4 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (31)

Hoofdstuk 14 vers 1-18

Vers 1-7

In Iconium aangekomen, gingen de apostelen, in overeenstemming met Gods gedachten, de synagoge der Joden binnen en zo spraken “dat een grote volksmenigte, zowel van Joden als van Grieken geloofde.” Alleen de Heilige Geest kon ervoor gezorgd hebben, dat zij “zó” konden spreken en daardoor zulk een resultaat bereikten. Maar dit werk van de Heilige Geest gebeurde op het grondgebied van de vijand zelf, en deze aarzelde niet om verzet te wekken met de hulp van de Joden. Dit zal altijd het geval zijn totdat Satan gebonden is. Ondanks deze door de Joden opgewekte tegenstand van de volken lezen we: “Zij bleven dan geruime tijd met vrijmoedigheid spreken over de Heer”.

Er wordt hier niet gezegd, dat zij vertrouwden op de Heilige Geest. Maar zij spraken “in de Heer” en zo kon de Heilige Geest ongeremd werken. De Heer “gaf getuigenis aan het woord van Zijn genade, door te geven dat tekenen en wonderen door hun handen gebeurden” (vs. 3). Wat een contrast tussen de pogingen van de mens om het werk van God te verhinderen en de kracht waarmee dat werk werd volbracht! De Heer, de Overwinnaar over de wereld en hun oversten, was daar. Op Hem vertrouwden Zijn dienaren en zij hadden de bijstand van de kracht van de Heilige Geest die op aarde aanwezig was, één van de drie Personen van de Godheid. Zij konden inderdaad vrijuit spreken, vervuld van het bewustzijn, dat zij aan Gods zijde stonden om de waarheid te verkondigen die de mens veroordeelde maar de zondaar redde. De tekenen en wonderen die de bediening van de Heer hadden vergezeld, werden nu ook door Zijn dienaren verricht en waren het bewijs van Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid.

Zeven maal wordt in dit boek verwezen naar de vrijmoedigheid waarmee de apostelen spraken, als antwoord op het gebed van de discipelen in hoofdstuk 4 vers 29: “Geef uw slaven met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken”:

  1. Hand. 4:31
  2. Hand. 13:46
  3. Hand. 14:3
  4. Hand. 18:26
  5. Hand. 19:8
  6. Hand. 26:26
  7. Hand. 28:31

Tussen de twee grote stromen van de kracht van de Geest van God aan de ene kant en de geest van Satan aan de andere kant, was er verdeeldheid in de stad. Sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen. Er is geen neutraal terrein; vandaag, evenals toen, staat men of aan de kant van God of aan de kant van de wereld en haar overste. De Heer Zelf heeft gezegd, dat Hij niet gekomen is om vrede op aarde te brengen (Matth. 10:34). Vandaag gebruikt Hij Zijn macht niet om vrede te brengen, maar om zondaars te redden temidden van de vijandschap van de wereld en haar vorst. Hij laat het kwaad bestaan tot de dag waarop Hij de wereld in gerechtigheid zal oordelen. Sinds de Heer, na Zijn overwinning behaald aan het kruis, opgevaren is naar de hoogte, “heeft Hij de gevangenschap gevangen genomen <en> heeft de mensen gaven gegeven” (Ef. 4:8). Deze gaven worden uitgeoefend onder de werking van de Geest tot de komst van de Heer. Allen die Zijn Woord aannemen worden deelgenoot gemaakt van Zijn overwinning te midden van deze vijandige wereld. Zij zijn hier achtergelaten om te getuigen van de verworpen Heer, die tot hen riep: “In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33).

Ogenschijnlijk was de overwinning aan de kant van de duivel. Door een onstuimige aanval van zowel degenen uit de volken als uit de Joden – zij wilden de apostelen mishandelen en stenigen – werden zij op de vlucht gedreven. Ze vluchtten “naar de steden van Lycaónië, Lystra en Derbe, en de omstreken, en verkondigden daar het evangelie.” God gebruikte de vervolging om hen elders het evangelie te laten verkondigen; anders hadden zij, zoals hun verlangen was, langer bij deze nieuwe bekeerden kunnen blijven.

Vers 8-13

In Lystra was er een kreupele man “die nooit had gelopen.” Hij hoorde Paulus spreken. Toen hij zag dat hij geloof had om genezen te worden, zei de apostel tegen hem: “Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong op en liep.” Zowel in de bediening van de Heer Zelf als in die van de apostelen waren er gevallen waarin de wonderbare kracht werkte zonder het geloof van degene die genezen werd; maar in andere gevallen, zoals in dit geval, wordt de genezing toegeschreven aan het geloof.

Door deze genezing werd de toestand van duisternis waarin deze arme heidenen waren gezonken, openbaar. Gevangen in de macht van de duivel, verwarden zij de geopenbaarde macht van God met de macht van hun goden. Zij geloofden dat hun goden zich aan de mensen hadden gelijkgesteld en tot hen waren neergedaald. Ze wilden aan hen offeren. Zij dachten dat Barnabas Zeus was, Paulus anderzijds Hermes, die, zo dachten zij, de bevelen van de goden uitvoerde.

Vers 14-18

Toen Barnabas en Paulus vernamen dat stieren en kransen naar de poorten waren gebracht en aan hen zouden worden geofferd, “scheurden zij hun kleren, sprongen naar voren tussen de menigte en schreeuwden aldus: Mannen, waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen van gelijke natuur als u en verkondigen u dat u zich van deze nietige [goden] moet bekeren tot [de] levende God, die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is, heeft gemaakt. Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen weg laten gaan, hoewel Hij Zich toch niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.” De apostelen pasten hun woord aan aan de toestand van dit volk, dat God had verlaten en Satan had aangenomen, die zich voor hen stelde in de gedaante van afgoden.

De tijd was voorbij dat God de volken hun eigen weg liet gaan, waar zij, God kennende, Hem als God niet verheerlijkten en Hem niet dankten (Rom. 1:21). Ook al bezaten zij de Woorden van God niet, toch waren zij Hem rekenschap verschuldigd, omdat het getuigenis van Zijn goedheid steeds voor hun ogen was. In Psalm 145 vers 15,16 lezen wij: “De ogen van allen wachten op U, U geeft hun hun voedsel op zijn tijd. U doet Uw hand open, en verzadigt al wat leeft, naar Uw welbehagen.” En in Psalm 147 vers 8 lezen we: “Die de hemel met wolken bedekt, die de aarde van regen voorziet, Die het gras op de bergen doet groeien.”

Nu, waar de beproeving van de mens beëindigd is, laat God allen verkondigen dat zij zich tot Hem moeten wenden, tot Hem, de Schepper van alle dingen en Onderhouder van alle mensen, die een levende God is in tegenstelling tot de afgoden. In Jesaja 37 vers 17-20 wordt dit contrast benadrukt en in Deuteronomium 32 vers 12 lezen we: “Zo heeft alleen de HEERE hem geleid, er was geen vreemde god bij hem.” De Thessalonicenzen hadden zich van de afgoden tot God bekeerd “om [de] levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten” (1 Thess. 1:9,10). Door zich tot de levende en waarachtige God te wenden, vonden zij in Hem de Heiland-God, “Die wil1 dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen. Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, [de] mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor2 allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd” (1 Tim. 2:4-6).

Toen Paulus en Barnabas dit zeiden “weerhielden zij ternauwernood de menigten ervan hun te offeren.” Uit het optreden van de menigten blijkt duidelijk, dat de volkeren het bewustzijn hadden behouden, dat offers noodzakelijk waren tussen de mens en God; daarom trachtten zij op hun eigen wijze hun goden tevreden te stellen en hen gunstig te stemmen. Maar wat moeten wij denken van een christendom, dat vandaag het verzoenend offer van Christus verwerpt en alleen wil aanvaarden dat Hij in Zijn leven een voorbeeld voor ons was? – Dat de mens niet in staat is dit voorbeeld na te volgen zonder wedergeboren te zijn, weten zij niet.

De kracht die de apostelen aan de dag legden bij de genezing van de verlamde, maakte indruk op deze mensen. Zodra de mens God verlaat, hecht hij zich aan machtsuitingen en zoekt hij die. Dit proces kan steeds meer worden waargenomen in het christendom, waar God zich in genade heeft geopenbaard. Spoedig zal de vorm van godsvrucht die er nog in te vinden is, plaats maken voor de supermens; en hij, de antichrist, zal de mensen verleiden met allerlei “kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen” (2 Thess. 2:9).

In de handelingen van de menigte was het duidelijk, dat de vijand de apostelen trachtte te verleiden met eerbetuigingen die alleen God toekwamen. Als zij deze eerbewijzen hadden aanvaard, zou hun werk vernietigd zijn.

Zo trachtte ook de vijand tevergeefs de Heer ten val te brengen aan het begin van Zijn dienst door zijn aanbod van de koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid.

Herodes daarentegen stierf, opgegeten door wormen, omdat hij de eer had aanvaard die alleen aan God toekomt.

 

NOTEN:
1. Willen in vs. 4 (thelo) drukt meer een verlangen óf voornemen uit; in vs. 8 is het een sterker woord (boulomai) dat meer een beslist wilsbesluit uitdrukt.
2. Dit is ‘in plaats van’; het door ‘voor’ vertaalde woord in bijvoorbeeld 1 Tim. 2:6 betekent: ‘zich uitstrekkend tot,’ in de zin van een aanbod.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 205; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW