3 weken geleden

De eerste decennia van het christendom (35)

Handelingen 16 vers 13-40

Hoofdstuk 16 (vervolg)

Vers 13-15

In de afhankelijkheid van de Heer, begon het werk in Filippi in alle stilte. De apostel nam niet zijn toevlucht tot opvallende, menselijke hulpmiddelen, maar liet zich in alles leiden door Gods Woord. Ook hier verkondigde hij het evangelie eerst aan de Joden, daarna aan de Grieken. Het schijnt dat er in deze stad geen synagoge was; de godvrezende Joden hadden hun gebedsplaats bij een rivier. Paulus en zijn metgezellen gingen er dus heen, gingen zitten “en spraken tot de vrouwen” die daar verzameld waren. De Heer opende Lydia’s hart “zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken.” Zij was een proseliet die God diende; zulke hebben wij reeds ontmoet in de vorige hoofdstukken. Toen de Heer Zijn werk in haar had gedaan, werd zij onmiddellijk gedoopt. Zij had Christus door het geloof aangenomen en kon nu Zijn wezen openbaren en een licht in de wereld zijn. Onmiddellijk toonde haar gedrag tegenover de dienaren van de Heer de Goddelijke liefde die zij nu bezat. Zij wenste de broeders in haar huis te ontvangen, maar was zich ervan bewust dat zij geen vriendschap konden sluiten met de ongelovigen, en voegde daarom aan haar uitnodiging de woorden toe: “Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben.” De uitnodiging werd aanvaard; het waren niet de broeders die erom gevraagd hadden, maar “zij drong er bij ons op aan,” lezen wij. Het is dus niet nodig een lange christelijke ervaring te hebben om te weten wat juist is in de ogen van de Heer. Onder de ongehinderde werking van de Geest van God begrijpt de gelovige die in de eerste frisheid van Goddelijk leven is, al snel wat Gods gedachten zijn.

Vers 16-19

Het werk van de Heer stuit altijd op de tegenstand van satan. Aanvankelijk gaat hij subtiel en sluw te werk, maar later, wanneer hij ontmaskerd wordt, gebruikt hij geweld. Hier maakte hij voor het eerst gebruik van een dienstmeisje met een waarzeggende geest die haar meesters veel winst aanbracht door waarzeggerij. Zij volgde Paulus en zijn metgezellen en riep uit: “Deze mensen zijn slaven van God de Allerhoogste, die u [de] weg van behoudenis verkondigen.” Maar dat was maar een klein deel van de waarheid. God, de Allerhoogste, “die hemel en aarde bezit” (Gen. 14:22), had Zich geopenbaard in Zijn Zoon, en het was deze Heer en Heiland die satan had verslagen, die Paulus verkondigde. De apostel verdroeg “vele dagen lang” dat het dienstmeisje achter hen aan liep, steeds weer dezelfde woorden roepend. Hij wachtte op Gods tijd om een einde te maken aan dit werk van de duivel. Tenslotte gebood hij de geest van deze vrouw uit te gaan “in [de] naam van Jezus Christus.” De vijand wilde het werk van God schaden, maar had aanvankelijk de schijn, dat hij hem gunstig gezind was. Satan kon echter niet tegen zichzelf verdeeld worden. Er was het onderscheidingsvermogen nodig van een Paulus, die dicht bij de Heer bleef om de hand van de vijand in deze zaak te herkennen en zich tegen zijn daden te verzetten. Hij onderhandelde niet met de vrouw, maar richtte zich rechtstreeks tot de geest, niet in de Naam van God de Allerhoogste, maar in de Naam van Jezus Christus, de Heer die satan aan het kruis heeft verslagen. In zijn werk mag men in geen geval steun van de kinderen van de wereld veronderstellen. Ook Zerubbabel verwierp dit (Ezra 4:1-4), wat openlijk verzet opriep tegen het Joodse overblijfsel. Hetzelfde gebeurde nu in Filippi. Toen de meesters van de dienstmaagden “zagen dat hun hoop op winst weg was,” ontketenden zij vervolging, maar dit was zeker bevorderlijker voor de uitvoering van het werk dan enige hulp van satan. Paulus en Silas moesten gevangen gezet worden, zodat de gevangenbewaarder en zijn familie in contact konden komen met het evangelie.

Vers 20-34

Satan, die door de apostel in zijn huichelachtige sluwheid was ontmaskerd, maakte nu gebruik van de meesters van dit dienstmeisje. Toen deze zagen dat hun hoop op winst weg was, zetten zij een felle vervolging in tegen de apostelen, en “grepen Paulus en Silas en sleepten hen naar de markt voor de overheid.” Zij beschuldigden de twee niet van het uitdrijven van een demon – want dat zou de Romeinse bestuurders onverschillig hebben gelaten – maar zij beschuldigden hen veeleer van het aanzetten tot verwarring door het prediken van gebruiken die ongepast waren voor Romeinse onderdanen. De menigte, even gemakkelijk beïnvloedbaar als die in Lystra, kwam in opstand tegen Paulus en Silas. Zonder onderzoek en zonder rechterlijk vonnis, bevalen de bestuurders hen “vele slagen” op hun blote rug te geven. Toen gaven ze de gevangenbewaarder opdracht hen zorgvuldig te bewaken. “Daar deze zo’n bevel had ontvangen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.” Hier eindigde het werk van hen die door satan werden geleid en het werd hun niet toegestaan meer te doen. De Heer deed nu Zelf voorbede voor Zijn dienaren.

In het geval van het dienstmeisje met de geest van waarzeggerij was satan ontmaskerd en verdreven door de kracht van de Heilige Geest; nu stond de Heer hem toe Zijn macht te ontplooien, zodat openlijk zou worden verkondigd, dat satans macht tegenover de macht van God machteloos is. De vijand kan de Geest van God niet verhinderen Zijn werk te doen om zondaars te verlossen en hen te bevrijden uit zijn macht. De dienaren van de Heer stonden boven allen. Hoewel zij pijnlijk geslagen worden en hun voeten in het blok vastgezet zijn – hun vrede en vreugde waren niet gebonden en niets kon hen scheiden van de liefde van Christus. De twee beseften nu wat Paulus later aan de Filippenzen schreef: “Verblijdt u altijd in [de] Heer! Nog eens zal ik zeggen: Verblijdt u!” (Fil. 4:4-7). Zij hadden geen weerstand geboden aan hen die hen onrechtvaardig hadden gekastijd, en niets in hun gemoedstoestand belette hen zich in hun hart te verblijden. Beproevingen maken mensen alleen ongelukkig, als de eigen wil actief is. Zij die zich in lijden aan de Heer onderwerpen, mogen beseffen dat de Heer boven alles staat, en dit is een kostbare bron van vrede en vreugde voor de lijder.

Satan en de mensen hadden hun werk gedaan. Paulus en Silas, gelukkig in hun toewijding, baden en zongen tot eer van de Heer: een krachtige prediking voor hun luisterende medegevangenen. Nu toonde de Heer wie macht en gerechtigheid bezit om Zijn genadewerk aan de mensen te volbrengen: “En plotseling ontstond er een grote aardbeving, zodat de fundamenten van de kerker schudden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en van allen gingen de boeien los.” Wat vermag de macht van satan en de mensen ten opzichte van zulke feiten? De fundamenten van een sterke gevangenis werden aan het wankelen gebracht, zorgvuldig gesloten deuren gingen open, sterke boeien werden losgemaakt en, wat nog wonderlijker is, in zo’n omgeving ontplooide genade al haar macht! Dezelfde macht van God was ook zegevierend geopenbaard in de opstanding van de Heer, zodat zondaars gered konden worden en weggerukt uit de machtssfeer van satan.

Omdat hij dacht, dat de gevangenen de open deuren hadden gebruikt om te vluchten, wilde de gevangenbewaarder zichzelf van het leven beroven. “Paulus echter riep met luider stem de woorden: Doe u zelf geen kwaad, want wij zijn allen hier.” Gods macht grijpt niet in om wanorde te veroorzaken. De gevangenbewaarder viel bevend neer voor de gevangenen wier voeten hij eerder in het blok had vastgemaakt, en nam een geheel andere houding aan dan voorheen. Binnen enkele ogenblikken had de Geest van God op het geweten van deze man ingewerkt, hem van zonde overtuigd en hem duidelijk gemaakt tot Wie hij zich moest wenden om gered te worden. Hij was nu in de rol van de veroordeelde, maar Paulus en Silas waren in de rol van bevrijders. De gevangenbewaarder leidde hen naar buiten en zei tot hen: “Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? En zij zeiden: Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis. En zij spraken het woord van de Heer tot hem, met allen die in zijn huis waren.” Redding komt voort uit geloof in een Persoon buiten ons, en die Persoon is de Heer Jezus Christus. Het is niet door het zoeken naar het bewijs van redding in zichzelf dat een mens zeker wordt van zijn behoud. Het geloof is het middel om Christus als Heiland aan te nemen, maar wie tot Hem komt, vertrouwt niet op het geloof, maar alleen op de Heer om behouden te worden.

Paulus spreekt een prachtig feit wanneer hij zegt: “Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis.” Door het geloof van de vader of moeder wordt het hele gezin “geheiligd” (1 Kor. 7:14), dat wil zeggen, door de genade van God in een kring van zegen geplaatst en apart gezet van de wereld. God erkent de aardse relatie van de gelovige tot zijn gezin en gaat op een bijzondere manier met elk van de leden om. Hij luistert naar de voorbede van de gelovige en zegent zijn getuigenis onder de gezinsleden. Dit redt hen echter nog niet. De bekering en nieuwe geboorte van ieder individu is noodzakelijk om te delen in de eeuwige zegeningen en voorrechten van de gemeente. Hoe groot is de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen niets in de weg te leggen, dat hen van dit doel zou kunnen afleiden. Wanneer God tot de vader zegt: “U zult behouden worden, u en uw huis,” mag hij dit in geloof aannemen en moet zijn gehele gedrag daarop gericht zijn.

“… in dat uur van de nacht” nam de gevangenbewaarder Paulus en Silas mee en “waste hun striemen af en werd onmiddellijk gedoopt, hij en al de zijnen. En hij bracht hen in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich met zijn hele huis, dat hij tot het geloof in God was gekomen.” Toen hij het evangelie had gehoord en God had geloofd, verheugden hij en zijn hele huisgezin zich. Onmiddellijk, zoals bij Lydia, kwam de broederlijke liefde in werking: “… hij waste hun striemen af” en “richtte een tafel aan.”

Vers 35-40

Er moest nog iets gedaan worden om de triomf van de macht van de Heer te voltooien. De Romeinse bestuurders hadden gehandeld in strijd met de Romeinse wet en rechtspraak, want een Romein kon niet worden veroordeeld en gestraft zonder voorafgaand onderzoek. En nu gingen ze Paulus en Silas vrijlaten zonder verdere formaliteiten. “Gaat dan nu naar buiten en vertrekt in vrede,” lieten ze hen zeggen. Maar Paulus wilde, dat zij hun onrechtvaardigheid openlijk toegaven, en hij maakte hun bekend, dat hij en Silas Romeinen waren. De dag tevoren, toen de bekendmaking van dit feit hen slaag zou hebben bespaard, hadden zij er niets over gezegd, maar zich aan alles onderworpen. Maar nu werd in overeenstemming met Gods gedachten de onrechtvaardigheid van de ambtenaren aan het licht gebracht. De Romeinse bestuurders kwamen toen en spraken tot hen en vroegen hen hun wensen te vervullen. Hun eer was nu hersteld, maar voordat zij de stad verlieten, gingen zij naar hun gastvrouw Lydia, “en toen zij de broeders zagen, vermaanden zij hen en gingen weg.”

De geliefde gemeente van Filippi was gevestigd; Paulus kon nu verder gaan en de boodschap van verlossing in andere gebieden brengen aan de mensen die onder de slavernij van satan waren.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 331; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW