6 dagen geleden

De eerste decennia van het christendom (27)

Handelingen 11 vers 27-30; Handelingen 12 vers 1-25

 

Vers 27-30

“In die dagen kwamen er uit Jeruzalem profeten in Antiochië. En één uit hen, Agabus, stond op en gaf door de Geest, dat er een grote hongersnood zou komen over het hele aardrijk.” Dit gaf de discipelen van Antiochië de gelegenheid om van hun liefde te getuigen tegenover de broeders in Judéa. Zij dachten er niet aan, dat ook zij door de hongersnood getroffen zouden worden, en zij wachtten ook niet tot het werkelijk zover was alvorens hun broeders te helpen. Zij besloten onmiddellijk hun gaven te zenden naar de middelen die voorhanden waren; want zo’n hongersnood moest wel een groot gemis brengen voor de broeders in Judéa, daar zij hun goederen hadden verkocht en ook beroofd waren van hun bezittingen (Hebr. 10:34). Deze nieuwe bekeerlingen uit de volken realiseerden zich het feit, dat alle verlosten, zowel “Joden” als “Grieken,” één familie vormen, bezield worden door hetzelfde leven, allen onder de kracht van de éne Geest staan en samen de leden van hetzelfde lichaam vormen.

In het begin van het christendom werd de gave van profetie op verschillende manieren uitgedrukt. De profeten konden nieuwe waarheden brengen of, naar gelang de bestaande behoeften, reeds bekende waarheden toepassen tot opbouw, vermaning en bemoediging van de toehoorders. Maar zij konden ook, zoals Agabus hier en in hoofdstuk 21, komende gebeurtenissen aankondigen. Vandaag de dag is de gave van profetie aan het werk in de gemeente van God op de manier zoals het in 1 Korinthe 14 vers 3 wordt omschreven. Het Woord van God is beëindigd; wij hebben geen aankondiging van nieuwe gebeurtenissen noch nieuwe openbaringen te verwachten.

 

Hoofdstuk 12


Vers 1-4

In die tijd leed de gemeente onder de vervolging van Herodes. Zoals zijn voorganger een vriend van Pilatus was geworden door Jezus te verwerpen, zo wilde deze Herodes ook een vriend van het volk worden door de discipelen te vervolgen. Hij had reeds sommigen van hen mishandeld, zelfs Jakobus, de broer van Johannes, gedood, en toen hij zag dat het de Joden behaagde, ging hij ook over tot de arrestatie van Petrus.

Jakobus was de eerste van de apostelen aan wie de eer werd toegekend als martelaar te sterven voor de naam van de Heer. Zijn bediening was van korte duur. Hij was één van de leidende apostelen geweest. De Heer had hem, samen met Petrus en Johannes, meegenomen bij de opwekking van de dochter van Jaïrus, naar de berg van de verheerlijking en naar zijn naaste omgeving in de hof van Gethsémané. Petrus en Johannes bleven, en hun bediening droeg het stempel van de gebeurtenissen waarvan zij getuige waren geweest in de tegenwoordigheid van de Heer.

Er zijn drie verschillende broeders die Jakobus heten:

  1. De broer van Johannes en zoon van Zebedeüs, (Matth. 10:2) die Herodes doodde;
  2. Jakobus, zoon van Alfeüs (Matth. 10:3), en
  3. Jakobus, oudste van de gemeente te Jeruzalem, schrijver van de brief van Jakobus (Matth. 13:55), waarschijnlijk de broer van de Heer.

Herodes wilde het feest van ongezuurde broden niet verstoren door Petrus naar voren te schuiven; uit eigenbelang hield hij rekening met de overtuigingen van de Joden. De religie van de wereld gaat gemakkelijk samen met haat tegen Christus en de Zijnen. De oversten van de Joden van hun kant hadden de Heer niet willen doden omwille van het volk, zelfs niet tijdens het feest. Maar God wil Zijn raadsbesluiten uitvoeren op Zijn eigen tijd: Jezus moest tijdens het feest sterven; maar dit uitstel hier moest helpen bij de bevrijding van Petrus.

Herodes liet Petrus zorgvuldig bewaken; hij werd geketend en toevertrouwd aan zestien soldaten. Maar de voorzichtigheid waarmee het volk zijn boze bedoelingen uitvoerde, gaf God de gelegenheid om Zijn macht te openbaren. Hetzelfde gebeurde bij het graf van de Heer; zij hadden de ingang van het graf beveiligd door de steen die ervoor was gerold te verzegelen. Maar Jezus was in staat om uit het graf te komen zonder het te openen. Toen kwam een engel van de Heer en rolde de steen weg (Matth. 28:2).

Vers 5-11

“Petrus werd dus in de gevangenis bewaakt, maar door de gemeente werd vurig een gebed tot God voor hem gedaan”. Mensen denken, dat ze kunnen doen wat ze willen, dat niemand ze zal tegenhouden. Maar God is in de hemel, en op aarde heffen de Zijnen biddende handen op. Het gebed zet Gods arm in beweging, om zo te zeggen. Dat wij toch als individu, en ook als gemeente, meer gebruik zouden maken van dit gezegende middel! In het algemeen bidden wij te weinig ernstig, omdat wij te weinig geoefend zijn in het onderwerp van onze gebeden. Soms hebben we niet de behoefte om gehoord te worden. In plaats van vurig te bidden, bieden wij gebeden aan.

In Lukas 11 vers 5 en 6 vinden we een modelgebed: “Vriend, leen mij drie broden!” Er waren geen verdere woorden nodig, geen uiteenzetting van vele waarheden, zoals zo vaak gebeurt. Het is voldoende als we de behoeften duidelijk en kort omschrijven en weergeven.

In Johannes 15 vers 7 leert de Heer ons hoe de behoeften in de gelovigen gevormd moeten worden: “Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, bidt alles wat u wilt, en het zal u gebeuren.” Als wij in gemeenschap met de Heer blijven en ons met Zijn Woord voeden, zullen wij alleen Zijn verheerlijking voor ogen hebben. Wij verlangen dan alleen wat God ons wil geven en zijn daarom zeker van Zijn antwoord. Op deze wijze zullen twee of drie in tegenwoordigheid van de Heer overeenkomen om te vragen wat hun van de Vader zal worden.

In het begin, toen zij met satan te doen hadden als de leeuw, was het gebed de kracht van de gelovigen, hoeveel te meer hebben wij het vandaag nodig, als hij werkzaam is als een slang of als een engel van het licht!

Herodes had zijn soldaten, maar God beschikte over “sterke engelen, die Zijn woord uitvoeren” (Ps. 103:20). Hij zendt hen als “dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden terwille van hen die [de] behoudenis zullen beërven” (Hebr. 1, 14).

Nu is blijkbaar de laatste nacht voor Petrus aangebroken. Herodes wilde hem nu aan het volk voorstellen, maar door de gemeente werd er een vurig gebed voor Hem tot God gebeden. Ondertussen sliep Petrus een door God gegeven, diepe slaap. Hij was het vanaf het begin eens met alles wat God over hem zou bepalen, dus rustte hij in de vrede die gevonden wordt in het vertrouwen op God. Zoals de Heer in de boot te midden van de storm had geslapen, zo sliep Zijn discipel in ketenen tussen twee soldaten.

Toen verscheen een engel van de Heer en vulde de kerker met licht uit de hemel. Hij stond in dienst van Hem die al de haren van ons hoofd geteld heeft, en was vol mededogen voor Petrus. Hij sloeg Petrus op de zij om hem wakker te maken; hij gebood hem op te staan, en toen hij dat deed vielen de ketenen van de handen van de gevangene. Toen zei hij tot hem: “Omgordt u en bindt uw sandalen aan … werp uw mantel om en volg Mij.” Ongehinderd passeerden zij de verschillende bewakers; de ijzeren poort ging uit zichzelf voor hen open en zij stapten naar buiten. De engel vergezelde hem nog tot aan het einde van die weg, maar toen trok hij zich terug, omdat zijn bediening vervuld was. De engelen overschrijden nooit hun opdracht, wij kunnen van hen leren.

Om de engel, die een geestelijk lichaam heeft, door te laten, hoefde de poort niet open; Petrus echter was nog in zijn stoffelijk lichaam. De kracht van God hield rekening met deze omstandigheid en nam het obstakel weg.

Toen Petrus de engel volgde, meende hij een gezicht te zien; maar toen hij tot zichzelf was gekomen, zei hij: “Nu weet ik waarlijk dat <de> Heer Zijn engel heeft uitgezonden en mij heeft verlost uit [de] hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden.” Herodes wilde Petrus aan het volk voorstellen, maar nu was het God, die hem als een vrijgelatene aan de verzamelde heiligen voorstelde.

Vers 12-17

De Geest van God leidde Petrus naar het huis van Maria, de moeder van Markus, waar velen bijeen waren en baden. God wilde, dat zij het antwoord op hun gebeden onmiddellijk zouden weten. Hoe vurig hun smeekbede ook was, allen, behalve het dienstmeisje, durfden nauwelijks een antwoord te verwachten. Toen zij de stem herkende van Petrus die aan de deur van de poort klopte, deed zij van vreugde niet open, maar liep vlug naar binnen en deelde mee, dat het Petrus was. Zij die aan het bidden waren geloofden haar niet en zeiden tot haar: “Je spreekt wartaal!” en toen zij nu verzekerde dat het zo was, zeiden zij: “Het is zijn engel.” Hun geloof stond niet op gelijke voet met hun smeekbede. Zij waren zich meer bewust van de macht van Herodes dan van de macht van God. Is het niet vaak hetzelfde met ons?

Dit zal ook het geloof van het overblijfsel kenmerken, wanneer de Heer verschijnt om hen te verlossen. In het begin zullen zij dag en nacht om bevrijding smeken, maar de Heer zegt: “Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?” (Luk. 18:8). Wij zijn vaak ver verwijderd van de mogelijkheid om, zoals de Heer, te zeggen: “Vader, Ik dank U dat U mij hebt gehoord. Ik wist wel dat U Mij altijd hoort” (Joh. 11:41,42). “En als wij weten dat Hij ons hoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij de beden hebben die wij van Hem hebben gebeden” (1 Joh. 5:15).

De Geest van God wilde de schoonheid van het geloof van het dienstmeisje, waarvan ze zeiden: “Je spreekt wartaal!,” benadrukken door haar naam bekend te maken. Het was “een dienstmeisje, genaamd Rhodé”. Ze bad in geloof zonder te twijfelen.

De discipelen waren buiten zichzelf toen zij Petrus zagen, maar hij echter ”wenkte hun met de hand dat zij moesten zwijgen, en vertelde <hun> hoe de Heer hem uit de gevangenis had geleid.” En hij voegde eraan toe: “Bericht dit aan Jakobus en de broeders.” Hij gedroeg zich alsof dit alles iets natuurlijks was. Waarlijk, wat voor de mens bovennatuurlijk lijkt, is voor God ‘natuurlijk.’ – “En hij ging naar buiten en reisde naar een andere plaats.”

Met uitzondering van een vermelding in hoofdstuk 15, horen we in Handelingen niets meer over Petrus. Maar voordat de geïnspireerde Schrift het verslag van Petrus’ bediening afsloot, wilde God klaarblijkelijk getuigen, dat hij gered was om de bediening uit te voeren die de Heer hem, volgens Johannes 21, had toevertrouwd.

Wij komen Petrus weer tegen in zijn brieven, en wij vinden ook Johannes terug in zijn geschriften. In elk van hen zien we, hoe trouw deze twee discipelen waren in de vervulling van hun bediening.

Vers 18-25

De verdwijning van Petrus veroorzaakte grote consternatie onder de soldaten die hem moesten bewaken. Toen Herodes hem niet vond en bij ondervraging niets meer uit de bewakers kon krijgen, liet hij hen wegvoeren om te worden terechtgesteld. Deze ongelukkigen werden, in tegenstelling tot de soldaten die het graf van de Heer moesten bewaken, niet gespaard. In die tijd hadden de religieuze leiders er belang bij, dat de bewakers de leugen verspreidden, dat de discipelen het lichaam van Jezus hadden gestolen. Herodes echter, had die interesse niet. Bij het uitvoeren van hun kwade bedoelingen, geven mensen niets om gerechtigheid.

Geërgerd door zijn falen, ging Herodes naar Caesaréa. Tijdens zijn verblijf in die stad kwam een delegatie van de Tyriërs en Sidoniërs, op wie hij vertoornd was, bij hem op bezoek. Daar hun land gevoed werd door het land van Herodes, wensten zij vrede met hem te sluiten en wisten Blastus, zijn kamerheer, aan hun zijde te krijgen, onder wiens invloed Herodes hun verzoek welwillend inwilligde. Op een vastgestelde dag, gekleed in een koninklijk gewaad en gezeten op een troon, hield hij een openbare toespraak tot hen. Toen riep het volk uit: “Een stem van God en niet van een mens!” Het behaagde de koning dit even overdreven als onoprechte eerbetoon te ontvangen van een volk, dat zijn gunst zocht. Een engel van de Heer sloeg hem onmiddellijk, “omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf” (zie Jes. 14:11). De mens in zijn goddeloosheid luistert graag naar de influisteringen van satan, die uit de hof van Eden komen. Daar zei hij tegen Eva: “… dat u als God  zult zijn.” Dit streven om als God te zijn, kan steeds weer worden waargenomen in de geschiedenis van de mens; het zal zijn hoogtepunt bereiken in het beest en de valse profeet.

In Herodes, de valse koning van de Joden, de moordenaar en vervolger van gelovigen, kan men verschillende trekken herkennen van de antichrist, die ook vernietigd wordt op het moment dat hij zich als God voordoet. – De gelovige daarentegen zegt: “Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef Uw naam eer, om uw goedertierenheid, om Uw trouw” (Ps. 115:1).

Ondanks de tegenstand van de vijand, nam het Woord van God toe en vermenigvuldigde zich (vs. 24). Gods kracht werd geopenbaard door Zijn woord, onder de werking van de Heilige Geest. Dit Woord wordt hier gezien als een persoon Wiens activiteit resultaten oplevert, als iets dat groeit en zich vermenigvuldigt. De slechtheid van de mens en de sluwheid van satan kunnen het werk van God, die mensen tot Zich wil trekken en hen wil redden, niet verhinderen.

Hoe goed is het te weten dat deze kracht vandaag net zo werkzaam is zoals toen, temidden van mensen die vijandig staan tegenover de waarheid en die nog dood zijn in hun overtredingen en zonden. Wij moeten niet verzwakken in onze ernstige smeekbede, dat dit Woord van de Heer voortgang heeft en verheerlijkt wordt (2 Thess. 3:1). Barnabas en Saulus hadden de hulp van de discipelen uit Antiochië naar Jeruzalem gebracht (Hand. 11:30): hun dienst was vervuld, ze keerden naar Antiochië terug en namen Johannes Markus, de neef van Barnabas, mee.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1960 – Bladzijde 78; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW