4 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (20)

Handelingen 8 vers 25-40

 

Vers 25

Toen Petrus en Johannes “het Woord van de Heer betuigd en  gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het evangelie aan vele dorpen van de Samaritanen.” Goddelijke wijsheid had alle dingen zo geleid, dat het werk dat begonnen was door Filippus, die een gave bezat onafhankelijk van de apostelen, werd gedaan in volledige gemeenschap met de twaalf die van de Heer die speciale opdracht hadden ontvangen volgens Mattheüs 28 vers 19 en 20.

Het was belangrijk dat de harmonie die dit werk kenmerkt, behouden zou blijven. Het zou niet goed zijn geweest, indien onder de zielen die in Samaria het Woord hadden ontvangen, de mening was gevormd, dat zij onafhankelijk waren van Jeruzalem en van het werk dat de Heer daar door de apostelen had verricht. Als het werk van de Geest is, is er altijd eendracht. Ongetwijfeld komen daarin verschillen voor, maar dit verstoort de eenheid niet. Bovendien had de Heer Petrus de sleutels van het koninkrijk der hemelen toevertrouwd. Hij was het, die de deur van het koninkrijk had geopend voor de Joden (Hand. 2:37-41); hier opende hij die voor de Samaritanen en later voor de heidenen (hfdst. 10). Bij hun terugkeer naar Jeruzalem zetten Petrus en Johannes het evangelisatiewerk voort, dat Filippus begonnen was in de dorpen van de Samaritanen.

Vers 26

De Heer gebruikt een engel om Filippus te vertellen, waar hij heen moet. En Filippus gehoorzaamt. Vanuit menselijk oogpunt en in het belang van het werk had Filippus kunnen denken, dat het beter was op zijn huidige, zo rijk gezegende arbeidsterrein te blijven, dan uit te gaan op een eenzame weg. Maar een ware dienaar moet zich niet laten leiden door zijn eigen gedachten over het werk, maar alleen door gehoorzaamheid aan de Heer. Hij moet van Hem afhankelijk blijven om Zijn wil te kennen, en gehoorzamen wanneer hij die kent. Op zulk een weg zal hij, evenals Filippus, alles ontvangen wat de Heer voor hem bereid heeft voor de vervulling van zijn taak. Nadat de eerste stap is gezet, toont de Heer de tweede, en zo gaat de dienaar vooruit in de goede werken die God tevoren heeft voorbereid. Op een andere manier zou zijn dienst onvruchtbaar of zelfs schadelijk zijn.

De engel van de Heer werd naar Filippus gezonden en niet naar de kamerling. Men zou kunnen denken, dat een engel die uit de hemel neerdaalt beter geschikt zou zijn om over de Heer tot een mens te spreken. Maar het zijn de mensen aan wie de Heer gaven heeft gegeven, en als voorwerpen van genade zijn zij in staat erover te spreken. Wat zondaars hebben meegemaakt is onbekend voor engelen, en zij zijn daarom niet in staat te evangeliseren. Zij zijn goddelijke boodschappers die de Heer kan gebruiken ten behoeve van Zijn dienaren. In het begin van Zijn werk, dat ons in deze hoofdstukken wordt beschreven, zien wij hen vaak bezig met deze activiteit.

Vers 27-35

“En hij stond op en ging.” Er is geen aarzeling, geen afweging. Op de ‘woeste’ weg reed de wagen van een Ethiopiër, een machthebber aan het hof van Candacé, die als bewaarder over al haar schatten gesteld was. Hij was naar Jeruzalem gekomen om te aanbidden, en keerde nu terug naar zijn eigen land. Hij zat in zijn wagen en las de profeet Jesaja. Alles was voorbereid op Filippus’ bediening. De Geest zei tegen hem: “Ga naar die wagen en blijf er in de buurt.” De Ethiopiër had zich geplaatst op de bodem van zegen, die koning Salomo eens had afgesmeekt voor de vreemdeling, die in een ver land van de grote Naam van de HEERE zou horen en om Zijnentwil naar Jeruzalem zou komen (1 Kon. 8:41-43). “… wanneer hij komt,” zei Salomo, “en naar dit huis zijn gebed richt, luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal.” Dit gebed was al eens eerder verhoord, ten gunste van de koningin van Scheba. Maar in de tussentijd was alles veranderd voor Israël en voor de volken. Het huis des HEEREN in Jeruzalem was nu verlaten, en God openbaarde Zich nu in genade aan alle mensen vanwege het werk van Zijn Zoon, die de Joden verworpen hadden. Dit was wat God wilde mededelen aan deze man, die zo’n lange reis had gemaakt om Hem te aanbidden. Voor de mensen die tot de “volkeren” behoorden was er voortaan meer dan alleen “de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen” (Matth. 15:27). Het feestmaal was nu voor iedereen bereid.

De Geest van God leidde Filippus naar de kamerling op het moment, dat hij een passage voorlas uit de profeet Jesaja. Deze passage spreekt over het werk van Christus, dat vervuld moest worden om ieder mens vrije toegang te geven, niet in Jeruzalem, maar tot alle zegeningen van het christendom. De Ethiopiër had in Jeruzalem niet gevonden wat hij zocht. Die stad was niet langer de plaats, waar men moest aanbidden. De plaats van aanbidding was nu daar, waar men Jezus kent en waar Zijn naam de heiligen vergadert. De kamerling hoefde niet langer zo’n lange reis te ondernemen, om te kunnen aanbidden. Evenmin nam hij, zoals Naäman eens deed, een wagen vol aarde mee uit het land Kanaän (2 Kon. 5:17). Wat hij mee naar huis nam was veel meer dan dat: het was de kennis van Jezus, over Wie Jesaja reeds gesproken had.

Op de vraag van Filippus: “Begrijpt u wel wat u leest?” antwoordde de kamerling: “Hoe zou ik dat immers kunnen, als niet iemand mij begeleidt?” (vs. 30)  En hij verzocht Filippus in te stappen en bij hem te komen zitten.

Drie fundamentele waarheden werden de kamerling voorgehouden in deze bekende passage uit de profeet Jesaja (Jes. 53:7,8):

1. De vernedering van de Heer en Zijn gehoorzaamheid tot in de dood: “Als een schaap werd Hij naar [de] slachting geleid, en zoals een lam stom is tegen zijn scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open” (vs. 32). Jezus liet Zich ontdoen van al Zijn heerlijkheden om Zijn werk van liefde te volbrengen.

2. “In Zijn vernedering werd Zijn oordeel weggenomen …” (vs. 33a). Hij bevindt zich niet meer in het lijden; Hij is er van bevrijd en is opgestaan. Nu is Hij in de heerlijkheid, en dit is het duidelijke bewijs van de voldoening die God gevonden heeft in Zijn volbrachte werk.

3. “… wie zal zijn geslacht1 vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen” (vs. 33b). Het woord “geslacht” wekt de gedachte aan een nageslacht. Zoals de eerste Adam door zijn ongehoorzaamheid voor zichzelf een gezin geschapen heeft, die op hem lijkt, zo heeft ook de laatste Adam door Zijn gehoorzaamheid voor zichzelf een gezin gemaakt, een geslacht, dat allen omvat die behoren tot de vrucht van Zijn werk aan het kruis. “Om de moeitevolle inspanning van Zijn ziel zal Hij het zien, Hij zal verzadigd worden” (Jes. 53:11). In verband met Israël worden de resultaten van Zijn werk vermeld in het volgende hoofdstuk: “want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE” (Jes. 54:1).

De kamerling zei tot Filippus: “Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit: van zichzelf of van iemand anders?” (vs. 34). En zo heeft de dienaar van de Heer, die tot hem gezonden was, slechts zijn mond te openen: “… en te beginnen van die Schrift verkondigde hij hem Jezus” (vs. 35). Dit tafereel leert ons hoe op het pad van een afhankelijke en gehoorzame dienaar alles eenvoudig is. Hij wordt daarheen geplaatst, waar de Meester wil werken, en hij hoeft alleen maar zijn mond open te doen. Zijn Meester geeft hem het onderwerp en de woorden die hij erover zeggen moet. En dat onderwerp is Jezus. Niet langer de voorbeelden – in Zijn Persoon was de werkelijkheid nu aanwezig. Hij kwam om God aan ons te openbaren en om alles te vervullen, wat nodig was voor verloren zondaars om van nu af aan en tot in eeuwigheid van Hem te kunnen genieten.

Vers 36-40

De Geest van God bracht Zijn werk tot voltooiing in het hart van deze man. Binnen enkele ogenblikken werd hem alles duidelijk. Hij ontving de waarheid, die Jezus hem voorhield als dood en opgewekt, en trad binnen in de nieuwe positie die dit werk voor hem had verworven door de dood en opstanding van Christus. Hij besefte het belang van deze positie; voortaan was hij een getuige. Hij zei tot Filippus: “Kijk, water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” – “Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap” (vs. 36,39) De verdwijning van Filippus bedroefde hem niet, want het Onderwerp, dat nu zijn hart vervulde, bevredigde hem volledig. Echte dienst verenigt het hart met Christus, en niet met de mens.

Het is belangrijk op te merken, dat het niet Filippus was die aan de kamerling voorstelde om zich te laten dopen. Deze nieuwe bekeerling begreep, dat deze daad een voorrecht was en geen gebod. Hij bezat het leven, dat Christus voor hem had gekocht door Zijn dood en bevond zich nu aan de andere kant van de dood, op grond van de opstanding. Hij liet de zonde en de wereld achter zich en beleed deze nieuwe positie openlijk door de doop. Voortaan stond hij bekend als een discipel van Christus, ingeschreven onder de banier van zijn Heer en Heiland, Wiens gezag hij erkende. Hij was nu een christen.

Nog een opmerking: De verschillende uitdrukkingen die in het Woord van God voor de doop worden gebruikt, spreken elkaar niet tegen. Zij hebben alle betrekking op de heerlijkheid van de Persoon van Christus, tot Wie men gedoopt is. Volgens de opdracht die de Heer aan Zijn discipelen gaf (Matth. 28:19), moesten zij dopen “in de naam van de Vader en van de Zoon en de Heilige Geest.” Want de nieuwe orde der dingen waarin de gedoopten werden binnengeleid, werd gekenmerkt door de openbaring van God de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. In Handelingen 2 vers 38 vinden we de doop “in de naam van Jezus Christus,” want God verkondigt in dit hoofdstuk de heerlijkheid van die Naam, in tegenstelling tot de verachting waarmee Hij door dit volk werd tegemoet getreden (vs. 36). In Handelingen 8 vers 16 en 19 vers 5 wordt de uitdrukking gebruikt “tot de Naam van de Heer Jezus”; in Handelingen 10 vers 48 “in de naam van Jezus Christus”; en in Galaten 3 vers 27 “tot Christus,” in tegenstelling tot de wet.

Het is opvallend dat de formulering die de Heer in Mattheüs 28 uitspreekt, in Handelingen nooit wordt gebruikt. Zoals wij reeds hebben opgemerkt, is het verslag van Handelingen niet een verslag van de opdracht die de Heer aan de twaalf heeft toevertrouwd. De apostel Paulus evangeliseerde met het oog op de vorming van de gemeente; hij had alleen Crispus, Gajus en ook het huis van Stéfanas gedoopt (1 Kor. 1:14,16).

 

NOOT:
1. Dit is ‘afkomst òf (geestelijk) nageslacht òf generatie (= tijdgenoten).

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1959 – Bladzijde 233; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW