6 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (34)

Handelingen 15 vers 35-41; 16 vers 1-12

Hoofdstuk 15 (vervolg)

Vers 35-41

Enkele dagen later stelde Paulus aan Barnabas voor dat zij zouden terugkeren en de broeders zouden bezoeken in elke stad waar zij op hun eerste reis het woord des Heren hadden verkondigd. “Maar Barnabas wilde ook Johannes, genaamd Markus, meenemen.” Paulus achtte Markus echter niet geschikt om een werk te doen, dat van de dienaar verlangde dat hij volledig afstand deed van alles wat uit de natuur voortkwam. Hij kwam tot deze conclusie omdat Markus hen al aan het begin van het werk had verlaten, kennelijk omdat hij dacht dat het werk in Jeruzalem, waar de apostelen waren, gemakkelijker zou zijn. De onenigheid tussen Paulus en Barnabas veroorzaakte bitterheid tussen hen en zij scheidden. Barnabas zeilde naar Cyprus, zijn vaderland, en nam Markus mee, die zijn neef was.

In het werk van de Heer, mogen alleen Zijn gedachten de leidraad zijn. Dit vereist dat de dienaar volledig afhankelijk is van Hem, zonder rekening te houden met de invloed die thuis of verwantschap op hem kunnen hebben. Paulus “ging niet te rade met vlees en bloed” (Gal. 1:16) toen het over het werk ging. Wat zijn wij blij te zien dat Markus later naar Paulus terugkeerde en nuttig voor hem was! (Kol. 4:10; Fil. :24; 2 Tim. 4:11). Het lijkt erop dat de weigering van Paulus om hem mee te nemen in hem een werk van loutering teweegbracht, dat voor hem persoonlijk nuttiger was, dan een dienst met de apostel zonder deze innerlijke voorbereiding. Barnabas wordt niet meer genoemd met betrekking tot zijn latere dienst, behalve in 1 Korinthe 9 vers 6, waar Paulus hem erkent als een dienaar van de Heer.

“Paulus echter koos Silas,” en zij gingen op weg, “aan de genade van de Heer opgedragen door de broeders” – Er wordt niet gezegd dat de broeders ook Barnabas en Markus aan de Heer hebben aanbevolen! – Het werk onder de volken interesseerde Silas. Zijn naam doet vermoeden, dat hij niet van Joodse afkomst was, en hij werd door de Heer geleid om Paulus te vergezellen. Zij trokken door Syrië en Cilicië en versterkten de gemeenten.

Zo begon de tweede reis van de apostel Paulus. In deze plaatsen waar hij vroeger het evangelie had verkondigd, ontplooide zijn werkzaamheid zich nu voornamelijk in de gemeenten; hij werkte aan hun opbouw en geestelijke ontwikkeling. Hij streefde ernaar “om ieder mens volmaakt te stellen in Christus”; dit was het doel, dat hij nastreefde (Kol. 1:28).

Een evangelist mag de zielen die tot de Heer zijn gebracht niet zonder leiding en zonder voedsel achterlaten; zij mogen niet zijn als schapen die geen herder hebben. Op grond van Gods Woord moet hij weten wat de “gemeente van God” is en aan deze zielen duidelijk maken, dat iedere gelovige daartoe behoort, en hij moet hen erheen leiden. Daar kunnen zij, naar Gods gedachten, vinden wat nodig is om gesterkt te worden in het geloof en ware getuigen van de Heer te worden.

Hoofdstuk 16

Vers 1-3

In Lystra vond Paulus Timotheüs, de zoon van een Joodse moeder en een Griekse vader. Deze had een goed getuigenis “van de broeders in Lystra en Iconium. Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem.” Het zou kunnen lijken, dat deze handelwijze in strijd was met de brief die de gemeente te Jeruzalem aan de discipelen uit de volken had gezonden. Maar Paulus deed het niet om de Joodse wet te houden, maar om van de Joden, die vijandig stonden tegenover het evangelie, elke aanleiding weg te nemen om zich te verzetten tegen de onbelemmerde vervulling van zijn dienst. De tegenwerping, dat hij de zoon van een Griek als zijn metgezel nam, moest worden weerlegd. Een kind uit een gemengd huwelijk werd niet geacht tot het volk Israël te behoren, maar moest met zijn moeder worden weggezonden. Alleen al daarom kon de besnijdenis van Timotheüs niet de vervulling van de wet als doel hebben.

Bij Titus daarentegen heeft Paulus de besnijdenis niet uitgevoerd, omdat dit in dit tweede geval schadelijk zou zijn geweest voor zijn dienst (Gal. 2:3).

De naam Timotheüs betekent “iemand die God eert.” Deze eigenschap kenmerkt hem. De apostel zei later van hem: “… hij werkt het werk van [de] Heer evenals ik” (1 Kor. 16:10) en ook: “Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw de belangen van u zal behartigen” (Fil. 2:20). Daarom wilde Paulus deze medearbeider naar de Filippiërs zenden; hij is ook de enige die in het Nieuwe Testament “mens Gods” wordt genoemd (1 Tim. 6:11).

Vers 4 en 5

Paulus en Silas deelden aan de gemeenten “de verordeningen over die door de apostelen en oudsten in Jeruzalem waren vastgesteld.” Het was noodzakelijk ze te “onderhouden” en te bewaren. Dit was een voortdurende herinnering aan de Judaïserende leraren, dat hun leer in strijd was met de leer van de apostelen en de gemeente te Jeruzalem. De Galaten hadden nauwelijks genoegen genomen met deze verordeningen.

“De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en namen dagelijks in aantal toe” (vs. 5). De term “geloof” verwijst hier naar de waarheden die het geloof aangrijpt, de leer van de apostelen waarvan satan hen probeerde te beroven. Door het besluit van Jeruzalem had hun geloof sterke steun en grote bemoediging gekregen. Het is altijd nodig om gesterkt te worden in het geloof. Judas spoort ons aan “te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd … terwijl u  zichzelf opbouwt op uw allerheiligst geloof” (Judas :3,20; zie ook 1 Kor. 16:13 en Kol. 2:7).

Vandaag, temidden van een toestand die het gevolg is van het verlaten van het geloof door de christenheid, hebben wij meer dan ooit behoefte aan versterking in het geloof; wij moeten vast verbonden zijn met de waarheid die opnieuw aan het licht is gebracht, om haar te bewaren en er ons in alle dingen door te laten leiden. Een zekere oppervlakkige kennis ervan is niet voldoende; geloof moet deze waarheden begrijpen om er naar te wandelen. Het geloof grijpt het Woord aan om het in praktijk te brengen, zodat ons werk werkelijk een werk van het geloof zal zijn. De gemeenten namen dagelijks in aantal toe, en deze groei hield verband met hun versterking. Wanneer een gemeente in een goede staat verkeert, kan God Zijn woord zegenen aan onbekeerden; wanneer een ziel tot de Heer wordt geleid, wordt zij ook aan de gemeente toegevoegd.

Vers 6-12

Deze verzen bevatten belangrijk onderricht over de wijze waarop de Heer Zijn dienaren leidt. Hij geeft hen leiding op verschillende manieren. Om deze te herkennen en te volgen, hebben zij een toestand van de ziel nodig die de kennis van Zijn gedachten bevordert. De ziel moet door God gevoed worden en haar eigen wil aan Hem onderworpen zijn; zij moet in Zijn afhankelijkheid leven en al haar beweegredenen in Zijn tegenwoordigheid beproeven.

“Zij nu doorreisden het land van Frygië en Galatië,” een gebied dat de apostel op zijn eerste reis niet had bereikt. Er wordt niets gezegd over het werk, dat hij daar deed, hoewel er als gevolg van deze reis ook daar gemeenten werden gevormd. Een verslag hiervan zou interessant zijn geweest, maar niet noodzakelijk voor onze lering. De brief aan de Galaten daarentegen, die Paulus later aan hen schreef, is voor ons onmisbaar. Van daaruit wilden Paulus en zijn metgezellen naar Azië reizen, maar de Heilige Geest stond hun dat niet toe.

De Heilige Geest, die Goddelijke Persoon, leidde de dienaren van de Heer op zodanige wijze dat Hij Gods werk door deze menselijke instrumenten kon doen waar en wanneer het Hem behaagde. Wij weten niet welke middelen Hij gebruikte om Paulus te verhinderen “het woord in Asia te spreken”; belangrijk is ook hier dat Paulus werkelijk door Hem werd geleid. Zij kwamen in Mysië, in het noorden van de provincie Asia, en trachtten vandaar naar Bithynië te reizen, in het oosten van Mysië, maar “de Geest van Jezus stond het hun niet toe.” De “Geest van Jezus” is de geest die de volmaakte Dienstknecht kenmerkte, in de vervulling van al Zijn werk en in volmaakte onderwerping en afhankelijkheid van de wil van Zijn God en Vader. Om bijvoorbeeld de familie in Bethanië te hulp te komen, was kennis van hun ellende voor Hem niet voldoende geweest; voordat Hij ging, moest Hij de wil van Zijn Vader kennen. Het was de Heilige Geest, de Goddelijke Persoon, werkzaam in het werk van de Heer, die de apostel verhinderde het woord in Asia te spreken; het was “de Geest van Jezus,” de geest van onderwerping en afhankelijkheid, de geest van hun volmaakte Voorbeeld, die de dienaren van Jezus kenmerkte. Het is de eerste en enige keer, dat we deze uitdrukking in de Schriften tegenkomen. Van Mysië gingen de apostel en zijn metgezellen “naar Troas,” want zij mochten niet naar Asia, noch naar Bithynië gaan; maar zij mochten ook niet in Troas arbeiden. Hier greep de Heer op een andere manier in, want Hij leidt Zijn dienaren niet volgens slechts één regel. Daarom is, om Zijn wil te kennen, des te grotere afhankelijkheid nodig.

Hij kan hen leiden door Zijn Woord of door een omstandigheid die toeval lijkt te zijn. Maar laten zij niet vergeten dat in Zijn wegen niets aan het toeval wordt overgelaten; laten zij in alles de gedachten van de Heer doorzoeken en met de psalmist zeggen: “Leer mij, HEERE, Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen; maak mijn hart één om Uw hart te vrezen” (Ps. 86:11).

Hier wordt Paul geleid door een gezicht: Hij ziet een Macedonisch man die hem vraagt: “Kom over naar Macedonië en help ons!” Dit gezicht was nog geen definitief bevel van de Heer, maar Paulus werd er innerlijk door geoefend. Hij wilde onmiddellijk naar Macedonië vertrekken, overtuigd dat de Heer hen geroepen had om dat land te evangeliseren.

Het feit dat de Heer Zijn dienaar met alle middelen belette het werk voort te zetten in de gebieden van het huidige Turkije – het werd later voortgezet – geeft aan dat het de bedoeling van de Heer was dat Paulus het evangelie eerst naar Europa zou brengen. Daarom was Zijn heel bijzondere tussenkomst ook nodig om hem te leiden.

Vanaf het 10e vers doet Lukas, de schrijver van Handelingen, niet langer verslag in de derde persoon. Wij mogen aannemen dat hij zich in Troas bij de apostel voegde, wiens trouwe medewerker hij werd. Hij wordt genoemd in Kolosse 4 vers 14; Filemon vers 24; 2 Timotheüs 4 vers 11.

Paulus en zijn metgezellen verlieten Troas en liepen recht op “Samothráce aan, en [gingen] de volgende [dag] naar Neápolis, en vandaar naar Filippi,” een Romeinse kolonie, waar zij een paar dagen verbleven.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 301; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW