13 jaar geleden

De eindtijd (3)

De grote verdrukking. Ook dit is een periode die onherroepelijk zal plaats vinden, omdat het volgens de plannen van God. Een periode echter die niet bestemd is voor de gemeente van de Heer Jezus Christus … deze is dan al opgenomen in heerlijkheid, dat wil zeggen: vóór het uur van de verzoeking.

De grote verdrukking

“Wanneer gij dan de gruwel van de verwoesting – waarvan gesproken is door Daniël, de profeet – zult zien staan in de heilige plaats, (wie het leest, lette er op) laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen; wie op het dak is, ga niet naar beneden om de dingen uit zijn huis te halen; en wie op het veld is, kere niet terug om zijn kleed te halen. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen. En bidt dat uw vlucht niet plaats vindt in de winter of op een sabbat. Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en ook niet weer zijn zal. En als die dagen niet verkort werden, zou er geen vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkoren zullen die dagen worden verkort” (Mattheüs 24:15-22).

De Heer Jezus spreekt hier nu over de gruwel (dat is een afgod, die vereerd wordt), over wie we al gelezen hebben in het Oude Testament in Daniël 9:27. Nu zien we, dat deze gruwelafgod geplaatst wordt in de heilige plaats. Deze afgod is het beeld, dat op initiatief van de antichrist door het eerste dier wordt opgericht en aan wie de antichrist adem zal verlenen, zodat het beeld zelfs kan spreken (Openbaring 13). Deze afgod zal in de tempel geplaatst en aanbeden worden.

Uit een vergelijking tussen Daniël 9 en Mattheüs 24 kunnen we de conclusie trekken, dat het in het midden van de laatste jaarweken zal gebeuren, zodat de offerdienst daardoor een plotseling einde vindt, als dit afgodsbeeld in de tempel geplaatst zal worden. Dat wordt zeer nadrukkelijk bevestigd in Daniël 12:11: “En van die tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd negentig dagen”. (Waarom zijn het hier 1290 dagen en niet 1260 dagen? Dat zijn 30 dagen meer dan de tijd van verdrukking. Zij rijken dus tot in het Duizendjarig Vrederijk. In Daniël 12:12 wordt zelfs een tijdperk van 1335 dagen genoemd, dus 75 dagen meer. Deze 30 respectievelijk 75 dagen zouden te maken kunnen hebben met het gericht over de buurvolken).

Op dit tijdstip begint de grote verdrukking. Voor dit tijdperk van 3,5 jaar zijn er in de Openbaring verschillende beschrijvingen:

  1. 1260 dagen (dat zijn 3,5 jaar, voorzover men een maand met dertig dagen rekent. Zie Openbaring 11:3; 12:6; vergelijk Daniël 12:11,12).
  2. 42 maanden (eveneens 3,5 jaar; zie Openbaring 11:2; 13:5).
  3. Een tijd, tijden en een halve tijd (bij toepassing van de formule [tijd = jaar] komt daar weer 3,5 jaar uit; zie Openbaring 12:14; Daniël 7:25; 12:7).

Men kan de uitspraken van de Heer Jezus in Mattheüs 24:15-18 ook opvatten als opdracht aan de mensen, die dan in Judéa wonen en zodoende het begin van de grote verdrukking meemaken, om haastiglijk uit Judéa naar de omliggende bergen te vluchten. De vlucht moet zonder een enkele voorzorg geschieden: wie zich juist op het dak van zijn huis bevindt, wanneer hem het bericht van de opstelling van de gruwelafgod in de tempel bereikt, moet via de buitenste trappen vluchten, zonder nog in het huis te gaan om iets mee te nemen. Wie op het veld werkt en bijvoorbeeld aan de rand van het veld een kledingstuk heeft neergelegd, moet zich niet daar naartoe haasten om het mee te nemen. Zwangere vrouwen en moeders met zuigelingen wordt een wee toegeroepen, want zij worden sterk benadeeld tijdens de vlucht. Bovendien moeten de mensen bidden, dat hun vlucht niet op de sabbat of in de winter plaats vindt. De zware verdrukking die dan begint, overtreft alles wat mensen ooit aan catastrofen op de aarde hebben beleefd.

Wie zijn toch de mensen, die hier worden aangesproken met de woorden “Wie het leest, lette er op”? Er moeten joden zijn in Palestina, die in deze tijd niet alleen het Oude, maar ook het Nieuwe Testament lezen en zich in hun hart tot God bekeert hebben; zij worden later de uitverkorenen genoemd. Voor hen geldt deze opdracht, te vluchten. (Er zullen te dien tijde dus joden zijn in Palestina, die in God geloven, hoewel er op aarde geen christenen meer zullen zijn, daar die immers op dit tijdstip reeds zijn opgenomen. Vanaf de pinksterdag, waarop de Heilige Geest op de aarde kwam om in iedere gelovige afzonderlijk te wonen, is op velerlei wijze het heerlijke evangelie, dat ieder die zich in zijn hart tot God bekeert, indien hij zijn zonden bekent en gelooft in het verzoeningswerk van Christus, vergeving van zijn zonden ontvangt, verkondigd. Hij mag weten, dat hij met de gelovige aanname van het evangelie behoort tot de gemeente van God en dat zijn eeuwige bestemming het Vaderhuis is. Men noemt dit evangelie ook wel eens het “evangelie van de genade” om het van een ander evangelie te onderscheiden – het evangelie van het Koninkrijk (Mattheüs 24:14). De verkondiging van dit evangelie van de genade zal met de afloop van de tijd van de gemeente van God op de aarde zijn einde vinden, maar onmiddellijk daarna zal God trouwe getuigen onder Zijn oude volk Israël verwekken, die binnen de kortste tijd het evangelie van het Koninkrijk wereldwijd zullen verkondigen. De wezenlijke inhoud van dit evangelie zal zijn: Doet boete, erkent uw zonden en bekeert u in uw harten tot God om bereid te zijn Christus als Koning te ontvangen, wanneer Hij Israël binnentrekken en zijn Heerschappij aannemen zal. Dat was overigens het evangelie, dat Johannes de Doper heeft verkondigd (zie Mattheüs 4:23) en zijn verkondiging met tekenen en wonderen onderbouwd heeft).

Maar waarom moeten ze dan zo haastig het land verlaten en waarheen moeten ze vluchten? Op hetzelfde ogenblik, waarop de gruwelafgod in de tempel wordt geplaatst, begint een brutale vervolging van een ieder, die tot dan toe te kennen gegeven heeft, God te vrezen. Er zijn al martelaren in de eerste 3,5 jaar, zoals we weten uit Openbaring 6:9-11, maar wat er dan zal gebeuren in het begin van de grote verdrukking, is niet te vergelijken met alle vroegere vervolgingen. Wie weigert het beeld te aanbidden en zich aan te sluiten bij deze afgodendienst, moet dat met het leven bekopen (Openbaring 13:15-17). Natuurlijk zal het overgrote deel van het volk Israël dat de antichrist als de Messias aangenomen zal hebben, gelaten de door hem ingevoerde afgodendienst uitoefenen. Vergeten we niet, dat immers juist op dit ogenblik satan en zijn demonen uit de hemel op de aarde geworpen zijn.

Dat is de grond, waarop God Zijn uitverkorenen opdroeg het land zonder enig uitstel te verlaten. Het gaat daarbij om uren. Op deze manier zal God de Zijnen namelijk afzonderen van de “velen”, dat zijn de goddeloze joden onder leiding van de antichrist. God zal een groot deel van Zijn uitverkorenen op deze manier in veiligheid brengen. Schriftplaatsen die ons dat duidelijk beschrijven zijn met name Openbaring 12:6,13-17, Psalm 60:8 en Jesaja 16:4.

De meerderheid van het volk zal beslist niet vluchten want hij voelt zich zeker onder de antichrist, niet in het minst hierom, omdat dit zevenjarig verbond tussen de “vorst, die komen zal” en de heerser van een “verenigd Europa is gesloten (Daniël 9:26,27). Op dit verbond heeft ook Jesaja 28:15 betrekking: “Omdat gij zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt [dood en hel wijzen op de demonische machten die er bij in het spel zijn]; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen”.

God zal Zich evenwel ook in deze donkere tijd een helder getuigenis van Zijn rechterhand in Jeruzalem zelf bewaren. Hij zal twee getuigen opwekken en ze voorzien van bijzondere macht. Ze zullen gedurende de gehele tijd van verdrukking profeteren. Ze zullen hun vijanden met vuur verteren en bovendien kunnen ze de hemel sluiten, zodat het niet meer regent en ook water in bloed veranderen. Tenslotte echter worden deze getuigen gedood, maar na drieëneenhalve dag zullen ze weer opstaan en in de hemel opgenomen worden (Openbaring 11:1-12).

Maar ook deze aan deze tijd van grote verdrukking, die dus vooral een tijd van verschrikkelijke afgodendienst en van vervolging van de uitverkorenen van God is, zal eenmaal een einde komen. Ze is wegens de uitverkorenen begrensd, en wel tot 3,5 jaar. God heeft dat reeds van tevoren vastgesteld. En het ligt ook vast in de profetieën van het Woord van God, op welke wijze dit tijdperk haar einde zal vinden.

God zal een vijand in het land brengen, die in Jesaja 28:15 een “overvloeiende gesel” wordt genoemd, die door het land rondgaat en het met ongekende hevigheid zal treffen (vergelijk Jesaja 28:18-22). Let in het bijzonder op de uitdrukking “vast besloten” (vers 22), waarmee we ons al bezig hebben gehouden in Daniël 9:27. Deze uitdrukking vinden we eveneens in Jesaja 10:23 en daar staat hij in verbinding met de beschrijving van een oeroude vijand van Israël: Assyrië. God zal het deze vijand toestaan, in de eindtijd nog eenmaal Palestina binnen te vallen. Daarmee worden de laatste gebeurtenissen ingeleid.

Wie is Assyrië?

“Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn verbolgenheid … Want het zal geschieden, als de Heere een einde zal gemaakt hebben aan al Zijn werk op de berg Sion te Jeruzalem, dan zal Ik bezoeken de vrucht van de grootsheid des harten van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner ogen … De verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Want een verdelging, die vastbesloten is, zal de HEERE Heere der heerscharen doen in het midden van dit ganse land” (Jesaja 10:5,6,12, 22, 23).

Wie is dan nu eigenlijk in de profetieën deze verwoester, deze tuchtroede van God, die Gods gericht tegen de afgevallen, goddeloze joden zal uitvoeren?

We vinden het antwoord in Jesaja 10. In het verleden was het geen ander dan het Assyrische wereldrijk, dat aan het Babylonische wereldrijk voorafging. Jesaja heeft in de tijd van ongeveer 760 tot 700 v. Christus in Palestina geleefd en gewerkt. Hij was het, die het volk Israël en in het bijzonder het tienstammige noordelijke rijk met zijn hoofdstad Samaria, het gericht aankondigde, omdat het volk zeer gezondigd had tegen God. En zoals hij het profeteerde, is het ook gebeurd: Assyrië viel binnen in het noordrijk en voerde zijn bewoners, na een belegering van drie jaar, in het jaar 722 of 721 voor Christus weg in ballingschap, waaruit de tien stammen nooit zijn teruggekeerd (zie 2 Koningen 17).

Toch zijn de profetieën over de Assyriër slechts ten dele vervuld, omdat God in Zijn grote barmhartigheid het tweestammige zuidenrijk de buitenlandse gerichtsslagen bespaard heeft. In de eindtijd zullen deze profetieën echter volledig vervuld worden.

Als we de afzonderlijke boeken, waarin het aardse volk van God het gericht wordt aangekondigd, onderzoeken op Israëls grote vijand in de eindtijd, komen we tot de volgende conclusie: Bij de profeten, die voor de laatste belegering van Jeruzalem in 588 voor Christus hebben geprofeteerd (men heeft ze ook AMMI-PROFETEN, dat betekent “Mijn-volk-profeten”, genoemd), heet deze vijand Assyrië; bij de profeten, die in de tijd van de ballingschap resp. in de tijd van de natiën hebben geprofeteerd (LO-AMMI-PROFETEN, dat betekent “niet-Mijn-volk-profeten”), heet deze vijand met name de “koning van het Noorden” (Daniël 11:40-45) en in Ezechiël de “hoofdvorst van het Noorden” (hoofdstuk 38 en 39). Daaruit blijkt duidelijk, dat de Assyriër van de AMMI-PROFETEN profetisch gezien identiek is met deze beide koningen en hoofdvorsten uit het Noorden, die we in de LO-AMMI-PROFETEN vinden. Overigens wordt de Assyriër in Joël 2:20 zelfs “die van het Noorden” genoemd.

Als het al bij de koning van het Noorden en de hoofdvorst van het Noorden gaat om verschillende machten, dan hebben ze toch beide de eigenschappen van de Assyriër, van deze oude vijand van het volk Israël.

Het gebied van het toenmalige Assyrische rijk omvat de huidige landen Syrië, Irak, Jordanië, Libanon en delen van Turkije en Iran. De hoofdstad Assyrië was ten tijde van Nineve in het noorden van het huidige Irak, niet ver van de stad Mossul.

We bevinden ons na deze uitweiding over Assyrië nog steeds in de tijd van de grote verdrukking. Maar wanneer de koning van het Noorden Palestina invalt, neigt ook deze tijd naar zijn einde. Ik geloof, dat de belegering door de koning van het Noorden vijf maanden zal duren, want in Openbaring 9:1-11 vinden we een beschrijving van deze inval. Er staat daar in vers 4, dat de mensen, die niet het zegel van God op hun voorhoofd hebben – en dat zijn de goddeloze joden -, voorwerp van dit gericht zijn. En daar vinden we ook de tijdsaanduiding, dat deze mensen vijf maanden lang gekweld werden (vers 5). Dat betekent dus, dat op dit tijdstip al wat meer dan 3 jaren van de grote verdrukking zijn verstreken en we vlak voor de laatste, grote gebeurtenissen staan, die de eindtijd afsluiten.

Op deze inval van de koning van het Noorden zullen we nu verder ingaan, en slaan daarom Daniël 11:40-45 op.

De koning van het Noorden

“En op de tijd van het einde, zal de koning aan het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagens, en met ruiters, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken. En hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen ter neergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen van de kinderen Ammons. En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libië, en de Moren zullen in zijn gevolg wezen. Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen. En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg van het heilig sieraad; en hij zal tot het einde komen, en zal geen helper hebben” (Daniël 11:40-45).

Allereerst wordt ons in dit gedeelte bericht over een conflict tussen de koning van het Zuiden (dat is Egypte) en “hem”, dat is de antichrist, die vlak voor dit gedeelte is beschreven (Daniël 11:36-39). Maar snel daarna of zelfs gelijktijdig zal deze koning van het Noorden (dat zou heel goed Syrië kunnen zijn, mogelijkerwijs in een verbond met andere Arabische staten [het is heel opmerkelijk, dat tussen Syrië en Irak momenteel een haast dodelijke haat bestaat. Dat is ook de reden, waarom Syrië in de golfoorlog heeft gevochten tegen Irak, aan de kant van de geallieerde strijdkrachten. Syrië treedt sinds enkele jaren zeer tactisch op en jaagt naar een prioriteitsplek binnen de Arabische volkenbond]) ingrijpen in dit conflict, en wel middels een zeer heftige ingrijp, die hier wordt vergeleken met een overstromende stroom (vergelijk Jesaja 8:7,8; 10:22; Daniël 9:27), die alles neerwerpt. Deze ingrijp zal komen zowel vanuit land zowel als vanuit de zee. Deze stroom zal vervolgens niet alleen Palestina overvloeien, dat hier het “land der sieraad” wordt genoemd, maar ook doordringen tot in andere landen. De koning van het Noorden zal in deze laatste strijden dus een dominerende rol spelen.

Drie landen zullen zeker kunnen ontkomen aan de veroveringswoede van deze koning: Edom, Moab en een deel van Ammon. Deze drie landen bevinden zich in het gebied van het huidige Jordanië. Of dat het gebied is, waar God het overblijfsel zal bewaren voor de dreigende ondergang? Het zou in ieder geval ook kunnen zijn, dat Edom de profetische naam Saoedi-Arabië is, maar daarover willen we niet speculeren.

Nadat de koning van het Noorden in Palestina is ingevallen en het land als het ware met de bodem gelijk gemaakt heeft, zal hij verder trekken en ook Egypte in zijn macht krijgen. Bij deze veroveringstocht zal de koning van het Noorden gesteund worden door Libië en Ethiopië, twee landen in Noord- resp. Noord-Oost-Afrika. Maar plotseling zullen hem tijdens deze veroveringstocht berichten uit het “Oosten en het Noorden” bereiken die hem zeer zullen verschrikken.

Voordat we echter de vraag onderzoeken, wat dat voor berichten zijn, sluiten we de overdenking van dit kleine gedeelte uit Daniël 11 voorlopig af: de koning van het Noorden onderbreekt zijn zegetocht in Egypte en trekt zich snuivend van woede terug, om velen te verdelgen en te verbannen. Maar voordat hij overgaat tot een nieuw ingrijpen, slaat hij de tenten van zijn paleis tussen de zeeën (dat is de Middellandse Zee) en de berg van het heilig sieraad (waarop Jeruzalem is gebouwd) op. Hij zal zich niet ver van Jeruzalem vestigen, uiteraard met het doel, Jeruzalem opnieuw aanvallen, dat hij slechts gedeeltelijk had ingenomen (vergelijk Zacharia 14:2), om het voorgoed te verdelgen. Maar plotseling zal hij aan zijn einde komen, zonder dat iemand hem daarbij ter hulpe komt.

Vervolgens willen we graag nog kort een keer naar de “komende vorst” kijken, van wie we in Daniël 9:27 gelezen hebben en wie Johannes in Openbaring 13:1-8 het dier noemt.

Het dier – of: een “verenigd Europa”

“En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering. En het beest dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. En [ik zag] één van zijn koppen als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wond werd grenzen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna. En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest gezag gegeven had, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog voeren? En hem werd een mond gegeven, die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd macht gegeven om handelend op te treden, tweeënveertig maanden. En het opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen. En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, [een ieder] wiens naam, van de grondlegging der wereld af, niet geschreven staat in het boek des levens van het Lam dat geslacht is” (Openbaring 13:1-8).

Johannes staat op het zand van de zee en ziet een dier uit het water opstijgen. De zee is in het Woord van God een beeld van onrustige volkeren (vergelijk Psalm 65:7; Jesaja 17:12,13; Ezechiël 26:3; Lukas 21:25,26; Openbaring 17:15). In Openbaring 11:7 staat er over dit dier, dat het uit de afgrond stijgt: het heeft een satanische oorsprong.

Dit dier heeft tien horens, een beeld van tien koningen, die in de eindfase samen met het dier macht zullen ontvangen (Openbaring 17:12,14). Daarachter staat satan, hier de draak genoemd, die dit dier ongekende macht geeft. Bovendien heeft dit dier zeven koppen, wat wijst op een buitengewone intelligentie. Deze geweldige heerser zal zijn macht, zijn verstandelijke vaardigheden en occulte krachten met name ervoor gebruiken, God te lasteren en vele mensen te mee te sleuren in de afval van God; hij zal hen op brutale wijze daartoe dwingen.

Het dier verenigt de kentekenen van drie dieren in zich: hij is een luipaard gelijk, heeft poten als die van een beer en een muil als de muil van een leeuw. Zeker hebben deze symbolen een samenhang met de vier dieren, die Daniël gezien en beschreven heeft (Daniël 7). De dieren daar zijn beelden van vier na elkaar komende wereldrijken: Babylonië, Meden-Perzië, Griekenland en het Romeinse rijk. Bij het laatste dier in Daniël worden weliswaar niet de koppen vermeld, maar wel de tien horens.

Johannes ziet een van de koppen als tot de dood gewond, maar tot ieders verwondering wordt die genezen. Dat heeft tot gevolg, dat grote mensenmassa’s draakaanbidders en aanbidders van het dier worden.

Dit dier is niet alleen het beeld van een rijk, maar vooral van de persoon, die de macht over deze rijken zal hebben. Het gaat om de heerser over een gebied, dat ontspringt ongeveer in het vroegere (West-)Romeinse rijk. Wat kan dat anders zijn dan een “verenigd Europa”, dat in de eindfase zal bestaan uit tien koningen? [Ik twijfel er niet aan, dat de Europese gemeenschap de voorloper van dit verenigd Europa is. Het is te vroeg om precies te zeggen, welke landen daar tenslotte bij behoren en waar de grenzen zullen lopen, wanneer het om ongeveer het West-Romeinse gebied gaat, waarbij zeker uit Daniël 11 duidelijk is, dat Syrië en Egypte daar in ieder geval niet bij zullen horen. Dit rijk zal het verstandelijke erfdeel van het Romeinse rijk overnemen. Uit Openbaring 17:9 weten we, dat de zeven koppen wijzen op de zevenheuvelstad Rome, de hoofdstad van het Romeinse rijk.]

Het wordt het dier toegestaan, 42 maanden ongehinderd te werk te gaan. Dat is weer het tijdperk van de grote verdrukking. Het dier zal in deze tijd oorlog voeren tegen de heiligen. Vele van hen, die in deze tijd trouw blijven aan God, zullen dat met het leven moeten bekopen. God staat het het dier toe, dat het vele van de heiligen overwint, dat is hen doodt. Deze heiligen zullen echter aan het begin van het Duizendjarig Vrederijk opstaan (Openbaring 20:4; zie verderop in deze artikelen).

Europa zal zonder twijfel tegen het tijdstip van zijn vereniging de sterkste macht op aarde zijn, want het heeft vandaag een aandeel van ongeveer 40% in de wereldhandel1 en is daarmee het belangrijkste economische blok van de aarde en dan, na zijn vereniging, ook de belangrijkste politieke machtsproductie.

We zullen zeker zien, hoe dit na zijn aaneensluiting zo machtige rijk tenslotte in opstand komt tegen God, tegen de Heer Jezus zelf zal vechten. Precies dat is het thema van Psalm 2. Het is de moeite waard, deze Psalm nu te lezen. Hij is buitengewoon levend, als men let op de verschillende sprekers of groepen:

Vers 1-2: De psalmist opent de psalm met de woorden: “Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen de Heer, en tegen Zijn Gezalfde”.

Vers 3: Nu citeert de psalmist deze samenzweerder: “Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen”

Vers 4-5: De psalmist beschrijft de reactie van God daarop: “Die in de hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken”.

Vers 6: Nu spreekt God Zelf over zijn raadsbesluit over de Messias: “Ik heb toch Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid”.

Vers 7-9: De Messias komt aan het woord en spreekt over dat, wat God tot Hem gezegd heeft: “De Heer heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde Uw bezitting. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat”.

Vers 10-12: Tenslotte roept de psalmist de koningen op, zich gewillig te onderwerpen aan de Heerschappij van Christus: “Nu dan, gij koningen, handelt verstandig; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Dient de Heer met vreze, en verheugt u met beving. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen”.

(Wordt D.V. vervolgd)

NOOT:
1. Dat wil zeggen in de jaren ’90 van de vorige eeuw.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM