooiing over de wereld ten gevolge had, kwam een verbazingwekkende, tot dan toe geheim gehouden zaak aan het licht, het feit namelijk, dat van alle eeuwigheid of in het Goddelijke raadsbesluit bedoeld was, een volk uit Joden en heidenen (“allen onder de zonde” Rom. 3:9) te nemen en het door genade tot een ,,nieuwe schepping” te maken.

BRUID VAN DE ZOON VAN GOD

Dit volk was voorbestemd tot de bruid van de Zoon van God. Waarlijk, een heerlijke beloning voor Zijn onuitsprekelijke vernedering en Zijn oneindig lijden aan het kruis, ter wille van onze zonden. “Zoals Hij (God) ons in Hem heeft (Christus) uitverkoren vóór [de] grondlegging van de wereld” (Ef. 1:4). 

Met dit voor ogen van onze Heiland lezen wij: “Die, om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht” (Hebr. 12:2). Als deze gemeente gevormd en voltooid is, zal zij in de hemel als “een verheerlijkte gemeente” verschijnen. (Ef. 5:27). Zoals de Zoon “de afstraling is van Zijn (van de Vader) heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn Wezen” is (Hebr. 1:3), zo heeft Hij hen “die Hij tevoren heeft gekend (de gemeente), heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn” (Rom. 8:29). Hoe passend kunnen de volgende woorden hieraan worden toegevoegd: “… wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen … de gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem die alles in allen vervult” (zie Ef. 1:18-23). Hierbij bedenken wij: een aantal, ontelbaar als de sterren aan de hemel, ieder afzonderlijk “Hem gelijk zullen zijn” (1 Joh. 3:2).

Ondertussen bevindt zich een gemeente op aarde als een groep pelgrims in een vreemd land. Met Christus deelt zij verwerping, schande en verachting. Zij gaat de weg, die Hij met de Vader in volkomen gemeenschap ging, in de wereld, doch niet van de wereld; er uit gekozen en toch als gezanten voor Christus in de wereld gezonden (Joh. 17:14,18; 2 Kor. 5:20).

EEN UITVERKOREN VOLK

“… een uitverkoren geslacht … van Hem die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petr.2:9); “Want Hij is onze vrede, die die beiden (Joden en heidenen) één gemaakt … heeft … opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend, en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis” (Ef. 2:14-16); “hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn naam” (Hand. 15:14); “… het evangelie … eerst voor de Jood, en ook voor de Griek” (Rom. 1:16). Deze teksten tonen ons de bedoelingen van God met de gemeente. Door de prediking van het evangelie van Zijn heil en Zijn genade, wil Hij zondaren uit Joden en heidenen redden, hen allen één maken in Christus, zodat nu alle vroegere verschillen wegvallen. De gelovige Jood houdt op Jood te zijn, en de geredde heiden is geen heiden meer. Zij zijn verenigd tot “één nieuwe mens” om voortaan “de gemeente van God” te zijn. Hun plaats is die van het volk, dat “uitverkoren” en afgescheiden is voor de Heer, Die het voor Zichzelf, tegen de prijs van Zijn bloed, heeft vrijgekocht (1 Kor. 6:19,20).

VAN GROTE BETEKENIS

Van grote betekenis is, dat het Griekse woord “ecclesia” in het Nederlands “gemeente” of “vergadering” namelijk “de uitgeroepene” betekent. In Handelingen 7 vers 38 worden de Israëlieten als “de vergadering in de woestijn” aangeduid. Daardoor wordt hun plaats, als de uit Egypte ”geroepenen” nauwkeurig bepaald. In ander opzicht echter hebben zij geen gemeenschap met de gemeente Gods, “de uitverkorenen” uit de tegenwoordige boze wereld.

DE ZOON VAN GOD

De Zoon van God die het Hoofd der gemeente is, wordt in Mattheüs 2 vers 15 gezegd: “opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei: ‘Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” Zijn vlucht naar Egypte (Egypte een beeld van de wereld;) gedurende de kinderjaren, moest plaats vinden, opdat de Schrift zich aan Hem en later aan al de Zijnen, kon vervullen. Christus en de Zijnen zijn één in hun “geroepen zijn” uit de wereld, die “in het boze ligt” (1 Joh. 5:19). Een of andere inmenging en vriendschap van de gemeente met de wereld betekent niet alleen een ernstige miskenning van de bedoelingen van God, maar is ook ontrouw tegen Christus, hetwelk in Jakobus 4 vers 4 ernstig berispt wordt. Hoezeer dienen wij er daarom op bedacht te zijn, ons “onbesmet van de wereld te bewaren” (Jak. 1:27).

 

NOTEN:
1. Of ‘zal ik er altijd op uit zijn.’
2. Deze serie is overgenomen uit het boekje ‘De gemeente Gods’ van Franklin Ferguson.’
3. Eigenlijk ‘gescheiden van.’
4. Letterlijk ‘atheïsten.’

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW