5 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (1)

Handelingen 1 vers 1-3

Inhoud

Dit boek beschrijft de vestiging van het christendom in het midden van de Joden en onder de volken. Hierin vinden we de uitvoering van de opdracht die de Heer aan de apostelen gaf volgens het evangelie van Lukas 24 vers 47 en 48. Zij moesten berouw en vergeving van zonden prediken aan alle volken in de naam van de Heer, te beginnen bij Jeruzalem.

Het woord verwijst hier niet naar de opdracht zoals die aan de discipelen volgens Mattheüs 28 vers 18-20 werd toevertrouwd. Daar geeft de Heer, nadat Hij in Galiléa in het midden van het overblijfsel uit Israël verschenen was, de apostelen de opdracht om alle volken tot discipelen te maken, hen te dopen tot de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en hen te leren te bewaren alles wat Hij hun geboden had. Dan voegt Hij eraan toe: “Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw”. Daarom begrijpen we dat de hemelvaart van de Heer in het verslag van Mattheüs geen plaats vinden kon.

In het Evangelie van Lukas en ook in Handelingen is het heel anders, die allebei dezelfde auteur hebben. Hier wordt de discipelen opgedragen om in Jeruzalem te blijven totdat ze met kracht van boven werden bekleed, waarmee zij hun bediening zouden moeten verrichten. En de Heilige Geest kon alleen over hen komen als het resultaat van de verheerlijking van Christus.

Inleiding

De Handelingen van de apostelen kan in drie delen worden verdeeld. Het eerste hoofdstuk is het eerste deel. Het bevat de openbaring van de opgestane Jezus voor de apostelen, en ook Zijn hemelvaart. De discipelen die wachten op de komst van de Heilige Geest, bevinden zich nog steeds op Joodse bodem. Ze hebben een goed begrip van de Schrift, zoals de Heer het hen gegeven heeft, maar ze bezitten nog niet het licht dat de Heilige Geest geeft. Om deze reden werpen ze bijvoorbeeld het lot om een vervanger voor Judas te kiezen.

Het tweede deel, van het tweede tot het twaalfde hoofdstuk, beschrijft vooral de bediening van de apostel Petrus. Hij wendt zich nog tot de Joden als volk en belooft hen, dat als ze zich bekeren, de Heer terug zal komen en alle zegeningen zal vervullen die hun door de profeten waren beloofd. Maar in plaats van zich te bekeren, verwierpen de Joden het getuigenis van de Heilige Geest en stenigden Stéfanus. Door deze moord verklaarden ze duidelijk: “Wij willen niet dat deze over ons regeert”, naar de gelijkenis van de Heer in Lukas 19 vers 14. Petrus, die trouw is in het bestuur dat hem door de Heer werd toevertrouwd, toen Hij hem de sleutels van het koninkrijk der hemelen gaf (Matth. 16:19), voert eerst de Joden in dit koninkrijk in (hfdst. 2), dan de Samaritanen (hfdst. 8:14) en ten slotte de volken (hfdst. 10).

Het derde deel, vanaf het 13e hoofdstuk tot het einde van het boek, vertelt over de bediening van de apostel Paulus, volgens Galaten 2 vers 7-10. Nadat de Joden definitief alle rechten op hun zegeningen verloren hebben, behalve dan op de grondslag van genade, wordt Paulus, de apostel der volken, het geheimenis van de gemeente geopenbaard. Maar Paulus richt zich altijd eerst tot de Joden en vervolgens tot de volken.

Hoofdstuk 1

Vers 1 en 2

Het boek Handelingen van de apostelen is de voortzetting van het evangelie van Lukas. Beide zijn gericht aan Theófilus. Deze was duidelijk een Griek in een hoge positie. Lukas noemt hem “hoogedele Theófilus”. Het eerste verslag, het Evangelie, was een beschrijving van alles wat Jezus begonnen was te doen als te leren, tot op de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij de apostelen, die Hij had uitverkoren, door de Heilige Geest opdrachten had gegeven.

“Doen en leren” is een treffende uitdrukking voor de activiteit van de Zoon des Mensen, zoals voorgesteld in het evangelie van Lukas. Ook in Handelingen zien we Jezus als de Zoon des Mensen voor ons. Jezus begon hier op aarde om te doen en te leren, en ging daarin verder door de kracht van de Heilige Geest door middel van de apostelen. Daarom kan het boek Handelingen (of: ‘geschiedenis van de Handelingen van de apostelen’) ook de ‘geschiedenis van de Handelingen van de Heilige Geest’ worden genoemd.

We zien hieruit, met welke kracht de Heilige Geest werkte in de tijd waarin de bediening van de apostelen zich op Jeruzalem had geconcentreerd. En ook toen later een nieuw werk begon, zei de Heilige Geest: “Zonder Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe ik hen heb geroepen” (Hand. 13:2). Het uitgangspunt van dat werk was Antiochië, niet Jeruzalem.

De opgestane Heer gaf Zijn aanwijzingen aan de uitverkoren apostelen door de Heilige Geest. Reeds tijdens Zijn bediening hier op aarde had Jezus altijd door de Geest gehandeld, door Wie Hij als mens gezalfd was (Hand. 10:38), en zo is de Heilige Geest ook de kracht door Wie Hij als de opgestane Mens werkt. Dat geeft ons zekerheid dat wij door deze kracht ook van alle zegeningen in de heerlijkheid genieten zullen, in het aanschouwen van de aanbiddelijke Persoon van onze Heer, wanneer de Geest niet langer meer betrokken hoeft te zijn met onze wandel, om ons te leiden en ons te bevrijden van alles wat een belemmering was voor onze vreugde in Hem. De Heilige Geest zal altijd bij ons zijn, zoals Jezus zijn discipelen beloofde in Johannes 14.

Vers 3

De Heer gaf de apostelen bevelen, die Hij hun pas geven kon toen Hij hen door Zijn dood en opstanding in een nieuwe positie had gebracht.

Maar dat niet alleen, Hij heeft Zich ook “nadat Hij had geleden levend vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen”. Deze passage sluit zich wederom aan bij het einde van het Evangelie van Lukas, waar de Heer de discipelen met zoveel duidelijke bewijzen overtuigt, dat Hij dezelfde is als vóór Zijn dood. Om hen alle twijfels te ontnemen, vertoont Hij Zich aan hen en eet voor hen, hoewel Hij geen voedsel nodig had omdat Zijn lichaam geestelijk was. Gedurende veertig dagen werden de discipelen ook al de bewijzen van de opstanding van Jezus gegeven. De apostel Paulus noemt enkele van deze bewijzen in 1 Korinthe 15.

Het getal veertig symboliseert een volkomen tijd van voorbereiding of beproeving, dat wil zeggen, een voldoende lange periode waarin God kan openbaren wat Hij wil laten zien. Het volk van Israël was veertig jaar lang in de woestijn. Mozes leefde veertig jaar aan het hof van Farao. … De veertig dagen van de verzoeking van de Heer lieten de volmaaktheid van Zijn gehoorzaamheid zichtbaar worden. En zo verder. Zo werd het ook in veertig dagen volledig openbaar, dat de Heer was opgestaan. Ze konden Hem zien en aanraken (Luk. 24:39). Zijn opstanding was niet geestelijk, zoals bepaalde theologen leren.

Het was van het grootste belang, dat de opstanding van Christus door vele ooggetuigen bevestigd werd, want het christendom, dit nieuwe en hemelse feit, is gebaseerd op de opstanding. Als gevolg van de overwinning van Christus op de dood laat het alles achter zich wat de verloren mens, de zondaar, toebehoort en leidt ons door geloof in een geheel nieuwe positie. De vervulling van alle raadsbesluiten van God aangaande de hemel en de aarde berust op het feit van de opstanding. We hebben ook daardoor de zekerheid, dat onze zonden zijn vergeven.

In dit hoofdstuk vinden we een Christus die geleden heeft, een Christus die is opgestaan en naar de hemel is opgevaren, en ook een Christus die zó terug zal komen zoals ze Hem naar de hemel zagen gaan. Hier wordt ons verteld hoe Hij instructies geeft aan de apostelen en Zich aan hen levend voorstelt, zodat ze Zijn opstanding kunnen bevestigen, en hoe Hij Zich met hen onderhoudt over de dingen, betreffende het koninkrijk van God.

Het koninkrijk van God is de nieuwe toestand van de dingen, waarin de mens door de nieuwe geboorte is binnengegaan, een orde van dingen die onderworpen zijn aan God en overeenstemmen met Zijn wezen, dat in Christus is geopenbaard. Het is een koninkrijk, waarin de morele eigenschappen van God erkend en gehandhaafd worden. Lukas spreekt meestal over dit koninkrijk. Christus was de uitdrukking ervan. Het was aanwezig in Zijn Persoon. Paulus heeft het ook verkondigd (Hand. 20:25). De Heer kon niet tegen Zijn discipelen spreken over het koninkrijk in heerlijkheid, maar over de morele eigenschappen van het koninkrijk, waartoe zij behoorden, en die zij in de wereld zouden verkondigen.

Wordt D.V. vervolgd.

Jaargang: 1958 – Pagina: 13
Auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie
© www.haltefest.ch

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW