3 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (44)

Handelingen 23 vers 12-35

Vers 12-35

Naast het werk van de Heer zien we het optreden van de mens, onder de macht van satan. Meer dan veertig Joden spanden samen om niet te eten of te drinken totdat ze Paulus hadden gedood. Om dit misdadige plan uit te voeren, maakten zij de overpriesters en de oudsten tot vertrouwelingen, en vroegen hen de overste ertoe te bewegen om Paulus bij hen te laten brengen alsof u zijn zaken nauwkeuriger tot beslissing wilt brengen. “… en wij staan, voordat hij bij u aankomt, gereed hem te doden,” voegden ze eraan toe. God zorgde ervoor dat de apostel via een neef van dit complot hoorde en hij stuurde hem naar de overste. Hij ontving de jongeman en beval onmiddellijk dat tweehonderd soldaten, zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers, alsmede rijdieren gereed zouden worden gemaakt om Paulus op het derde uur van de nacht naar Caesaréa te brengen. Hij schreef een brief aan Felix, de stadhouder, en vertelde hem waarom hij deze gevangene naar hem had gestuurd; hij had hem ontrukt aan de woede van de Joden, maar had niets in hem gevonden, dat de dood of de boeien waard zou zijn; het ging alleen om twistvragen van hun wet.

Het is interessant op te merken dat God de hand had in alles wat Paulus aanging. De situatie waarin het getuigenis, en in het bijzonder de apostel Paulus, zich bevond, was niet meer dezelfde als in het begin, toen God nog met macht ingreep: Petrus werd door een engel uit de hand van Herodes bevrijd in de nacht vóór de geplande executie (Hand. 12); in Filippi werden de fundamenten van de gevangenis geschud, de deuren geopend en de boeien van de gevangenen losgemaakt (Hand. 16). Hier is alles meer indirect: God is verborgen achter het toneel, maar Zijn hand leidt niettemin alle omstandigheden op Goddelijke wijze ten gunste van Zijn dienaar en Zijn werk. Dezelfde kracht en liefde waren nog steeds actief, maar meer indirect. De kundigheid van Paulus in het veroorzaken van onenigheid in de Raad was er de oorzaak van, dat de apostel in veiligheid werd gebracht. God zorgde ervoor, dat de neef van Paulus van de samenzwering hoorde, zijn oom mocht bezoeken, door de overste vaderlijk werd ontvangen en bij de hand werd genomen. Hij die in staat is de harten van koningen te leiden als waterstromen naar alles wat Hem behaagt, deed de leider alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen nemen om Paulus aan de woede van de Joden te ontrukken. Hij had een heel leger bijeengebracht om hem naar Caesaréa te begeleiden. Gods genade is geweldig! Voor ons vandaag, die in een staat van grote en door onszelf veroorzaakte zwakheid verkeren, is het interessant om zulke dingen op te merken. Als God door onze zwakheid niet meer rechtstreeks ingrijpt ten gunste van de Zijnen en Zijn getuigenis, regeert Hij niettemin over allen en leidt Hij alles wat hen aangaat met dezelfde onveranderlijke liefde.

Hoofdstuk 24

Handelingen 24 vers 1-27

Vers 1-21

“Na vijf dagen nu kwam de hogepriester Ananias met enige oudsten en een redenaar, een zekere Tertullus, die bij de stadhouder een aanklacht indienden tegen Paulus.” De mens probeert de waarheid te vervalsen door mooie toespraken en vleit de toehoorders als hij een vuile zaak door het slijk wil halen. Daarom stelden de Joden de redenaar Tertullus voorop. Maar het lijkt erop dat Felix niet erg vatbaar was voor vleierij en de beschuldiging van de Joden kon hem niet overtuigen; hij kende hun gevoelens ten opzichte van de Romeinen. Het eenvoudige en duidelijke getuigenis van Paulus maakte meer indruk op hem.

Zij schilderden Paulus af als een pest, als een man die onrust veroorzaakte onder alle Joden die op de aarde zijn. Hij was een leider van de sekte van de Nazoreeërs en heeft geprobeerd de tempel te ontheiligen. Van al deze aanklachten was het waarschijnlijk alleen het aanzetten van het volk tot oproer, dat de stadhouder kon interesseren. De rest, zoals Claudius Lysias zei, waren voor hem slechts “twistvragen van hun wet.” Paulus deed op de dag, toen de Joden de hand aan hem sloegen, niets verkeerd. De bewering dat hij heidenen in de tempel had gebracht, was onjuist; de Joden hadden deze conclusie getrokken omdat zij Trofimus met hem in de stad hadden gezien.

Na de beschuldiging van de Joden gehoord te hebben, wenkte de stadhouder Paulus om te spreken. Felix was enigszins vertrouwd met Joodse gebruiken, zodat Paulus zich in alle openheid voor hem kon verdedigen met betrekking tot de wet en de profeten. Hij beperkte zich tot de feiten die tot zijn arrestatie hadden geleid. Het was Felix bekend dat er nauwelijks twaalf dagen waren verstreken, sinds Paulus naar Jeruzalem was gegaan om te aanbidden. De Joden konden hem hierom niets verwijten. Anderzijds was het niet in overeenstemming met wat de Heer over aanbidding had gezegd tegen de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:21-23). Zijn gedrag in de tempel gaf echter geen aanleiding tot een terechte beschuldiging; wat zij tegen hem inbrachten was ongegrond.

Wanneer het om de weg ging, die zij een sekte noemden, was de apostel bereid de nodige uitleg te geven. Hij zei: “Dit echter beken ik u, dat ik naar de Weg die zij een sekte noemen, zo de God van de vaderen dien, terwijl ik alles geloof wat volgens de wet en in de profeten geschreven staat en hoop op God heb – welke [hoop] zij ook zelf verwachten – dat er een opstanding zal zijn zowel van rechtvaardigen als van onrechtvaardigen.” Het grote onderwerp van de wet en de profeten is Christus; door Hem zullen alle beloften van God aan Zijn aardse volk worden vervuld. Voor dit doel was de Christus verschenen, maar Hij werd verworpen. Als gevolg van deze verwerping werd het christendom ingevoerd, in wiens zegeningen ook mensen uit de volkeren delen. Maar juist dit feit wekte de hartstochtelijke haat van de Joden tegen Paulus en de christenen. Zij noemden hen “Nazoreeërs,” zoals hun Meester, en hadden dezelfde minachting voor hen als voor hun Heer, over wie men had gevraagd: “Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. 1:46-47).

Paulus zei over de Joden dat het ook hun hoop op God was, dat er een opstanding zal zijn zowel van de rechtvaardigen als van de onrechtvaardigen. Ook al is de Messias verworpen, de beloften zullen worden vervuld in de opstanding van het volk en in de lichamelijke opstanding, zoals de profeten het onder andere in de volgende passages hebben voorspeld:

  • Met betrekking tot de opstanding van het volk – Jesaja 26 vers 19; Ezechiël 37; Daniël 12 vers 2,3; Hosea 6 vers 1-3.
  • Met betrekking tot de opstanding van het lichaam – Jesaja 25 vers 8; Hosea 13 vers 14;

evenals al het onderwijs van het Nieuwe Testament over dit feit. Maar vanuit welk gezichtspunt men ook naar de opstanding kijkt – daar zullen de onrechtvaardigen hun deel vinden in het oordeel van God. Deze waarheid moest het geweten van de toehoorders van de apostel raken, vooral van hen die – naar zijn woorden – deze hoop beleden: “… hoop op God … welke hoop zij ook zelf verwachten.” Maar als ze dezelfde hoop hadden als de apostel, waarom wilden ze hem dan doden? Voor de apostel was deze hoop een van de christelijke waarheden.

Omdat er een opstanding is van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen, tracht de apostel “altijd een onergerlijk1 geweten te hebben tegenover God en de mensen.” Het herhaalde gebruik van het woord “ook” door de apostel (vs. 15,16) geeft aan dat hij, ondanks hun droevige toestand, de Joden nog steeds in hun voorrechten en verantwoordelijkheden beschouwde: ook zij koesterden hoop op God en ook zij moesten voor zichzelf de noodzaak van een goed geweten erkennen, aangezien zij geloofden in een opstanding van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen. Aangezien zij het Jodendom beleden, had dit hun innerlijke houding moeten zijn. De apostel zei later: “En nu sta ik terecht wegens [de] hoop van de belofte door God aan onze vaderen gedaan, waartoe onze twaalf stammen, terwijl zij vurig nacht en dag [God] dienen, hopen te komen” (Hand. 26:6,7).

Nu presenteerde Paulus de feiten zoals ze werkelijk waren gebeurd (vs. 17-21). “Na vele jaren nu kwam ik om aalmoezen aan mijn volk en offeranden te brengen,” zei hij. Na zijn bediening onder de volkeren was hij gekomen om de offers van de gemeenten in Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te brengen (zie 2 Kor. 8 en 9; Rom. 15:25-33). In de woorden van het 17e vers lijkt hij de gemeente bij het volk, tot wie hij was gekomen om aalmoezen en offers te brengen, in te sluiten. Hij verwijst hier naar de gebeurtenissen beschreven in het 21e hoofdstuk, waar de Joden uit Azië de menigte tegen hem ophitsten, hoewel hij zich rustig had gehouden en geen aanleiding had gegeven tot oproer of tumult. Die Joden hadden hier aanwezig moeten zijn om hem te beschuldigen als ze die dag enig onrecht in hem hadden gevonden. Hij betreurde alleen de uitroep: “Vanwege de opstanding van de doden word ik vandaag door u veroordeeld.” De apostel voelde goed aan, dat hij zijn toevlucht niet tot dit middel had moeten nemen om tweedracht te zaaien onder de verzamelden; maar dat was niet waar hij van beschuldigd werd.

Vers 22-27

Felix stelde de onderhandelingen uit tot de komst van Lysias, de chef. Felix bezat meer exacte kennis van de Weg, want zijn vrouw was een jodin, en het christendom maakte vorderingen onder de heidenen. Het lijkt erop, dat hij meer er over wilde horen van Paulus. Hij zag, dat er niets ernstigs was aan de dingen waarvan Paulus werd beschuldigd, en beval hem in hechtenis te nemen, maar tegelijkertijd enige vrijheden te genieten; niemand mocht worden geweigerd om hem te dienen (Caesarea was de woonplaats van Filippus de evangelist). De hand van de Heer was over het hele tafereel ten gunste van Zijn geliefde dienaar.

Een paar dagen later kwam Felix met Drusilla, zijn vrouw, en liet Paulus komen “en hoorde hem over het geloof in Christus <Jezus>.” Nu was de apostel niet meer in de aanwezigheid van de Joden, tegenover wie hij rekening moest houden met hun belijdenis van hun hoop op God en hun geweten moest aanspreken. Tot deze niet-Jood en zijn Joodse vrouw sprak hij over Christus en verkondigde hun de hele waarheid die hen ertoe kon brengen de Redder van de Joden en de volkeren te aan te nemen. Hij sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het toekomstige oordeel. Toen Felix dit hoorde, zei hij angstig: “Ga nu maar weg, als ik echter weer gelegenheid heb, zal ik u bij mij roepen.” Het is begrijpelijk, dat met het oog op de waarheid van praktische rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het toekomstige oordeel, de angst bij de gouverneur toesloeg. Dit waren allemaal dingen waar hij als heiden niet om had gegeven. Als Felix tot redding was aangespoord, zou hij zich hebben gehaast om meer te weten te komen, en had Paulus hem de genade van God kunnen aanbieden, die nodig was om de schuld van de zondaar uit te delgen. Maar in plaats daarvan wilde hij zijn geweten het zwijgen opleggen en zich verwijderen van het ongemakkelijke licht. Hij verwees Paulus naar een meer geschikte tijd, die waarschijnlijk nooit is gevonden.

De grens van het geduld van God, waarin Hij de mens waarschuwt en uitnodigt, kan op een dag overschreden worden. Hoeveel mensen gaan er niet verloren, omdat ze deze waarschuwingen niet ter harte nemen! En hoeveel christenen hebben een mislukt leven, omdat zij op een gegeven moment niet resoluut met deze of gene zonde hebben gebroken en een weg zijn ingeslagen die God niet met Zijn licht heeft verlicht!

Er is dus ook een tijd om onze voeten op de grond van de waarheid te zetten. Op een bepaald moment wordt ons het licht gegeven; als we het niet gebruiken, houdt het op met schijnen. Dit is wat er na de komst van de Heer met het hele christendom zal gebeuren.

Ondanks de angst die Felix bij zijn eerste ontmoeting met Paulus had aangegrepen, sprak hij vaak met hem; maar zijn geweten was gepantserd met geldzucht, zodat het niet door de waarheid kon worden getroffen. Toen hij de apostel liet komen, was dat alleen in de hoop om geld te krijgen. Hij wilde de gunst van de Joden winnen – waar hij zich niet om zou hebben bekommerd als Paulus hem geld zou hebben gegeven – en liet Paulus twee jaar in de gevangenis totdat Felix werd vervangen door Porcius Festus. Over deze twee jaar zegt het geïnspireerde verslag niets meer. Deze tijd was zeker nuttig voor de apostel; hij werd voorbereid op het getuigenis en de dienst in Rome.

 

NOOT:
1. Onergerlijk: eigenlijk ‘niet aanstootgevend, geen struikelblok vormend’. Het woord komt verder voor in Fil. 1:10 en 1 Kor. 10:32. 

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1961 – Bladzijde 232; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW