8 maanden geleden

De eerste wonderbare visvangst

Bijbelgedeelte: Lukas 5 vers 1-11

De Heer Jezus onderwees de menigte bij het meer van Galiléa, eerst vanaf de oever en daarna vanaf het schip van Simon Petrus. Nadat Hij Zijn onderricht had voltooid, verrichtte Hij een wonder: Petrus en zijn metgezellen mochten een machtige visvangst doen. Petrus volgde de Heer Jezus en liet alles achter. Maar Petrus was hierin niet de enige. De “parallel-verslagen” in Mattheüs en Markus laten zien, dat Andreas, de broer van Petrus, evenals Jakobus en Johannes, ook alles achterlieten om de Heer volledig te dienen (Matth. 4:18-22; Mark. 1:16-20).

Lukas concentreert zich in zijn verslag echter op Petrus – hoewel hij zich niet bezighoudt met het beschrijven van zijn bekering. Want Simon Petrus kende de Heer al en had van Hem een nieuwe naam gekregen (Joh. 1:42). En is het niet opvallend dat Simon in onze tekst “Petrus” wordt genoemd, precies op het moment dat hij zijn zondige toestand belijdt (Luk. 5:8)? Het was de belijdenis van een man die al wedergeboren was. Daarbij past dat Simon Petrus gewillig het schip ter beschikking stelde van de Heer en zijn Meester trouw gehoorzaamde naar Zijn Woord, ook al bevreemde Zijn bevel Petrus aanvankelijk.

Lukas 5 gaat dus niet over bekering, maar over een oproep tot discipelschap en dienstbaarheid. Korte tijd later werd Petrus door de Heer gekozen als één van de twaalf apostelen (Luk. 6:12-16).

De prediking van het Woord

De Heer Jezus stond aan de oever van het meer van Galiléa en predikte het Woord van God (Luk. 5:1). Daarin is Hij een voorbeeld voor ons, want het geldt ook voor christenen vandaag: “Predik het Woord” (2 Tim. 4:2).

Vlakbij lagen twee schepen aan de oever van het meer (Luk. 5:2). Eén van deze schepen was van Simon Petrus en zijn broer Andreas, het andere schip was van de broers Jakobus en Johannes. De vissers stonden naast hun boten en waren bezig met een frustrerende bezigheid: ze waren hun netten aan het wassen, waarmee ze de afgelopen nacht geen enkele vis hadden gevangen.

Omdat de toehoorders zich om de Heer verdrongen, stapte Hij in het schip, dat van Simon was. Hij vroeg Simon een eindje van de kust af te gaan varen om vanaf het schip te kunnen prediken (Luk. 5:3). De menigte kon Hem zo beter verstaan en bovendien kreeg de Heer de gelegenheid om te gaan zitten. Maar dat niet alleen: Simon Petrus, die zojuist nog met de netten bezig was geweest, moest zich nu helemaal concentreren op het Woord van God.

De Heer wil, dat ook wij opmerkzaam zijn als Hij ons iets te zeggen heeft. Om dat te bereiken worden we soms gedwongen – bijvoorbeeld door ziekte – om ons werk opzij te zetten. Onze handen moeten rusten en onze oren moeten openstaan voor Zijn Woord.

Petrus voldeed zonder een woord te zeggen aan het verzoek van de Heer om met het schip uit te varen (Luk. 5:3). Voor Petrus was het duidelijk: als ik van de Heer ben, dan zijn al mijn bezittingen ook van de Heer!

Vaar uit!

Nadat de Heer Zijn onderwijs had voltooid, zei Hij tegen Simon dat hij naar dieper water moest gaan en daar de netten moest uitwerpen (Luk. 5:4). Deze inspanning zou niet tevergeefs zijn, want de Meester beloofde een “vangst.”

Wat de Heer zei klonk – menselijk gesproken – niet erg veelbelovend. Waarom zouden ze nu naar de diepte uit varen? Hoe moesten ze daar vis vangen met hun eenvoudige netten die in het daglicht ver onder hen zwommen? Bovendien hadden verschillende ervaren vissers het de hele nacht zonder succes geprobeerd. Petrus spreekt openlijk zijn twijfels uit1, maar haast zich eraan toe te voegen: “… op uw woord echter zal ik de netten uitwerpen” (Luk. 5:5).

Petrus vertrouwde niet op zijn gevoelens, op zijn ervaring en op zijn verstand. Anders had hij misschien gezegd: “Ik ben te moe, ik heb de hele nacht gewerkt, ik kan niet verder.” Of: “Vissen op diepe plaatsen overdag is op grond van ervaring hopeloos.” Of: “Bij het vissen kun je de raad van een timmerman niet opvolgen.” Nee, zo sprak Petrus niet. Bij hem was geloof actief, gebaseerd op Gods Woord. Hij vertrouwde op de Heer met heel zijn hart (Spr. 3:5); en daarom gehoorzaamde Simon, vermoeid en afgemat, zijn meester2 en liet, samen met anderen, de pas gewassen netten weer in het water zakken.

Ook wij staan soms met hangende hoofden bij onze “lege netten” en denken, dat het werk van het evangelie geen zin meer heeft. Alle inspanning lijkt tevergeefs. Maar als Hij ons stuurt om te werken, misschien op een ongebruikelijke plaats, willen we het dan niet toch “wagen”? En we weten allemaal: wat we met Hem doen, kan niet tevergeefs zijn.

De geweldige vangst

De dieren gehoorzaamden de Zoon des mensen en zwommen massaal in de netten van de gehoorzame vissers (Luk. 5:6). Door de grote hoeveelheid vis scheurden de netten en Petrus riep zijn metgezellen op het andere schip om hulp (Luk. 5:7). In beide schepen werd zoveel vis geladen, dat ze dreigden te zinken.

De gescheurde netten en de boten die slingeren onder de kostbare lading maken het duidelijk: Gods zegen is zo geweldig, dat we dit niet kunnen bevatten. Zijn zegen wordt alleen beperkt door het aantal en de grootte van onze “schepen” (verg. 2 Kon. 4:6).

Jezus Christus had dit wonder van de visvangst in Zijn macht bewerkt. Maar Hij koppelde het wonder aan de uitgeworpen netten van de discipelen. De vissen kwamen niet aan land zwemmen en ze sprongen niet in de boot. Dit laat een belangrijk principe zien: ook al hangt alles af van Christus en Zijn werk, het neemt onze verantwoordelijkheid niet weg. De Heer wil graag zijn zegen op onze inspanningen leggen. Maar als we niet werken, zal er ook “niets te halen zijn.”

Petrus leerde hier ook, dat de Heer Zich niets laat schenken. Hij, die Jezus zijn boot had geleend, mocht een grote vangst doen. Simon Petrus ervoer de waarheid van de woorden: “Geeft en u zal worden gegeven; een goede, ingedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven” (Luk. 6:38).

Petrus erkent zijn zondigheid

Petrus bekommerde zich echter niet om de grote vangst of om zijn schip. Want hij was gebonden en doodsbang door de geweldige macht die zijn Meester had laten zien! Zijn metgezellen voelden hetzelfde (Luk. 5:9). De mensen van Kapernaüm waren enige tijd eerder ook verbaasd geweest toen Christus een demon had uitgedreven (Luk. 4:36). Maar alleen Petrus viel voor de Heer neer3 en zei: “Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer.”

Wat Petrus deed lijkt bijna tegenstrijdig: hij viel recht voor Jezus neer en zocht zó Zijn nabijheid, en tegelijkertijd vroeg hij Hem om weg te gaan. Hij wilde zeker niet van Jezus gescheiden worden, maar hij drukt zijn gevoelens openlijk uit: “Ik, de zondige mens, pas niet in de aanwezigheid van de Heilige.” Hij voelde zich onwaardig om in hetzelfde schip te zitten als de Zoon van God.

Maar, kun je je afvragen, waarom werd hij zich juist nu zo sterk bewust van zijn zondigheid? Omdat hij de heerlijkheid van de Meester in het wonder zag – en dat maakte hem duidelijk hoe weinig hij met die heerlijkheid overeenkwam.

Laten we opmerken, dat Petrus niet bezig is met wat hij gedaan heeft, maar met wat hij is. Hij sprak niet over zijn daden, maar over zijn toestand. Zo zei ook “de verloren zoon”niet alleen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,” maar voegde eraan toe: “Ik ben niet meer waard uw zoon te heten” (Luk. 15:18-19). Hij voelde zich als persoon ongeschikt voor het huis van zijn goede Vader.

Net als Petrus is het ook Job gegaan. Toen hij van God hoorde, stortte hij niet in, maar toen zijn oog Hem “zag,” verachtte hij zichzelf (Job 42:5,6). En toen Jesaja de Heer zag, zei hij: “Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien” (Jes. 6:5). Onmiddellijk na deze woorden, waarin Jesaja zijn zondige toestand toegaf, werd hij uitgezonden om te dienen (Jes. 6:9).

Het is goed om de verdorvenheid van de zondige natuur te leren kennen door het licht van Gods heerlijkheid. Je kunt deze les ook op een andere manier leren: door je eigen falen. Later zou Petrus deze pijnlijke weg bewandelen. Hoe dan ook, we moeten onthouden, dat het vlees geen nut heeft, anders kan de Heer ons niet gebruiken in Zijn dienst.

Petrus werd geroepen om een visser van mensen te zijn

Petrus, die berouwvol zichzelf voor de Heer had geworpen, kreeg een heerlijk woord van bemoediging en roeping: “Wees niet bang, van nu af aan zul je mensen vangen” (Luk. 5:10). Petrus had niets te vrezen. De Heer kende hem door en door. In Zijn liefde wilde Hij hem gebruiken voor een grote taak: Mensen vangen. Petrus moest dit werk doen in afhankelijkheid, in nederigheid en in vertrouwen op de macht van zijn Meester. De zegen zou niet uitblijven, zoals de wonderbaarlijke visreis had geleerd.

Als de Heer spreekt over “mensen vangen”, sluit Hij aan bij het beroep van Simon. En Simon wist, dat hij op twee manieren vis kon vangen: met de hengel de enkele vis, zoals in Mattheüs 17 vers 27, of met het net vele vissen. In overdrachtelijke zin gebruikte Petrus de hengel in Handelingen 10 toen hij moeite deed om Cornelius te vangen. Hij gebruikte het net in Handelingen 2 toen hij in het openbaar predikte en 3000 mensen zich bekeerden. Bij het “visvangstwerk” zijn vooral geduld en volharding nodig, terwijl bij het “nettenvangstwerk” energie en ijver op de voorgrond staan. Een groot verschil tussen vissen op vis en vissen op mensen is, dat vissen van leven naar dood gaan, terwijl mensen van dood naar leven worden geleid.

Hoewel de netten gescheurd waren en de boten diep in het water lagen, kon de vangst veilig worden gesteld (Luk. 5:11). Maar de vier discipelen Petrus, Andréas, Jakobus en Johannes lieten de waarschijnlijk beste vangst van hun leven aan anderen over. Juist na dit succes lieten ze alles achter, waarmee ze blijk gaven van grote toewijding aan de Heer die ze volgden.4

We lezen in Lukas niet dat de Heer hen opriep om Hem te volgen (verg. met Mark. 1:18-20). Lukas benadrukt met zijn beschrijving van de dingen, dat het volgen van een discipel het logische gevolg was, nadat ze de Heer op deze manier meegemaakt hadden. Voor deze Meester moet men alles verlaten!

Moeten wij ook alles achterlaten om de Heer te kunnen dienen? Letterlijk zal dit waarschijnlijk nauwelijks nodig zijn. Vaak is het al genoeg om dingen in ons hart achter te laten. Maar we moeten zeker alles opgeven wat ons hindert op de weg van discipelschap.

Samenvatting

We leren van deze gebeurtenis, dat we in geloofsgehoorzaamheid mensen kunnen gaan “vangen” en kunnen rekenen op de zegen van de Meester. Bovendien merken we, dat de Heer ons tot een diepere kennis van God wil brengen, die ons ook tot juiste zelfkennis zal leiden. Dit is een belangrijke voorwaarde voor de dienst. Bovenal moet de Heer in Zijn heerlijkheid hoog voor onze ogen staan. Dat geeft ons kracht om iets voor Hem op te geven, Hem na te volgen en moedig onze dienst te doen naar Zijn gedachten.

 

NOTEN:
1. Ananias, die op het eerste gezicht de onbegrijpelijke opdracht kreeg om naar Saulus van Tarsus te gaan, sprak ook openlijk met de Heer over zijn twijfels – en ging toen toch (Hand. 9:11-17).
2. Petrus nam Christus niet alleen aan als Leraar, maar sprak Hem ook aan als Meester. Een meester is degene die de leiding heeft en weet hoe dingen gedaan worden. De term “Meester” komt in totaal zeven keer voor in de Bijbel, waarvan zes keer in het evangelie van Lukas (Matth. 23:10; Luk. 8:24,45; 9:33,49; 17:13).
3. Hij viel neer aan Jezus’ knieën en niet aan Zijn voeten, zoals we wel vaker zien. Dit kan zijn omdat de bodem van de boot bedekt was met vis.
4. Het is de wijze van de Heer om ijverige en goede werkers in Zijn werk te plaatsen. Mozes en David werden geroepen toen ze schapen hoedden, en Elisa kreeg de profetische mantel, terwijl hij met twaalf span runderen voor zich uit aan het ploegen was (1 Kon. 19:19).

 

Gerrit Setzer; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 01.10.2016.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW