1 jaar geleden

De eerste decennia van het christendom (30)

Hoofdstuk 13 (vervolg)

Vers 29-31

Nadat zij de Heer ter dood hadden gebracht en Hem in een graf hadden gelegd, kon het volk niets meer doen. Ze dachten dat ze klaar waren met de Zoon van God. Maar nu kwam God tussenbeide: “God echter heeft Hem uit [de] doden opgewekt.” Het grote feit van Christus’ opstanding moest voortaan onder de Joden worden aanschouwd. Maar dit was nu juist wat de heersers van de Joden niet wilden geloven. Zij hadden de soldaten die het graf bewaakten, de leugen laten verspreiden dat de discipelen ’s nachts waren gekomen en het lichaam van Jezus hadden gestolen. “En dit woord is bij [de] Joden verbreid tot op <de dag van heden>” (Matth. 28:15).

Het feit dat de Joden de Heer niet meer terugzagen, scheen deze leugen te bevestigen; maar Hij had hun al eerder gezegd: “U zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend  Hij die komt in [de] naam van [de] Heer’” (Matth. 23:39). De opgestane Heer verscheen niet aan het hele volk, maar aan “getuigen die door God tevoren verkozen waren” (Hand.10:41). Hij was nu een Voorwerp van geloof. Een klein aantal verachte Galileeërs, die met Hem optrokken naar Jeruzalem, geloofden; alleen zij zagen de Opgestane en werden zo getuigen van het wonderbaarlijke feit van de opstanding, dat de grondslag is van alle zegeningen voor aarde en hemel.

De opstanding van de Heer is, onder andere, het bewijs van drie belangrijke waarheden:

  1. Het stelt de oneindige heerlijkheid van Zijn persoon vast. Romeinen 1 vers 4 zegt van Hem: “die verklaard1 is als Gods Zoon in kracht”. God zette Zijn zegel op deze gehoorzame Mens die Hem zelfs tot in de dood verheerlijkte door Hem op te wekken en Hem heerlijkheid te geven.
  2. De opstanding is de openbaarmaking van de oneindige waarde van het offer van Christus: Hij is “opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:25). Het is de vergeving van de schuld van allen die geloven; de publieke verklaring dat de kwestie van de zonde is geregeld door de dood van Christus, als voldoening van de goddelijke gerechtigheid.
  3. De opstanding is uiteindelijk het bewijs voor alle mensen dat Jezus, de Zoon des mensen, “het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen” (Hand. 17:31).

Vers 32-37

Behalve de getuigen van de opstanding van de Heer was ook Paulus daarna tot geloof gekomen. De opgestane Jezus was ook aan hem verschenen vóór Zijn openbaring aan Israël. Daarom zegt de apostel: “En het allerlaatst is Hij ook aan mij, als aan een misgeboorte, verschenen” (1 Kor. 15:8). Paulus stelt hier vast: “En wij verkondigen u de belofte tot de de vaderen gekomen, dat God deze heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken, zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt’” (vs. 32-34). Trouw aan Zijn belofte ten gunste van Zijn volk, heeft God Jezus opgewekt, niet alleen op de wijze waarop Hij een profeet zou hebben opgewekt, maar als de door Hem verwekte Zoon op aarde, volgens het citaat uit de tweede Psalm (Ps. 2:7). Toen Hij kwam, doodden de mensen Hem, maar God wekte Hem op en bracht Hem buiten het bereik van de dood; Hij kan niet meer sterven. Gods raadsbesluiten zullen worden vervuld, ook al leek de dood van Jezus daarvoor een hinderpaal te zijn.

God had gezegd: “Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven.” Daarom heeft Hij Jezus uit de dood opgewekt. Hoewel Jezus kwam tot de plaats van ontbinding, toch zag Hij die niet, volgens dat andere woord: “… U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.” (zie: Ps. 16:10; Hand. 13:34; 2:31). Het was dus duidelijk uit de Schriften dat Jezus Degene was die zou komen, en dat als Hij zou sterven, Hij niet in de dood kon blijven; de dood had geen aanspraak op Hem. Psalm 16 vers 10 drukt het vertrouwen uit van Christus als Mens, in het aangezicht van de dood. Maar hier wordt deze Psalm aangehaald om aan te tonen hoe God het op zich nam om Zijn Zoon op te wekken.

Hier zien we hoe de Heilige Geest, door de apostel, duidelijk maakt dat de geschriften van het Oude Testament over Christus spreken. Want de natuurlijke neiging is om de draagwijdte van deze geschriften te beperken tot de omstandigheden van het moment van hun samenstelling en tot de personen die erin worden genoemd. Wanneer wij de Psalmen lezen, zijn wij geneigd alleen aan David te denken. Daarom zegt de apostel: “Want nadat David in zijn eigen geslacht de raad van God had gediend, is hij wel ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet en heeft ontbinding gezien, maar Hij die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien” (vs. 36-37).

De Geest van God spreekt hier over een Persoon die oneindig veel kostbaarder was dan David. Deze grote koning werd slechts opgewekt om de raad van God te dienen en verdween daarna weer. De Heer daarentegen werd uit de doden opgewekt en liet David, evenals alle andere heiligen, in de graven achter tot de tijd van de eerste opstanding. David krijgt immers een prachtig getuigenis: Hij had “de raad van God gediend”. – Laten wij de Heer vragen, dat dit ook voor ieder van ons zo moge zijn in de tijd die ons op aarde gegeven is.

Vers 38-41

Na deze grote waarheden over de Persoon van de Heer te hebben vastgesteld, vervolgde de apostel: “U zij dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden wordt verkondigd <en> dat van alles waarvan u niet gerechtvaardigd kon worden in [de] wet van Mozes, in Deze ieder die gelooft, gerechtvaardigd wordt” (vs. 38-39). Aan het kruis kwam de schuld van ieder mens aan het licht, en ook het onvermogen van de Joden om de wet te vervullen. Geen zegen kon tot de mens komen zolang de zonde niet was weggedaan. Maar door Jezus, Wiens heerlijkheid zojuist aan allen was getoond in de woorden van de apostel, liet God nu de vergeving van zonden verkondigen, en iedere gelovige, Jood of heiden, wordt in Hem gerechtvaardigd, wat onder geen enkele omstandigheid door de wet had kunnen gebeuren.

De apostel waarschuwde de toehoorders plechtig voor de gevolgen van het verwerpen van de genade (vs. 40-41) die God aanbood in de vergeving van zonden en de rechtvaardiging door het geloof. Voor allen die het verwerpen, blijft er slechts een onherroepelijk en definitief oordeel van God over. “Kijkt dan uit dat [u] niet overkomt wat gezegd is in de profeten: ‘Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk dat u geenszins zult geloven als iemand het u verhaalt’” (vs. 40-41). In deze woorden maakte de profeet Habakuk een toespeling op het oordeel dat over het volk zou komen door de Chaldeeën, “dat grimmige en onstuimige volk” (Hab. 1:6); maar dit was slechts een beeld van de oordelen die later over het Joodse volk zouden komen, omdat zij de Heer doodden en de aangeboden genade verwierpen. Ongetwijfeld had de apostel onder zijn toehoorders degenen opgemerkt die verachtten wat hij hun verkondigde. Hun lot zal verschrikkelijk zijn!

Vers 42

De prediking van de apostel had niet nagelaten effect te hebben op veel van zijn toehoorders. Toen zij de synagoge verlieten, verzochten zij, dat deze woorden hun op de volgende sabbat opnieuw zouden worden verkondigd. Sommige Joden en proselieten sloten zich echter aan bij Paulus en Barnabas en werden door hen aangespoord om te volharden in de genade van God. Zij wilden niet wachten tot de volgende sabbat. Zij sloten zich aan bij hen die hen onderwezen in de waarheden, omdat deze voldeden aan de behoeften van hun ziel.

Zij die genade hebben ontvangen, moeten daarin volharden. In de brief aan de Hebreeën wordt ons getoond dat velen slechts oppervlakkig de waarheden van het christendom hadden aanvaard. Zij waren blij dat zij door deze waarheden bevrijd waren van de eisen van de wet, maar toen zij geconfronteerd werden met de ontberingen die de aanvaarding van het christendom met zich meebracht, hadden zij niet volhard in trouw. Blijven in de genade openbaart of men waarlijk een kind van God is, en het voorkomt ook dat men vreemde leringen aanneemt.

De volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het Woord van God te horen; maar toen de Joden, vervuld van jaloezie, zagen hoe het volk aandachtig luisterde naar het Woord van God, maakten zij bezwaar en lasterden. Zij ontvingen proselieten van hun godsdienst, want die bleven onder hun gezag; maar Joden en heidenen de genade aan te zien nemen die allen, ongeacht hun nationale aanspraken, op dezelfde grond voor God plaatste, maakte hen tot jaloerse tegenstanders en lasteraars.

Door zich te verzetten tegen het Woord van God, dat hun in de eerste plaats was verkondigd, veroordeelden zij zichzelf door zichzelf niet waardig te achten voor het eeuwige leven dat hun door genade was aangeboden. Door hun verzet hebben zij de genade van zichzelf afgestoten en kon deze nu ongehinderd naar de heidenen stromen.

De apostel wist in de profeten het goddelijk onderricht te vinden waarop hij in die omstandigheden kon vertrouwen. In Jesaja 49, waar de Heer klaagt over de mislukking van Zijn pogingen om Israël tot de Heer terug te brengen, krijgt Hij het door Paulus aangehaalde antwoord: “Ik heb u gesteld tot een licht van de volken, opdat u2 tot behoudenis bent tot aan [het] einde van de aarde” (vs. 47). Door Zijn sterven heeft de Heer het werk volbracht op grond waarvan het heil van God kan worden verkondigd tot aan de uiteinden van de aarde. De apostel Paulus was de grote heraut die God voor deze dienst had uitgekozen.

Vers 48 en 49

Toen zij uit de volken hoorden dat de door de Joden verachte verlossing ook voor de volken was, “verblijdden zij zich en verheerlijkten het Woord van de Heer.” Zij deden vooraf wat zal gebeuren wanneer Christus zijn heerlijk koninkrijk op aarde zal vestigen: “Dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen en zich in Hem beroemen” (Jer. 4:2 en andere passages), met dit verschil echter, dat Israël dan opnieuw zal worden aangenomen, terwijl het nu als volk terzijde is gesteld. Maar de individuele Israëlieten die geloofden, werden samen met de gelovigen uit de volken geïntroduceerd in de zegeningen van het christendom.

Dezen “verheerlijkten het Woord van de Heer.” Dit herinnert aan de woorden van Jezus in Lukas 7 vers 35: “En de wijsheid is gerechtvaardigd door3 al haar kinderen.” De kinderen van de wijsheid rechtvaardigen God door zich aan Zijn oordeel te onderwerpen en de waarheid van Zijn woorden te erkennen. Zij nemen de genade aan die aan zondaars wordt aangeboden. Het Woord van de Heer verheerlijken betekent het ontvangen als Zijn Woord, met al zijn gezag en zijn waarheid, en genieten van de zegeningen die het brengt.

“… die tot het eeuwige leven bestemd waren,“ geloofden het Woord van de Heer dat zij gehoord hadden. Hier, in verband met de opname van de volken in de gemeente, wordt de uitverkiezing geïntroduceerd zoals in hoofdstuk 2 vers 47, alleen waren het daar Joden die tot het eeuwige leven bestemd waren, gered zouden worden en door de Heer aan de gemeente werden toegevoegd.

Zonder deze uitverkiezing zou niemand behouden worden; maar het is evenzeer waar dat men, om behouden te worden, het verkondigde Woord moet geloven. De uitverkiezing ontslaat de mens niet van zijn verantwoordelijkheid om te geloven; en deze verantwoordelijkheid rust op alle mensen. Niemand zal geoordeeld worden omdat hij niet uitverkoren was, maar omdat hij niet wilde geloven. Jezus zei tot de Joden: “… en [toch] wilt u tot Mij niet komen opdat u leven hebt” (Joh. 5:40). Het is niet de vraag of hij uitverkoren was of niet, die de onbekeerde moet bezighouden; veeleer moet hij de redding aannemen die aan allen om niet wordt aangeboden. Niemand die ooit tot Jezus is gekomen, is uitgeworpen. Nadat de Heer had verklaard: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen,” zei Hij: “Want dit is de wil van Mijn Vader, dat ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft” (Joh. 6:37 en 40).

Ondanks het verzet van de Joden, werd het Woord verspreid over de hele regio. Twee keer wordt het het “Woord van de Heer” genoemd. Het is het Woord, dat met het gezag van de Heer bekleed is; het verkondigt de rechten van de verworpen Heiland die God tot Heer en Christus maakte. Daarom was niemand in staat om de werkzaamheid van het Woord van de Heer, dat Hem bekend maakt als Heiland, tegen te houden.

Vers 50-52

De Joden, machteloos tegenover zichzelf, riepen de hulp in van de voornaamsten van de stad en de godsdienstige, aanzienlijke vrouwen om een vervolging tegen Paulus en Barnabas op touw te zetten. Het gebruik dat de Joden hier maken van hun proselieten herinnert aan de woorden van de Heer die Hij tot hen sprak (Matth. 23:15): “… want u trekt de zee en het droge rond om één proseliet4 te maken; en wanneer hij het geworden is, maakt u van hem een zoon van [de] hel, tweemaal erger dan u.”

Door vervolging werden de apostelen verdreven, maar niet voordat de Heer Zijn werk in dat gebied had gedaan: Zijn Woord was over het hele land verspreid (vs. 49). Als degenen die werden afgewezen, gehoorzaamden zij aan het bevel van de Heer in Mattheüs 10 vers 23: “Wanneer zij u nu in deze stad vervolgen, vlucht in de andere.” De Heer stond deze vervolging toe opdat de apostelen het evangelie op andere plaatsen zouden verkondigen. Later keerden zij terug om de discipelen te versterken en te vermanen (Hand. 14:22) nadat de verkondiging van evangelie was gedaan.

Toen Paulus en Barnabas Antiochië verlieten, schudden zij het stof van hun voeten af, overeenkomstig de opdracht van de Heer in Mattheüs 10 vers 14: “… gaat naar buiten, uit dat huis of die stad en schud het stof van uw voeten af.” Hiermee gaven zij aan, dat zij niet langer enige band met hen hadden. Alle betrekkingen waren verbroken door hun weigering naar het Woord van de Heer te luisteren. Maar de discipelen verlieten hen omringd door tegenstand, maar in de vreugde van de Heilige Geest. Het werk van de Heer was gedaan.

 

NOOT:
1. of ‘bestemd.’
2. Enkelvoud.
3. Dit is ‘vanwege.’
4. Dit is een Joodse bekeerling, of ‘Jodengenoot.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 17; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW