5 jaar geleden

De eeuwige verdoemenis

… of is er toch een tijdelijke begrenzing van de ‘eeuwige’ verdoemenis?

Sleutelvers: Johannes 3:36

Johannes 3 vers 36: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem”. {HSV}

De laatste tijd heb ik veel nagedacht over het laatste vers van Johannes 3. Het lijkt mij een zeer krachtige reactie op twee van de meest vooraanstaande dwalingen in onze dagen – namelijk de algemene verzoening en algemene vernietiging – te geven. “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem”.

De loochenaars van de eeuwige verdoemenis zijn, zoals we weten, in twee groepen te delen die op essentiële punten van hun leer van elkaar verschillen. Sommige belijden het geloof dat uiteindelijk alles zal worden hersteld en in een staat van eeuwige gelukzaligheid gebracht wordt. Dit zijn zij die de algemene verzoening voorstaan. De anderen zijn van mening dat bij al degenen die sterven zonder Christus, beide ziel en lichaam worden vernietigd. Met hen is het dan volledig afgelopen; ze komen om als een dier.

Ik denk dat u het met mij eens bent, dat Johannes 3 vers 36 deze twee noodlottige fouten volledig weerlegt. Zij die de algemene verzoening voorstaan worden met grondige en overtuigende verklaringen geconfronteerd, dat de ongelovigen “het leven niet zien” zullen. Het zet de mening volledig opzij, dat alle mensen gered worden en eeuwig gered worden. Degenen die weigeren om de Zoon te geloven, zullen sterven in hun zonden en het leven nooit zien.

Maar als dat alles zou zijn, kon hij die in de algemene vernietiging gelooft, zeggen: “Zo is het precies, dat is wat ik geloof. Alleen zij die in de Zoon geloven, zullen eeuwig leven. Eeuwig leven is uitsluitend in de Zoon; en daaruit volgt dat allen die buiten Christus sterven, omkomen. Zowel ziel en lichaam moeten te gronde gaan”.

“Zo is het niet,” zegt de Schrift. Het is werkelijk waar dat zij het leven niet zien zullen. Maar – wat een verschrikkelijk feit! – “De toorn van God blijft op hem”. Deze zin biedt zonder twijfel een soepele weerlegging van de leer van de totale vernietiging. Wanneer de toorn van God op de ongelovigen blijven zal, dan is het totaal onmogelijk dat deze eerst genoemden hun bestaan ​​zouden kunnen verliezen. Algemene vernietiging en blijvende toorn zijn onverenigbaar. We hebben maar twee opties: ofwel we wissen het woord “blijft” uit het geïnspireerde hoofdstuk of geven de voorstelling van een algemene vernietiging geheel op. Het is onmogelijk om beide vast te houden.

Ik doel hierbij natuurlijk alleen op deze ene passage van de heilige Schrift. Het is op zichzelf volledig voldoende om het hele probleem van de ernstige vraag van de eeuwige verdoemenis van iedere ziel, die zich voor de stem van God buigt, op te lossen. Maar dat is het punt juist. De mensen willen zich niet aan de leer en het gezag van de heilige Schrift onderwerpen. Zij matigen zich aan, welk doen van God waardig is en welk niet. Zij beelden zich in dat de mensen in zonde, in dwaasheid, in opstand tegen God en de verwerping van Zijn Christus kunnen leven zonder daarvoor te worden gestraft. Ze matigen zich aan om vast te stellen, dat het niet past bij hun idee van God, als Hij zoiets als eeuwige verdoemenis toelaat. Ze veronderstellen bij de regeringswegen van God, iets wat bij elke menselijke regering als een zwakheid zou worden beschouwd, namelijk het onvermogen om misdadigers te straffen.

Het Woord van God echter staat tegenover hen. Het spreekt van een “vuur” dat niet uitgeblust wordt en van een “worm” dat niet sterft, (Mark. 9:48), van een grote “kloof” (Luk. 16:26) en van een blijvende “toorn”. Ik wil vragen: Wat betekenen deze woorden, naar het oordeel van ieder eerlijk, onpartijdig mens? Men zou kunnen zeggen dat dit beelden zijn. Dit zij toegegeven: dat het “vuur”, de “worm” en de “kloof” beelden zijn. Maar waarvan zijn zij beelden? Zijn het beelden van iets wat kortstondig is – van dingen die vroeg of laat een einde hebben moeten? Nee, maar van iets eeuwige! Als er iets eeuwig is, dan is het dit hier door God beschrevene.

Als we de eeuwige verdoemenis ontkennen, moeten we alles wat eeuwig is ontkennen, omdat in het Woord van God altijd hetzelfde woord wordt gebruikt om de voorstelling van een eindeloos voortduren uit te drukken. Er zijn ongeveer zeventig plaatsen in het Griekse Nieuwe Testament waar het woord voor “eeuwig” voorkomt. Het verwijst onder andere naar het leven dat de gelovigen bezitten, alsook naar de straf van de goddelozen (Matth. 25:46). Dus op welke basis zou iemand durven beweren, in de zes of zeven plaatsen die spreken van de straf van de goddelozen, dat het woord eeuwig niet de betekenis van altijd voortduren heeft, maar alleen in de overige? Ik moet bekennen dat ik deze vraag niet kan beantwoorden. Wanneer de Heilige Geest of de Heer Jezus Christus Zelf het goed heeft gedacht, om in verband met de straf van de goddelozen een ander woord te gebruiken dan voor het leven van de gelovige, dan zou ik voldoende grond hebben om met een bezwaar in te stemmen.

Maar nee, steevast wordt hetzelfde woord gebruikt voor dat wat, zoals iedereen weet, eindeloos is. Dus niets is eindeloos, als de straf van de goddelozen niet eindeloos is. Bijgevolg moet men op het moment stoppen met de straf, ( want die is niet eindeloos ) en komt men ten laatste zelfs tot ontkenning van het bestaan ​​van God. ( Hij bestaat dus ook niet eindeloos )

In feite moet ik aannemen dat hier de ware oorzaak van het hele probleem ligt. De boze vijand wil zich ontdoen van het Woord van God, van de Geest van God, van de Christus van God en van God Zelf. En bedrieglijk begint hij het naïeve einde van zijn noodlottig leugenweefsel te introduceren, door de eeuwige straf te ontkennen. Als deze gedachten eenmaal ingang gevonden hebben, heeft de ziel de eerste stap gezet op de glibberige helling die naar beneden leidt, die naar de duistere afgrond van van het atheïsme voert.

Dit kan scherp zijn,en  extreem hard aankomen, maar het is mijn diepe en vaste overtuiging. Ik voel me uitermate zeer ernstig doordrongen van de noodzaak, om al onze jonge vrienden te waarschuwen voor het gevaar van het toestaan ​​van zelfs de schaduw van een vraag of twijfel over de waarheid, die door God vastgesteld is over de eeuwige straf van de goddelozen in de hel, en dit in hun gedachten toe te laten. De ongelovige kan niet hersteld worden omdat de Bijbel zegt, dat Hij “het leven niet zien zal”. Evenmin kan hij vernietigd worden, omdat de Bijbel zegt: “De toorn van God blijft op hem”.

Hoeveel beter en wijzer en veiliger zou het voor onze medemensen zijn, om de komende toorn te ontvluchten, in plaats van Zijn komst – of, als Hij komt, zijn eeuwig bestaan – te ontkennen.

© SoundWords, C.H. Mackintosh

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol