2 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (15)

Handelingen 7 vers 1-16

Vers 1-7

Na de aanklachten tegen Stéfanus te hebben gehoord, vroeg de hogepriester hem: “Is dit inderdaad zo?” Daarop begon Stéfanus het Sanhedrin in de kracht van de Heilige Geest met genade en wijsheid te herinneren aan de geschiedenis van het volk vanaf de roeping van Abraham. Hij wees erop hoe God de omstandigheden had gebruikt om Zijn beloften aan de patriarch te vervullen: het volk kwam in het bezit van het land Kanaän en ten slotte kwam de Messias die door de profeten was beloofd. Maar in dit verhaal benadrukte hij niet alleen de trouw van God, maar ook het voortdurende verzet van de vaderen, dat daarmee parallel liep. De geest van opstand was al duidelijk bij de broers van Jozef, toen in hem de kenmerken van Christus in beeld openbaar werden. Deze geest in Israël verscheen ook aan Mozes toen hij zijn broeders wilde bevrijden en helemaal gedurende de hele wandel door de woestijn. In het beloofde land gaven ze zich over aan afgoderij, vervolgden en doodden de profeten die tevoren de komst van de Messias aankondigden. Het natuurlijke gevolg van deze tegenstand, die oorspronkelijk tegen God was gericht, was de afwijzing van Zijn Gezalfde, van hun Bevrijder, over Wie Mozes het volk al had verteld (vs. 37). Hun weigering om zich te bekeren van deze verschrikkelijke zonde, lag ook in deze lijn.

Deze bekering zou immers de voorwaarde zijn geweest voor de terugkeer van de Heer, Die uit de hemel zou zijn neergedaald om de “tijden van verkwikking” in te luiden, waarover de profeten hadden gesproken en waarnaar Petrus ook verwees (Hand. 3:19). Zoals hun vaderen zich tegen de Heilige Geest hadden verzet, zo weerstonden zij ook Hem, door zijn getuigenis over Jezus, de Verheerlijkte, niet te aanvaarden. In feite kwam dat neer op het verwerpen van de God van de heerlijkheid, die eens aan Abraham was verschenen en vervolgens het volk tot de zending van Zijn Zoon in lankmoedigheid verdragen had.

De Joden herkenden zichzelf in de heldere spiegel die Stéfanus hen voorhield. Ze barsten uit in woede en stenigden hem! Vanaf dat moment was elke verbinding tussen God en het verantwoordelijke volk verbroken. Wel werkte de genade nog steeds in de afzonderlijke personen om hen te redden en aan de gemeente toe te voegen. Maar vanaf dat moment zou het volk verstrooid worden onder de volken, uit wiens midden ze ooit waren uitgeroepen. Deze stand van zaken zal duren tot de dag waarop God de onvoorwaardelijke beloften vervult die aan de vaderen gegeven zijn, en tot wie dit volk zeggen zal: “Geprezen Hij die komt in de naam van de Heer!”

Stéfanus, tegen wie de Joden zich verzetten, staarde vol van de Heilige Geest naar de hemel en riep in bewonderenswaardige uniformiteit met de Heer dezelfde woorden uit als Hij: “… ontvang mijn geest” en “Heer, reken hun deze zonde niet toe!” Maar hij kon niet, zoals zijn Meester eraan toevoegen: “Want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34).

In feite was het aan het volk door de dienst van Petrus en Stéfanus duidelijk geworden, dat ze uiteindelijk de Heer hadden verworpen. En omdat de mens de trouwe getuige van Jezus op aarde niet wilden dulden, ging de hemel voor hem open en nam de Heer zijn geest op tot de opstanding uit de doden, die het deel zal uitmaken van alle ontslapen gelovigen.

Nu kon de hemelse positie van de gemeente worden geopenbaard, en dit werd gedaan door de dienst van de jongeman, die de kleren bewaarde van degenen die Stéfanus stenigden.

Maar laten we nog terugkomen op de rede van Stéfanus!

Het was de God van heerlijkheid die Abraham van de afgoderij, waarin de mens sinds de vloed is gezonken, afgezonderd heeft (vgl. Joz. 24:2-3). De mensheid was bij de spraakverwarring in Babel verdeeld in verschillende volken. Om de roeping van God in geloof te volgen, moest hij nu alles, volk en familieleden, verlaten en alle natuurlijke en politieke banden verbreken. Want God wilde een volk hebben, dat Hem toebehoorde en gescheiden was van een toestand van dingen, waarin de demonen de plaats van God innamen. De kracht van zo’n roeping was in de God van de heerlijkheid te vinden, die alle volmaaktheden kenmerken, waarin Hij Zich in Zijn Zoon bekend gemaakt heeft. Hij riep tot Abraham: “Kom naar het land dat Ik u wijzen zal.” De kracht van de roeping van zo’n God en ook een door Hem meegedeeld geloof, was nodig voor Abraham om te vertrekken en alles achter te laten zonder te weten waar het heen ging. Maar toen God zei: “Kom!”, dan betekende dit, dat Hij Zelf bij hem zou zijn. Hij zei niet: “Ga!”, hoewel dat voor het geloof genoeg zou moeten zijn. Maar in gemeenschap met de God van de heerlijkheid, is het gemakkelijk om alles op te geven om Zijn roeping te volgen (verg. Gen. 12:1-5; Hebr. 11:8vv.).

Stéfanus gaat dieper in op het oponthoud van Abraham in Haran, dan het in Genesis gebeurt (zie Gen. 11:31-12:5). Hij maakt duidelijk, dat de roeping en de beloften in Mesopotamië werden gedaan. Het feit dat Abraham zijn vader meenam, vertraagde zijn aankomst in Kanaän. Het feit dat Lot met hem was meegegaan, maakte later zijn weg moeilijk. Maar door zulke moeilijkheden leert God degenen die geroepen zijn de zegen van een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid beter te verwerkelijken.

Het feit dat Abraham geen kind had was een beproeving van zijn geloof, ook al bezat hij de belofte van een nageslacht om het land te bezitten, waarin hij als vreemdeling verbleef. Maar dat zou pas 400 jaar later zijn. Gedurende deze gehele periode werden zijn nakomelingen geacht hier vreemdelingen te zijn en vervolgens onderworpen te blijven aan een volk, dat God op een bepaald tijdstip wilde oordelen. Stéfanus merkte met precisie op, dat deze nakomelingen moesten worden bevrijd om God “op deze plaats” te dienen. Daardoor herinnerde hij de Joden die naar hem luisterden aan het doel van hun wonen in dit land en in Jeruzalem.

Vers 8

Hier verwijst Stéfanus naar het verbond van de besnijdenis, dat God met de vaderen had gesloten om hun eigen afzondering voor God op hun geweten te leggen.

Vers 9-16

Het gedrag van de broers van Jozef stelde voor de toehoorders in beeld de verworpen Christus voor. Jaloers op hem, verkochten zijn broers hem en gaven hem over in de handen van de volken. Maar God was met hem; zijn verwerping na een periode van lijden leidde tot zijn verhoging als de heer in opperste heerlijkheid. Ondertussen leefden zijn broers zonder hem, totdat de hongersnood hen aan zijn voeten bracht. In deze heerlijkheid werd hij door hen erkend, zoals ook Christus spoedig zal worden erkend door het lijdende overblijfsel.

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1959 – Bladzijde 71; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW