3 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (22)

Handelingen 9 vers 18-30

 

Vers 18

“En terstond vielen hem als het ware schubben van de ogen en hij kon weer zien; en hij stond op, en werd gedoopt. En toen hij voedsel had genomen, werd hij versterkt.” Alles wat Saulus in de waan van verblinding had gehouden, en van hem een vervolger van de Heer had gemaakt, leek op deze schubben die nu van zijn ogen vielen. Niet alleen was hem zijn natuurlijk gezichtsvermogen teruggegeven; zijn ogen waren nu geopend voor wat hij nooit eerder had gezien, voor de nieuwe toestand van de dingen waarin hij nu was binnengeleid. Voortaan was hij een discipel van de Heer onder de banier van Christus. Hij bevond zich nu in het huis van God, waarin hij moest werken als een wijze bouwmeester. Hij eet en komt weer op krachten, niet om de gemeente te vervolgen, maar om de dienst te verrichten waarvoor hij was uitverkoren.

Vers 19-22

Saulus bleef een paar dagen bij de discipelen in Damaskus en predikte in de synagogen, waarvoor hij brieven had ontvangen om de discipelen gebonden naar Jeruzalem te leiden, dat Jezus de Zoon van God was. In plaats van Jezus aan de Joden te prediken als de Christus, de Messias die door hen verworpen was, zoals Petrus deed, predikte hij in verband met zijn opdracht aan de volkeren – Jezus als de Zoon van God die in deze wereld gekomen was en als zodanig door de engel aan Maria beloofd was (Luk. 1:35). Bij de doop door Johannes werd Hij door God zelf uitgeroepen als de Zoon van God (Matth. 3:17), en nu is Hij opgenomen in heerlijkheid als een Voorwerp van geloof, dat de wereld overwint (1 Joh. 5:5).

Allen die Saulus hoorden spreken, raakten buiten zichzelf, want zij hadden hem eerder gekend. Maar hij versterkte zich des te meer en bracht de Joden die in Damascus woonden in verwarring door te bewijzen, dat deze Zoon van God de Christus is.

Vers 23-25

Wat in deze verzen wordt verteld, gebeurde drie jaar later, toen Saulus uit Arabië terugkeerde. Hij zegt in Galaten 1 vers 15-18: “Maar toen het God, die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de volken verkondigde, ging ik terstond niet te rade met vlees en bloed en ging ook niet op naar Jeruzalem, tot hen die vóór mij apostelen waren; maar ik ging weg naar Arabië en keerde weer terug naar Damaskus. Daarna, na drie jaren, ging ik op naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken, en ik bleef vijftien dagen bij hem.” Deze drie jaren van afwezigheid worden in ons hoofdstuk geparafraseerd door de woorden: “Toen er nu vele dagen verlopen waren.” Het was ter gelegenheid van zijn terugkeer uit Arabië naar Damaskus, dat de Joden met elkaar overlegden om hem ter dood te brengen. God vond het niet nodig ons bijzonderheden te geven over dit verblijf in Arabië, gedurende hetwelk Saul ongetwijfeld werd onderricht en voorbereid met het oog op de bediening, waartoe hij geroepen was. De schrijver van de Handelingen vermeldt dat verblijf in het geheel niet, omdat hij de apostel vanaf het begin van zijn bediening te midden van de christenen wil laten zien. In de brief aan de Galaten wilde Paulus echter duidelijk maken, dat hij zijn bediening rechtstreeks van de Heer in heerlijkheid had ontvangen, buiten het rechtssysteem om, en ook niet van de apostelen die met de Heer waren geweest, omdat hij hen pas drie jaar na zijn bekering zag.

Saulus moest in zijn bediening vanaf het begin lijden voor de naam van de Heer. Haat tegen die Naam kenmerkte nog steeds de vijanden van Christus; zij verzetten zich tegen een leer die hun de grond ontnam, waarop zij zich op de mens konden beroemen.

Vers 26-30

Na zijn verblijf in Arabië, zocht hij in alle bescheidenheid aansluiting bij de discipelen in Jeruzalem. Maar allen waren bang voor hem, omdat zij geen kennis hadden van zijn bekering. Barnabas bracht hem echter tot de apostelen en vertelde hun van zijn bekering en van zijn openlijke belijdenis van de naam van Jezus te Damaskus. Deze introductie van Saulus door Barnabas toont het principe aan volgens hetwelk een persoon in de gemeente moet worden voorgesteld die tot de tafel van de Heer wenst te worden toegelaten. Men komt christenen tegen die menen, dat iedere gelovige het recht heeft de tafel van de Heer bij te wonen, zonder dat dit wordt getoetst. Maar uit deze passage blijkt, dat daarvoor het getuigenis nodig is van betrouwbare personen die kunnen spreken over onze bekering en het bewijs van het nieuwe leven in ons. In Jeruzalem ging Saulus in en uit met de discipelen en sprak vrijuit in de naam van de Heer. Hij sprak niet alleen over Hem, maar hij sprak in Zijn naam. Hij sprak alleen wat de Heer hem leerde, want hij ontving alle dingen van Hem. Daar hebben we een feit dat de moeite van het opmerken waard is: hij die spreekt moet in staat zijn om het te doen in de naam van de Heer. Hij mag als Zijn boodschapper niets anders zeggen dan wat hij in Zijn naam kan spreken. De Hellenisten, dat wil zeggen de Joden uit de verstrooiing, die nog niet uit de gevangenschap naar Judea waren teruggekeerd, maar die aan het Judaïsme vasthielden, probeerden Saulus te doden, die met hen sprak en twistte. De vijand zag in hem een macht om te ontwapenen, en daarom trachtte hij hem van het begin af aan te onderdrukken. De broeders brachten Saulus naar Caesarea, en vandaar naar Tarsus, zijn geboorteplaats, vanwaar Barnabas hem op het juiste moment naar Antiochië bracht.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1959 – Bladzijde 298; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW