7 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (36)

Hoofdstuk 17

Vers 1-4

Paulus reisde verder door Amfipolis en Apollónia, maar liet zich daar niet tegenhouden en kwam aan in Thessalonika, waar een synagoge van de Joden was. In overeenstemming met de gedachten van de Heer richtte hij zich eerst tot de Joden en daarna tot de Grieken. “En volgens zijn gewoonte,” staat er, “ging Paulus bij hen binnen en drie sabbatten lang onderhield hij zich met1 hen uit de Schriften, terwijl hij uitlegde en aantoonde dat de Christus moest lijden en opstaan uit [de] doden, en dat Deze de Christus is, <deze> Jezus, die ik u verkondig.”

De Geest van God plaatst de Schriften op de voorgrond. Zij bevatten de totaliteit van de Goddelijke openbaringen en vormen samen een boek dat Goddelijk gezag heeft: het geschreven Woord van God. Wat een voorrecht dat wij het in deze wereld mogen bezitten! De “Schriften” zijn niet een selectie van geïnspireerde geschriften die wij in de Bijbel moeten zoeken; de verschillende delen ervan vormen, zonder enige uitzondering, de Schriften.

De Joden wisten dat de Schriften (van het Oude Testament) Christus aan hen verkondigden en de zegeningen die Zijn heerschappij hun zou brengen. Maar zij verwachtten, evenals eens de discipelen van de Heer, in Zijn persoon en in Zijn werk slechts de vervulling van de beloften betreffende de aardse heerlijkheid van hun volk. De Christus was gekomen, zoals de Schriften hadden aangekondigd, maar de Joden lieten Hem kruisigen, en juist Zijn dood en opstanding legden het fundament, waarop niet alleen Gods beloften aan Zijn aardse volk, maar ook Zijn raadsbesluiten betreffende de gemeente in vervulling konden gaan. Daarom legde de apostel hun uit, dat deze Jezus, Die in Bethlehem geboren was en die hij hun verkondigde, die door mensen gedood was, maar door God opgewekt, de Christus was, waarvan de Schriften spraken.

In onze dagen prediken velen Christus als een volmaakt mens en zij stellen Hem als een voorbeeld voor allen om na te volgen. Maar daarmee verzwijgen zij, dat Zijn dood nodig was om ons te redden en ons in staat te stellen Zijn navolgers te zijn. Maar dit is niet de Christus van de Schriften, die Hem voorstellen als dood, opgewekt en verheerlijkt.

De woorden van de apostel vonden meer weerklank bij de volkeren dan bij de Joden. Slechts enkelen van de Joden waren overtuigd, terwijl van de aanbiddende Grieken en van de meest vooraanstaande vrouwen, “niet weinigen” zich bij Paulus aansloten.

Vers 5-9

In Filippi gebruikte de duivel de heidenen om Paulus te weerstaan; maar hier stelden zich de Joden tegenover hem, die, zoals altijd, vol haat waren tegen het evangelie. Zij wilden zelf niets van de genade weten, maar konden het niet verdragen, dat de heidenen het evangelie aannamen. Zij begrepen, dat de heidenen daardoor in het bezit kwamen van voorrechten die zijzelf niet bezaten, en zij wilden niet geloven dat de heidenen op dezelfde grond zouden staan met betrekking tot de verlossing als zij. In zijn brief aan de Thessalonicenzen zegt Paulus: “… Ook behagen zij God niet en zijn tegen alle mensen, terwijl zij ons verhinderen tot de volken te spreken opdat zij behouden worden; zodat zij altijd [de maat van] hun zonden volmaken” (1 Thess. 2:15,16).

Hier brachten zij de stad in beroering door enkele mannen van het gepeupel op straat, en belegerden het huis van Jason, denkend daar Paulus en Silas aan te treffen. De Heer stond toe dat Paulus afwezig was, maar het volk sleepte Jason en enkele broeders voor de bestuurders van de stad en beschuldigde hem ervan mannen onderdak te verlenen die de wereld in beroering brachten.

In zekere zin was dit waar. Gods gedachten zijn altijd tegengesteld aan die van de mensen. Licht in duisternis brengen en waarheid op de plaats van Satans leugen kan alleen maar onrust veroorzaken. Wij vinden hiervan verschillende voorbeelden in het Woord: Achab zei eens tegen Elia: “Bent u degene die Israël in het ongeluk stort?” (1 Kon. 18:17). – De Heer onderwees de discipelen: “Denkt u dat Ik gekomen ben om vrede te geven op aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid” (Luk. 12:51-53). – Toen Herodes vernam dat de Koning van de Joden was geboren “werd hij ontsteld en heel Jeruzalem met hem” (Matth. 2:3). Zo reageert de wereld op het licht van God, dat tot haar is gekomen en in haar midden heeft geschenen. Deze toestand zal het altijd blijven kenmerken tot die tijd waarin de Heer Zijn koninkrijk in macht zal oprichten, Zijn vijanden zal neerleggen als een voetbank voor Zijn voeten, en de volken zal regeren met een ijzeren scepter.

Paulus en Silas, die waarschijnlijk over dit koningschap van Jezus hadden gesproken, werden ervan beschuldigd een andere koning te verkondigen in tegenstelling tot de keizer. God stond echter niet toe, dat deze onrust zich uitbreidde. Na ontvangst van een borgsom van Jason en de rest, werd Jason vrijgelaten. We hebben geen idee of dit identiek is met de Jason in Romeinen 16 vers 21, een familielid van Paulus.

Uit de eerste brief die Paulus aan deze christenen uit Athene schreef (1 Thess. 3:1-3), zien wij hoeveel waarheden hij hun had geleerd tijdens zijn korte verblijf bij hen, en welke wonderbaarlijke resultaten deze waarheden in hun wandel teweegbrachten. Hij had hun God voor de ogen van deze mensen gesteld, die tot dan toe afgodendienaars waren geweest, waarna zij zich volmondig tot de “levende en waarachtige God” bekeerden. Hij had hun Gods Woord,” het “evangelie van Christus” gepredikt en hun geleerd hoe zij God welgevallig konden zijn. Hun wandel werd gekenmerkt door werken van geloof, inspanningen van liefde en volharding van hoop in onze Heer Jezus Christus.

Uit de eerste brief die Paulus aan deze christenen uit Athene schreef (1 Thess. 3:1-3), blijkt hoeveel waarheden hij hun had geleerd tijdens zijn korte verblijf bij hen, en welke wonderbaarlijke resultaten deze waarheden in hun wandel teweegbrachten. Hij had God voor de ogen van dit volk gesteld, dat tot dan toe afgodendienaars was geweest, waarna zij zich van ganser harte tot de “levende en waarachtige God” bekeerden. Hij had hun “het Woord van God” gepredikt, het “evangelie van God” en hun geleerd hoe zij God welgevallig konden zijn. Hun wandel werd gekenmerkt door werken van geloof, arbeid van de liefde en volharding van de hoop op onze Heer Jezus Christus.

Vers 10-15

In Azië was Paulus op verschillende manieren ertoe gebracht deze streken te verlaten en naar Macedonië te reizen. In Filippi, had de vervolging hem verdreven. Hier echter gebruikte de Heer de broeders om Zijn dienaar naar Beréa te zenden; en Paulus onderwierp zich aan deze leiding.

Toen zij in Beréa aankwamen, gingen zij onmiddellijk naar de synagoge van de Joden. Paulus handelde hierin steeds naar Gods gedachten, zelfs op het gevaar af in handen van zijn ergste vijanden te vallen en in zijn werk te worden tegengehouden. Ongeacht de omstandigheden moet de christen altijd naar Gods gedachten handelen.

De Joden in Beréa waren edeler dan die in Thessalonika, en deze goede gezindheid bracht hen ertoe het Woord met alle bereidwilligheid te ontvangen. In plaats van de leer van Paulus met een vooropgezette mening te verwerpen, onderzochten zij dagelijks de Schriften “of deze dingen zo waren” (vs. 11). Zoals alle orthodoxe Joden hadden zij alleen naar de Schriften gekeken voor wat de Messias in Zijn heerlijkheid betrof; maar hun goede gezindheid maakte hen bereid te onderzoeken of deze dingen, die nieuw voor hen waren, ook werkelijk in de Schriften te vinden waren. “Velen dan uit hen kwamen tot geloof,” terwijl in Thessalonika slechts “sommigen uit hen” overtuigd werden. Ook van de Griekse aanzienlijke vrouwen en mannen geloofden er niet weinigen. Waarschijnlijk hadden deze Griekse proselieten zich tot de God van de Joden gewend, omdat de behoeften van hun zielen niet konden worden bevredigd in de heidense gewoonten. Deze reële noden maakten hen bereid om het Woord van God, dat Paulus predikte, te horen en aan te nemen; want het bracht hun, beter nog dan het Jodendom, wat zij werkelijk nodig hadden.

De Joden mengden zich opnieuw in de gebeurtenissen. Toen zij vernamen, dat het Woord van God ook door Paulus in Beréa werd verkondigd, kwamen zij ook uit Thessalonika daarheen en stookten de menigte op. En weer waren het de broeders die Paulus wegstuurden, en sommigen van hen vergezelden hem tot in Athéne, 600 km ten zuidoosten van Beréa. Hij onderwierp zich aan de aanwijzingen van de Heer, door Wie ze hem ook werden gegeven. Al de werkzaamheden van de apostel werden gekenmerkt door wijsheid en voorzichtigheid, gepaard gaande met een ontembare onverschrokkenheid, waar die op haar plaats was. Hij daagde de vijand niet onnodig uit.

Terwijl de broeders Paulus naar Athéne brachten, bleven Silas en Timotheüs in Beréa, waar zij een tijdlang wilden werken. Maar toen kwam de opdracht van Paulus dat ze hem zo snel mogelijk moesten inhalen. Silas en Timotheüs stonden onder leiding van Paulus en waren van hem afhankelijk voor hun dienstwerk. Misschien hadden zij er de voorkeur aan gegeven in Beréa te blijven om de broeders te versterken. Na hun aankomst in Athéne schreef Paulus zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen; de tweede werd geschreven vanuit Korinthe.

Terwijl de apostel in Athéne op Silas en Timotheüs wachtte, werd hij innerlijk gegrepen door de aanblik van de afgoderij van die stad. Hij was ook bezorgd over de Thessalonicenzen en vreesde dat de vervolging hun geloof zou hebben geschokt. Zoals blijkt uit de eerste brief aan de Thessalonicenzen (hfdst. 2:18), was het vervolging die hem ervan weerhield naar Thessalonika terug te keren, maar God gebruikt vaak de activiteit van de duivel voor het welzijn van de Zijnen. Indien de apostel naar Thessalonika had kunnen gaan en hun mondeling had verteld, wat hij hun daarna in de brieven schreef, zouden wij geen voordeel hebben gehad van zijn onderricht. Maar dit resulteerde in een zegen waarvan de heiligen door de eeuwen heen konden genieten. Omdat hij niet in staat was naar Thessalonika te gaan, stuurde hij Timotheüs daarheen.

Vers 16-21

Zo, terwijl Paulus wachtte op de komst van zijn medewerkers, “zag hij de stad vol afgodsbeelden.” Zijn geest werd geprikkeld door de gedachte aan wat de mens had gemaakt van de God die hij, Paulus, diende en kende volgens Zijn openbaring in Christus. Aangespoord door de liefde van Christus begon de apostel eerst tot de Joden in de synagoge te spreken, zoals hij overal deed, maar daarna ook tot hen die God dienden, dat wil zeggen tot de heidenen die het Jodendom hadden aangenomen. Op de markt ontmoette hij echter andere mensen, namelijk Epicureïsche filosofen. Zij leerden dat plezier het hoogste goed van de mens was; men moest alles doen om het te bereiken, maar kon het alleen vinden in de cultivering van de geest en in de beoefening van de deugd. Naast hen waren er ook Stoïcijnse filosofen aanwezig, volgelingen van Zeno, die het hoogste goed alleen zagen in gehoorzaamheid aan het verstand, onaangedaan door uiterlijke omstandigheden. Zij allen vielen de dingen aan die de apostel verkondigde; zij beschouwden Jezus als een vreemde godheid en de opstanding als dwaasheid. De menselijke geest kan niet opklimmen tot de hoogte van de gedachten van God; hij tracht ze aan te passen aan zijn beperkt begrip, maar we lezen: “niemand die verstandig is” (Rom. 3:11) en: “Maar [de] natuurlijke mens neemt niet wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid” (1 Kor. 2:14). Het vlees verzet zich instinctief tegen de waarheid van God, want het wordt daardoor veroordeeld. Deze filosofen, bij wie slechts nieuwsgierigheid was gewekt, leidden Paulus naar de Areópagus, omdat zij de nieuwe leer wilden kennen, welke hun vreemd scheen. De Atheners waren meer geïnteresseerd in nieuws dan in de waarheid. Zij, en de mensen die in Athéne woonden “besteedden hun tijd voor niets anders dan om iets nieuws te zeggen of te horen” (vs. 21). Het Woord van God geeft ons te verstaan, dat de redenen die de Atheners naar Paulus deden luisteren, onbeduidend waren; het veroordeelt ook hun luiheid en ledigheid.

Vandaag de dag moeten wij ons verdedigen tegen alle nieuwe dingen die in het christendom verschijnen; over het algemeen zijn het vreemde leringen die de natuurlijke mens aanspreken en de zielen in verwarring brengen. – Zelfs in de bediening van het Woord moeten we niet het nieuwe zoeken. Zeker, God kan waarheden aan het licht brengen die voor de grote meerderheid in het christendom onbekend zijn. Maar wij, toehoorders, moeten er bij de presentatie van het Woord op letten, dat onze wegen en onze wandel meer en meer in overeenstemming worden gebracht met de gedachten van God, en dat wij de gezegende Persoon van de Heer meer en meer leren kennen.

Vers 22-31

Paulus wist in de kracht en wijsheid van de Heilige Geest, hoe hij van de geboden gelegenheid gebruik moest maken. Hij presenteerde het evangelie van genade niet aan die mensen, zoals hij dat deed aan de Joden aan wie hij Jezus als de Christus predikte. Hij ontmoette deze mensen, die zichzelf zo wijs en verstandig achtten, op de grondslag waarop zij stonden: zij waren wel degelijk van mening dat er een oppermachtige God moest bestaan; maar Hij was hun onbekend en zij hadden Hem vervangen door de afgoden waarachter demonen zich verborgen hielden.

De apostel verbond de waarheid, die hij hun voorhield, met hetgeen hij gezien had onder de voorwerpen van hun eredienst. Eén van hun altaren was gewijd aan “de onbekende God”; en dit altaar was een duidelijke bekentenis van hun onwetendheid van de enige ware God en Zijn genade. Hun veelgeroemde wijsheid had hen hierbij niet geholpen. Ach, door “de wijsheid van de wijzen,” de “wijsheid van de wereld,” kan de wereld God niet kennen (zie 1 Kor. 1:21,22). Paulus verkondigde hun nu de ware God, die zij aanbaden zonder Hem te kennen.

In ieder mens en onder alle volkeren leeft de gedachte aan een allerhoogste God. Dit bewustzijn blijft, ondanks alle pogingen van de vijand om de kennis van de ware God, aan wie de mens verantwoording verschuldigd is, voor het hart en de geest van de mens te versluieren. De wijze waarop Paulus zijn betoog begon en de wijze waarop hij zijn woorden aanpaste aan de omstandigheden van zijn toehoorders, is navolging waard, en wij zouden er gebruik van moeten maken wanneer wij de waarheid aan de mensen voorleggen. Als wij onder de leiding van de Geest van God staan, zal Hij ons altijd laten zien hoe wij de waarheid met tact en wijsheid kunnen voorstellen, onverdeeld en onverminderd, zodat zij door mensen in hun verschillende omstandigheden en gemoedstoestanden kan worden begrepen en ingang vindt.

“Mannen van Athene,” zei hij tot hen, “ik zie aan alles dat u de goden bijzonder toegewijd bent. Want toen [de stad] doorging en uw voorwerpen van verering bekeek, vond ik ook een altaar waarop een opschrift stond: Aan een onbekende god. Wat u dan zonder het te kennen vereert, dat verkondig ik u” (vs. 22,23). De apostel stelde dus eerst vast, dat de Athéners zeer toegewijd waren aan de dienst van de goden, en dat zij ook “een onbekende God” onder hen hadden opgenomen. Zonder het te beseffen, was hun ijver gericht op de demonen die zich achter de goden verborgen hielden. – Daarna leidde Paulus zijn toehoorders naar het getuigenis van de schepping, dat zo duidelijk is dat het de mens een grote verantwoordelijkheid oplegt jegens de Schepper-God (Rom. 1:18-32).

Deze God, die zij vereerden zonder Hem te kennen, is het, die de wereld en alles wat zich daarin bevindt, geschapen heeft; Hij is de God van hemel en aarde. Hij woont niet in tempels door handen gemaakt. Hij is niet afhankelijk van Zijn schepselen, maar Hij geeft hun allen de adem van het leven. Hij heeft de verschillende mensenrassen uit één bloed gemaakt en hun de gehele aarde gegeven om op te wonen. Hij heeft de lengte van de verschillende tijdperken bepaald. Hij bepaalt de gewijde tijden en de grenzen van de woonplaats van elk volk (Deut. 32:8). God is onzichtbaar, maar de mens vindt Hem in Zijn werken: “… omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard – want van [de] schepping van [de] wereld worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Zijn Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien -, opdat zij niet te verontschuldigen zijn …” (Rom 1:19,20). De mens leeft door de adem van God, die hem tot een levende en – wat zijn levensduur betreft – onsterfelijke ziel heeft gemaakt. Hij is omgeven door de macht van God, die hem schiep naar Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis, hem begiftigde met een hoog verstand en hem tot hoofd van de schepping maakte. De uitspraak van de Griekse dichter: “Want wij zijn ook Zijn geslacht” (vs. 28) was dus in zekere zin waar.

Als de mens van Gods geslacht is, hoe kan hij dan alleen maar proberen de Godheid weer te geven door materiële dingen die lager zijn dan de mens zelf en Hem een vorm en uitdrukking geven die alleen maar voortkomen uit zijn verbeelding? Jesaja beschrijft deze dwaling in het 44e hoofdstuk van zijn boek.

God heeft veel geduld getoond in de tijden van onwetendheid van de mensen. Hij stelde hen bij verschillende gelegenheden op de proef, zonder hen tot het oordeel te brengen. En voordat Hij Zijn oordelen over zo’n schuldig geslacht laat komen, gebruikt Hij Zijn macht om alle mensen in genade te gebieden “dat zij zich allen overal moeten bekeren, omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een man die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken” (vs. 30,31).

Er is veel overeenkomst tussen deze toespraak en het reeds genoemde eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Daar zegt de apostel: “Want de toorn van God wordt van [de] hemel geopenbaard over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid bezitten” (Rom. 1:18). Deze toorn was niet geopenbaard tijdens de vroegere tijdperken van onwetendheid; maar nu, sinds het kruis, weten de mensen waar zij aan toe zijn. God heeft echter in Zijn genade een middel genoemd waardoor zij aan het komende oordeel kunnen ontkomen: Hij gebiedt hen zich te bekeren. De apostel beschrijft hier niet de genade die de berouwvolle zondaar voor het oordeel bewaart; maar hij liet zijn hoorders onder de werking van de waarheid van de enige ware God en van het onvermijdelijke oordeel, dat de Heer Zelf zal voltrekken. Maar dit oordeel komt pas nadat God alle mensen overal fundamenteel tot bekering heeft opgeroepen, waardoor zij kunnen ontkomen aan dit oordeel, dat naar Goddelijke gerechtigheid en door die Jezus zal worden voltrokken, Die de mensen hebben gekruisigd. De opstanding van Christus is het zekere bewijs, dat Hij de door God bestemde Rechter is van de aarde. “… en Hij heeft Hem macht gegeven het oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is” (zie Joh. 5:22-27). De leer van de “menselijke vrije wil,” waarbij men beweert, dat mensen vrij zijn om te geloven of niet te geloven, is in strijd met het gebod van God dat “zij zich allen overal moeten bekeren.” Als God iets beveelt, is men dan vrij om te gehoorzamen of niet te gehoorzamen? Daarom is wie het evangelie niet gelooft, een ongehoorzame (verg. Joh. 3:36; 2 Thess. 1:8; 1 Petr. 3:1 e.a.). Hij die iets niet doet waarin hij volkomen vrijheid heeft om het al dan niet te doen, is niet ongehoorzaam.

 

NOTEN:
1. Of ‘betoogde hij tot.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 369; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW