5 maanden geleden

De gelovige en zijn God (3)

Psalm 63

De gemeenschap van de gelovige met God

Inleiding

Psalm 61 toont ons het gebed van de gelovige tot God. Dit voorrecht wordt vooral gewaardeerd in donkere dagen, wanneer we uit onze nood tot God mogen roepen. Psalm 62 spoort ons aan om te allen tijde op God te vertrouwen. Dit vertrouwen in God dient bij ons te worden verdiept. Hij gebruikt vooral de moeilijke tijden in ons leven, om dit te bewerken. Psalm 63 gaat over de gemeenschap van gelovigen met God.

Door te bidden en op Hem te vertrouwen hebben we ervaren, wat Hij ons geven kan. In Psalm 63 komen we van de gave tot de Gever. In gemeenschap met God begrijpen we, wat Hij voor ons wil zijn. Twee passages uit het Nieuwe Testament onderstrepen het belang van dit onderwijs:

  • In Johannes 6 vers 66-69 staat: “Van toen aftrokken velen van Zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem. Jezus dan zei tot de twaalf: Wilt u soms ook weggaan? Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat u de Heilige van God bent.” Het antwoord van Petrus bestaat uit twee delen. Eerst zegt hij: wij blijven bij U, omdat U ons woorden van eeuwig leven geeft. Dan voegt hij eraan toe: wij blijven bij U, omdat U zo’n wonderbare Persoon bent. Het tweede gaat verder dan het eerste. In de navolging had Petrus veel van zijn Meester ontvangen. Maar hij had Hem ook persoonlijk leren kennen. Hij wilde de gemeenschap met Hem niet meer missen.
  • Romeinen 5 vers 3–10 laat ons zien, wat God ons onder alle omstandigheden geeft. Het hoogste hiervan is Zijn liefde, die Hij in onze harten heeft uitgestort. Dat is een wonderbare gave van God. Maar dan volgt vers 11: “En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in God … .” Het gaat niet langer om wat God ons geeft, maar om wat God voor ons is.

In Psalm 63 is de gelovige in gemeenschap met God, niet om iets van Hem te ontvangen, maar om met Hem Zelf om te gaan.

Mijn God

“O God, U bent mijn God” (vs. 2). David had een heel persoonlijke relatie met God. Hij sprak verschillende keren over zijn God, vooral in 2 Samuël 22:

  • “… ik riep tot mijn God …” (vs. 7). Daarmee zei hij: Mijn God hoort de gebeden en schenkt hulp.
  • “… ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken” (vs. 22). Hij heeft ervaren: mijn God bewaart mij; daarom blijf ik in vertrouwen op Hem op Zijn weg.
  • “… met mijn God spring ik over een muur” (vs. 30). Hij had het besef: in gemeenschap met mijn God zal ik hindernissen overwinnen.

Gelovigen hebben ook over God gesproken en gezegd: “Onze God”. Samen kunnen we spreken van “onze God en Vader” o” van de “God en Vader van onze Heer Jezus Christus”. Maar wat een geluk is het als we God persoonlijk kennen en vanuit het hart kunnen zeggen: “God, U bent mijn God.” Dit is alleen mogelijk als we een zeer persoonlijke betrekking met Hem hebben.

Het is niet genoeg voor een gelovige vrouw om samen met haar man te bidden. Voor kinderen van gelovige ouders is het niet voldoende, dat ze er alleen zijn als hun vader bidt. Nee, het is noodzakelijk, dat ieder van ons – elke man, elke vrouw, elk kind – een individuele betrekking met God heeft. Hebben wij een persoonlijk verlangen naar gemeenschap met God? Paulus spreekt ook meerdere keren over zijn God. In Filippi 1: 3 zegt hij: “Ik dank mijn God”, omdat hij een persoonlijke betrekking met Hem had. En in Filippi 4 vers 19 wil hij, dat zijn eigen ervaring met zijn God voor ons een aansporing is om Hem ook persoonlijk te leren kennen. “Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien … .”

Toen de Heer Jezus hier leefde, zei Hij vaak “Mijn Vader.” Maar slechts twee keer gebruikte Hij de uitdrukking “mijn God”. Deze beide gelegenheden zijn opmerkelijk. Aan het einde van de drie uren van duisternis had Hij uit de diepste nood van Zijn ziel geroepen: “Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?” (Matth. 27:46). Hiermee drukte Hij aan het einde van deze moeilijke uren al Zijn persoonlijke vertrouwen in Zijn God uit. Als de Opgestane gebruikte Hij deze uitdrukking voor de tweede keer: aan Maria Magdalena vertelde Hij de wonderbaarlijke waarheid: “Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God” (Joh. 20,17). We kunnen zeggen: Zijn God moest Hem verlaten, zodat Zijn God ook onze God worden kon.

De Heer vroeg zoeken

“U zoek ik vroeg in de morgen;” (vs. 2). “Vroeg” kan twee betekenissen hebben. Enerzijds vroeg in het leven, dus op jonge leeftijd, en anderzijds vroeg op de dag. Beide zijn belangrijk voor de praktijk van ons leven. Prediker 12 vers 1 zegt: “Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen waarvan u zeggen zult: Ik vind er geen vreugde in;” Dit is een woord voor kinderen en jongeren. Ze worden aangemoedigd om van jongs af aan te leren om persoonlijke gemeenschap met de Heer Jezus in gebed te hebben. We kunnen niet snel genoeg onze knieën voor Hem gaan buigen. In het Woord van God worden ons mensen beschreven, die als kinderen en jongeren al gemeenschap met God hadden en die toen mannen van God werden. God sprak tot de jonge Samuël, toen hij de priester Eli diende. De jonge man David kende de omgang met God toen hij de kudde van zijn vader in de woestijn hoedde. Ook van de Heer Jezus staat er, dat Hij op twaalfjarige leeftijd de tempel binnenging. Toen de ouders Hem zochten, antwoordde Hij hun: “Wist u niet dat Ik in de dingen van Mijn Vader moet zijn?” (Luk. 2:49).

Het is ook goed om vroeg op de dag omgang met God te zoeken. Opnieuw is de Heer Jezus ons voorbeeld. “En ’s morgens vroeg, toen het nog diep in de nacht was was, stond Hij op, ging naar buiten en hij ging weg naar een woeste plaats en daar bad Hij” (Mark. 1:35). We zijn onder de indruk van de dagelijkse routine van onze Heer. Hoewel er veel werk was, ging Hij ’s morgens vroeg in gebed tot Zijn God. Maria Magdalena mag ook ter aanmoediging worden genoemd. Haar Meester, die zij liefhad, was gestorven. Hoe kon ze nog zonder Hem leven? “Op de eerste [dag] van de week nu kwam Maria Magdalena ’s morgens vroeg, toen het nog donker was, naar het graf” (Joh. 20: 1). Zij had niet veel kennis, maar zij was de Heer zeer toegewijd. Daarom zocht zij hem ’s morgens vroeg en vond Hem toen ook.

Het verlangen van de ziel naar God

“Mijn ziel dorst naar U” (vs. 2). David had nieuw leven. Dit leven komt van God en vraagt naar Hem. Deze belangrijke waarheid wordt duidelijk uiteengezet in het Nieuwe Testament. Wanneer een persoon zijn zonden aan God belijdt en in de Naam en het werk van de Heer Jezus gelooft, wordt hij opnieuw geboren (of van boven) [1], dat wil zeggen, hij ontvangt nieuw leven dat gemeenschap met God verlangt.

Het verlangen naar de verlossing van het lichaam

“mijn lichaam verlangt naar U in een land, dor en dorstig, zonder water.” (vs. 2). Wanneer iemand zich bekeert en nieuw leven ontvangt, is zijn lichaam nog niet verlost. Hij heeft er nog steeds moeite mee. Misschien heeft dat niet zo veel invloed op jonge mensen. Maar we voelen het als we ouder worden. De klachten van ziekte en ouderdom storen ons soms in de gemeenschap met God. Wanneer er zonde plaatsvindt in het leven van de gelovige, wordt de gemeenschap met de Heer in praktisch opzicht verbroken. Maar dat is niet de enige storende factor. Ook de zwakte van het lichaam kan ons daarin hinderen. Omdat ons lichaam nog niet verlost is, smacht ons vlees naar de dag van de verlossing. Daarom wachten we bij de opname op de Heer Jezus als Heiland (Fil. 3:20,21).

Hem te verwachten, omdat we de zwakheid van ons lichaam voelen, is niet de hoogste motivatie. Het belangrijkste motief voor onze verwachting van de komst van de Heer is de vreugde Hem te zien zoals Hij is. Maar Romeinen 8 vers 22 en 23 spreekt wel over de hoop op bevrijding van de algemene gevolgen van zonde. Allereerst wordt er gezegd, dat de schepping mee zucht en op de verlossing wacht. “En dat niet alleen, ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van [het] zoonschap: [2] de verlossing van ons lichaam.” Paulus spreekt er ook over in 2 Korinthe 5 vers 2: “Immers in deze tent (d.w.z. in dit lichaam) zuchten wij, terwijl wij vurig verlangen met onze woning die uit [de] hemel is, overkleed te worden.”

Als David spreekt over het dorre en dorstige land, dan drukt hij uit dat de wereld en wat ze ons te bieden heeft, niets aan onze ziel kan geven. We vinden daar geen verkwikking en geen rustplaats voor ons hart. Er is een indrukwekkend voorbeeld hiervan met Noach in de ark toen de vloed afnam. Hij had de duif gestuurd. Maar ze vond geen rustplaats voor haar voeten, en keerde ze daarom terug naar de ark. Onze geredde zielen zien de wereld en haar aanbiedingen ook als een dor en dorstig land zonder water. Als we er dan toch gebruik van maken, zal dat tot onze schade zijn.

In 2 Koningen 4 wordt over de zonen van de profeten gerapporteerd dat een van hen het veld in ging om wilde kolokwinten te verzamelen. Hij gooide ze in de soeppot en ze aten er allemaal van. Toen riepen ze: “De dood is in de pot!” (vs. 40). Dat, wat de wereld biedt, heeft een dodelijk karakter voor onze ziel. Zelfs het mooiste dat het kan voortbrengen – en dat is religie – kan onze ziel niets brengen. Dat moest de vrouw ervaren in Johannes 4. Ze was een grote zondares, maar tegelijkertijd erg religieus. Het is mogelijk dat beide hand in hand gaan. Deze vrouw verwees de Heer Jezus naar de put en zei: Onze vader Jakob en zijn zonen en zijn vee dronken eruit. Dat is al eeuwen en millennia een religieuze traditie. Wat zegt onze Heiland hierover? “Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben; maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben.” (Joh. 4:14). Religie kan de dorst van onze ziel niet lessen. Maar God biedt ons Zijn gemeenschap aan, zodat ons hart vervulling bij Hem vindt. Dat toont ons het volgende vers.

God in het heiligdom aanschouwen

“Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, Uw macht en Uw heerlijkheid gezien” (vs. 3) 

Wanneer de wereld de ziel van David niets bieden kon, dan wilde hij zijn God aanschouwen. Hij vond Hem niet in deze wereld, maar in het heiligdom, op de plaats waar de ark toen nog onder de tenten stond. Voor ons is het heiligdom de hemel. Volgens Efeze 2 zijn wij in Christus nu al overgeplaatst in de hemelse gewesten. Daar kunnen we de Heer zien; want gelovigen hebben niet alleen ogen in hun hoofd, maar ook in hun hart (Ef. 1:18). Met verlichte ogen van ons hart zien we onze Heiland in de hemel, zoals de schrijver van de brief aan de Hebreeën ook zegt: “… maar wij zien Jezus …” (Hebr. 2:9). Wat een wonderbare genade!

Zijn macht en glorie

Als we Christus aanschouwen, zien we aan de ene kant Zijn macht en aan de andere kant Zijn heerlijkheid. Zijn macht is nog niet zichtbaar in de wereld, want “nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen” (Hebr. 2:8). Maar als we naar Hem met de ogen van ons hart in de hemel beschouwen, dan weten we dat Hij nu al de plaats van macht inneemt. De drie apostelen Paulus, Petrus en Johannes getuigen dat:

  • “En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente …” (Ef. 1:22).
  • “Jezus Christus, die aan Gods rechterhand is, heengegaan naar [de] hemel, terwijl engelen, machten en krachten Hem onderworpen zijn” (1 Petr. 3:22).
  • “En Ik zag in [het] midden van de troon en de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan ​​als geslacht” (Openb. 5:6).

In het midden van de troon, van waaruit de regering van God uitgaat, staat het Lam, dat wil zeggen in het centrum van de macht. Het is buitengewoon belangrijk voor ons om in geloof vast te houden aan deze waarheid: alle macht in de hemel en op aarde is aan Hem gegeven, ook al zien we het nog niet in de wereld. Maar we zien het in het heiligdom.

We zien ook zijn heerlijkheid. In 2 Korinthe 3 vers 18 staat: “Wij allen nu, die met onbedekt gezicht, de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen … .” In het heiligdom zien we de heerlijkheid van de Heer. Hij is daar als de Verheerlijkte, maar als Mens Jezus Christus, die eens hier in nederigheid geleefd heeft. Dat zullen we nooit vergeten. Ook als we eens bij Hem in de heerlijkheid zijn, zullen we dat ons altijd herinneren. Deze beide gedachten zijn nauw met elkaar verbonden in het Woord van God: wanneer van de heerlijkheid van de Heer Jezus sprake is, wordt ook Zijn vernedering genoemd. In de Bijbel vinden we ook de omgekeerde volgorde. Laten we maar aan Filippi 2 denken. Daar wordt Zijn weg van vernedering beschreven, en de bekende verzen volgen: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd” (Fil. 2:9 ev).

Als we Zijn heerlijkheid in het heiligdom overdenken, denken we aan Zijn leven hier en zien we Zijn onberispelijke reinheid. Als we nadenken over Zijn sterven aan het kruis van Golgotha, zien we Zijn volkomen gehoorzaamheid. De opstanding toont ons Zijn goddelijke kracht, en Zijn zitten aan Gods rechterhand spreekt van Zijn eer. Dit alles maakt deel uit van de heerlijkheid van de Heer.

De heerlijkheid van God is goedheid

“Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven; daarom zullen mijn lippen U prijzen” (vs. 4).

Het zal ons misschien verbazen, dat David nu plotseling over goedertierenheid spreekt, nadat hij de heerlijkheid van de Heer heeft genoemd. Mozes vroeg God eens: … Toon mij toch Uw heerlijkheid! Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal” (Ex. 33:18,19). Toen Mozes de heerlijkheid van God wilde zien, zei God tegen hem: Ik laat al Mijn goedheid aan u voorbijgaan. Prachtig antwoord! Zijn wij niet gelukkige mensen, die weten dat de heerlijkheid van God voor ons geen oordeel betekent, maar goedheid?

De inhoud van ons leven

Wat bedoelt David met het leven in vers 4? Het zijn de aardse vreugden die God ons in ons leven geeft. Een goede maaltijd, een stijlvolle woning, een ontspannende vakantie, dit zijn aardse vreugden waarvan we kunnen genieten, in de mate waarin God die ons schenkt, zonder een schuldig geweten. Dit is leven zoals David het hier uitdrukt. Maar als dat álles voor ons is, dan zijn we arme mensen. Waarom? Omdat aan alle aardse vreugde een einde komt. Dit ervaren we vooral, naarmate we ouder worden. Dit wordt ons duidelijk getoond in Prediker 12. Dit gevoel wordt steeds sterker met het ouder worden. We hebben iets beters nodig, iets dat blijvend is. David bezat het want hij wist: “Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven.”

De heerlijkheid van de Persoon van de Heer Jezus kan deel uitmaken van ons leven. Paulus had deze ervaring en zei daarom: “Want te leven is voor mij Christus” (Fil. 1:21). Als het is: Het leven is voor mij de Heer, dan zou dat betekenen, dat dienen ons doel in het leven is. Maar als dit het geval was, zouden we, als we niet langer konden dienen, geen doel meer hebben in het leven. Dit is een belangrijke les voor ons. Als we vervuld zijn met Christus Zelf, en de heerlijkheid van Zijn Persoon, dan zullen we deze betekenis van het leven in de eeuwigheid nooit verliezen.

Gevolgen van de gemeenschap met God hier

a) Het heilige priesterschap

Het aanschouwen van de Heer Jezus in Zijn heerlijkheid is priesterlijk voedsel voor ons. Er zijn verschillende oudtestamentische beelden voor de voeding van het volk van God. Het manna in Israël gaf hun kracht om verder te gaan in de woestijn. Ook wij hebben het geestelijke brood uit de hemel nodig om onder verschillende omstandigheden in geloof voorwaarts te gaan. Er werd voor de Israëlitische priesters ander voedsel voorgeschreven, zodat ze hun dienst in het heiligdom konden uitoefenen. Zo hebben wij ook geestelijk voedsel nodig, opdat wij aanbidden kunnen. Het bestuderen van de heerlijkheid van de Heer Jezus zal ons hart en onze mond openen om God te prijzen en te aanbidden. Dit is wat David zegt nadat hij gesproken heeft over de grootheid van God: “Daarom zullen mijn lippen u prijzen.”

b) Het koninklijk priesterschap

In vers 5 gaat David nog een stap verder: “Zo zal ik U loven in mijn leven, in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.” Dit is het koninklijk priesterschap: uit gemeenschap met God kunnen we van Hem getuigen. Hoe belangrijk is het, dat we deze beide taken samen uitvoeren. Als heilige priesters prijzen we God, en als koninklijke priesters zijn we mensen van God gedurende ons hele leven. Paulus gebruikt de uitdrukking “mens Gods” twee keer als hij aan Timotheüs schrijft (1 Tim. 6:11; 2 Tim. 3:17).

In het Frans en het Engels [3] is het moeilijk om onderscheid te maken te maken tussen mens en man Gods. Er kan daardoor de indruk ontstaan, dat de mens Gods dezelfde is als een man Gods in het Oude Testament. Maar de betekenis is een beetje anders. Een man  Gods was iemand, die van God een speciale opdracht kreeg. Maar wij zijn allemaal mensen van God: hier achtergelaten om als vertegenwoordigers van God met de volledige capaciteit van ons leven Zijn principes te laten zien. De meeste mensen om ons heen lezen de Bijbel niet meer. Maar ze zien nog steeds ons gedrag, ze horen onze woorden en nemen onze levenswandel waar. Als we God in ons gedrag uitbeelden, is ons leven tot lof van Hem. We kunnen dit koninklijk priesterschap alleen in afhankelijkheid van de Heer uitleven. David zegt daarom: “in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.” Alleen het dagelijks gebed, de voortdurende afhankelijkheid van God, geeft ons de kracht om een ​​getuigenis voor onze Heer te zijn.

c) Gezond en stabiel geloofsleven

“Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden; mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen” (vs. 6).

Merg [4] spreekt van stabiliteit. Daarom wordt van jonge mannen gezegd: “Hij heeft merg in zijn beenderen. Dat is een stabiele, sterke man.” Overdenken en getuigen van de Heer Jezus geeft stabiliteit in het geloof. Vet spreekt van gezondheid. Er zijn zoveel ongezonde christenen die onbijbelse opvattingen hebben. De reden hiervoor is, dat ze niet met God bezig zijn. Hun ogen zijn niet op Christus gericht. Als we echter Zijn heerlijkheid aanschouwen, raakt onze ziel verzadigd met vet. Zo geeft de dagelijkse gemeenschap met God aan ons geloofsleven stabiliteit en geestelijke gezondheid.

Dat verdiept onze aanbidding. Vers 6 is een uitbreiding van vers 4. Er staat nu: “mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.” De geestelijke groei die door gemeenschap met de Heer en door het getuigenis voor Hem teweeg wordt gebracht, leidt ons tot diepere aanbidding, want we zijn in de praktijk van het leven met onze Heer voorwaarts gegaan en hebben Hem beter leren kennen.

Bij de Heer tot rust komen

“Wanneer ik aan U denk op mijn bed, over U peins in nachtwaken –“ (vs. 7)

Het is nodig, dat we momenten kennen, waarin we ons terugtrekken, om bij het lezen van de Bijbel en in onze persoonlijke gebeden ons met de Heer bezig te houden. We hebben momenten nodig, waarin we de invloeden van de wereld om ons heen niet meer op ons laten inwerken. Ik weet, dat het niet gemakkelijk is. Jonge mensen die het erg druk hebben op het werk, of vrouwen van wie in het huishouden van hun gezin veel gevraagd wordt, hebben moeite om overdag nog rustige momenten te vinden, waarop ze alleen zijn met de Heer. Maar het is toch mogelijk. Het is het streven van onze Heer om ons tot rust te brengen en ons vervolgens te zegenen. We vinden dit in Psalm 23 vers 2: “Hij doet mij neerliggen in grazige weiden.”

De Heer doet dat ook, wanneer Hij ons tot Zijn naam bijeenbrengt om naar Zijn woord te luisteren. Dan wil Hij ons eerst tot rust brengen. Daarom is er in het begin soms een tijd stilte. Er zijn broeders en zusters, die moeite hebben met lange pauzes in de samenkomsten. Ze zijn natuurlijk niet altijd een teken van diepe geestelijkheid; ze kunnen ook een uitdrukking zijn van zwakheid. Maar soms werkt de Heer dat. Als we met een onrustig hart naar de samenkomst komen, werkt Hij eerst door middel van de stilte, zodat we tot rust komen en klaar zijn om de zegeningen te ontvangen, die Hij ons wil geven. Het bed spreekt ook over de rust van ons hart, en de nachtwaken, dat we ons bevrijden van de invloeden van de gedachten van de wereld om ons heen. Dan zijn we klaar, om als David over onze God na te denken.

In de schaduw van God – de verlichting van lijden

“voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest; onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen” (vs. 8). 

In gemeenschap met God herinneren we ons eerdere ervaringen met Hem. Het is zeer gezegend om op het leven terug te kijken en na te denken over hoe de Heer ons heeft geholpen. We moeten Zijn bewaring nooit vergeten. Het volk van Israël moest zichzelf ook steeds blijven herinneren aan de Goddelijke bevrijding uit Egypte, en aan hoe Hij hen door een dorre woestijn had geleid en hen in het beloofde land gebracht had. Het rustige nadenken over de ervaren hulp van de Heer vervult ons hart met dankbaarheid.

Wat wordt bedoeld met de schaduw? We vinden er iets over in Psalm 121 vers 5-6: “De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw schaduw aan uw rechterhand. De zon zal u overdag niet steken, de maan niet in de nacht.” Een schaduw geeft verkoeling van de hitte van een zomerse dag. Zo wil de Heer een schaduw voor ons zijn. Vaak neemt Hij onze moeilijkheden niet weg, maar plaatst Hij zichzelf tussen ons en onze nood. Dat verlicht ons lijden.

Het kan voorkomen, dat God iets in ons leven zendt, dat Hij niet meer wegneemt. De apostel Paulus heeft het ervaren, toen hij een doorn in het vlees kreeg. Er is veel nagedacht over wat dat was. Het was geen kleinigheid. Een doorn in het vlees is iets, dat elke beweging belemmert. Paulus riep drie keer tot de Heer en Hij antwoordde: Ik neem dit niet van je af. “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor. 12:9). Dat is de schaduw – de verlichting van de pijn. Hij laat wat lijden in ons leven toe, maar omgang met Hem verfrist ons hart, zodat we net als David kunnen zeggen: “onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.”

De Heer onmiddellijk volgen

“Mijn ziel klampt zich aan U vast, komt achter U aan, Uw rechterhand ondersteunt mij” (vs. 9). 

Volgens de voetnoot kan het eerste deel van dit vers ook als volgt weergegeven worden: “Mijn ziel volgt U onmiddellijk.” Dit is geen verzoek, maar een conclusie. Nadat we naar de Heer hebben aanschouwd en de heerlijkheid van God hebben gezien, willen we deze Heer natuurlijk onmiddellijk navolgen. We doen dit wetende, dat alleen Gods rechten ons staande houden. Het eerste is ons praktisch handelen, het tweede is de kracht van God die we daarbij ervaren. In 1 Petrus 1 vers 5 staat dat we in de kracht van God door het geloof bewaard worden tot behoudenis. Het is Gods kracht in ons leven, dat ons daadwerkelijk naar onze hemelse bestemming zal brengen. Dat is de kant van God: Hij zorgt ervoor, dat alle verlosten de heerlijkheid van de hemel bereiken. Maar dit gebeurt door geloofsoefeningen: dit is onze kant. Daarom willen we de Heer onmiddellijk volgen op weg naar het doel. De gemeenschap met Hem zal dit verlangen in ons bewerken.

Samenvatting van Psalm 61-63

“En Ik zeg u: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, zal opengedaan worden” (Luk. 11:9-10).

  • Bidt en u zal gegeven worden. Dat is Psalm 61: Het gebed van de gelovige tot God.
  • Zoekt, en u zult vinden. Dit is Psalm 62: Het vertrouwen van de gelovige op God.
  • Klopt en er zal voor u open gedaan worden. Dit is Psalm 63: De gemeenschap van de gelovige met God.

Het is een groot voorrecht om God in elke situatie van ons leven te vragen, dan op Hem te vertrouwen in de omstandigheden van het leven en niet in de laatste plaats bij Hem aan te kloppen om gemeenschap met hem te hebben. Het lijkt erop, dat vers 10 een herhaling is van vers 9. Er staat: Want ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal opengedaan worden.” Maar dat is niet zo, vers 9 laat ons zien wat de gelovige dóet, en vers 10 wat hem kénmerkt. Wanneer iemand tot geloof in de Heer Jezus komt, begint hij te bidden, te zoeken en te kloppen. Wanneer dit in het leven van de gelovige een praktische permanente toestand wordt, dan wordt hij een ‘biddende’, een ‘zoeker’ en een ‘klopper’. Dat is wat hem kenmerkt. Het is mijn wens voor ons allemaal, vooral de jongeren, dat we beginnen te bidden, te zoeken en te kloppen, en dat ons geloofsleven erdoor gevormd wordt. Laten wij bidders, zoekers en kloppers worden!

 

NOTEN:
1. Opnieuw: dit is op een heel nieuwe wijze en van uit een heel nieuwe bron; in Lukas 1:3 vertaald met ‘van voren af aan’.
2. Zoonschap: Letterlijk ‘positie van zonen’.
3. In het Nederlands eveneens.
4. De Elberfelder Bibel heeft ‘merg’, n.l. “Wie von Mark und Fett …”.

Max Billeter; © www.haltefest.ch

Jaargang: 2007 – Bladzij: 65

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW