8 maanden geleden

De eenheid van de Geest bewaren (2)

Nooit opgeven!

Leestijd: 4 minuten

In de vroeg-christelijke tijd kunnen we leren hoe God ervoor zorgde, dat de gelovigen de eenheid van de Geest bewaarden in de band van de vrede (Ef. 4:1-3). Zowel bij het gemopper van de Hellenisten als bij de vorming van de gemeente in Samaria leren we hoe God ervoor zorgde, dat de eenheid bewaard bleef. God werkt aan de ene kant. Maar Hij verwacht ook van ons, dat wij onze verantwoordelijkheid nemen. Dit geldt ook voor twee andere gevallen waarover Lukas ons vertelt in de Handelingen van de apostelen. Steeds weer stond de eenheid op het spel.

3. De bekering van Cornelius (Hand. 10-11)

Dit was misschien nog wel een kritischer moment dan het vorige, omdat de Joodse gevoelens tegenover de heidenen veel sterker waren dan tegenover de Samaritanen.

De voorzienige maatregelen van God waren veelvuldig:

  • De engel-boodschapper aan Cornelius;
  • het visioen dat aan Petrus werd gegeven;
  • de onmiddellijke gave van de Geest bij het ontvangen van het evangelie, zonder dat er een doop heeft plaatsgevonden, zoals het geval was bij de Joden in Handelingen 2.

Hierdoor was het voor geen enkele Jood, hoe groot zijn natuurlijke vooroordelen ook waren, mogelijk om de doop en het formele ontvangen van deze heidense gelovigen te verbieden. Dit alles laat ons zien hoe God aan het werk was om de gebeurtenissen zo te sturen, dat elk obstakel dat de volledige samensmelting van Joden en heidenen in het éne lichaam van Christus in de weg had kunnen staan, werd weggevaagd.

Aan de menselijke kant was het opmerkelijke kenmerk het handelen van Petrus om “enkele broeders uit Joppe” (Hand. 10:23), “deze zes broeders” (Hand. 11:12), met zich mee te nemen. Met dit wijze handelen zorgde hij er niet alleen voor, dat er voldoende getuigen waren van wat er werkelijk gebeurde. Hij nam ook elke verdenking weg, dat hij achter de rug van zijn broeders om handelde. Er was niets slinks aan de hand, geen poging om een gevoelige kwestie buiten de gemeenschap met zijn broeders te regelen.

De uitwerking hiervan is te zien in Handelingen 11. Toen in de conferentie in Jeruzalem enkele broeders met zeer beperkende opvattingen moeilijkheden opwierpen, was het bewijs zo overtuigend, dat de Joodse christenen uiteindelijk het werk van God onder de heidenen erkenden en God daarvoor verheerlijkten.

4. De discussie over de wet (Hand. 15)

Dit was misschien wel de gevaarlijkste crisis van allemaal. Hoewel heidenen werden toegelaten tot de gemeenschap en de voorrechten van de gemeente van God, waren er nog steeds veel Joodse gelovigen die een Judaïserende of wettische vorm van het christendom wilden handhaven en zo de heidense bekeerlingen wilden Judaïseren. Paulus en zijn medestanders verzetten zich hier krachtig tegen.

Galaten 2 vers 1-5 werpt licht op deze gebeurtenis en laat zien hoe compromisloos Paulus was, omdat hij zag dat er een belangrijke waarheid op het spel stond. Het toont ook de werking van de Goddelijke voorzienigheid, dat Paulus over deze kwestie “door openbaring” naar Jeruzalem ging. De gemeente in Antiochië bepaalden “dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem over deze twistvraag” (Hand. 15:2). Maar achter de schermen was deze openbaring aan Paulus de beslissende factor.

Aan de menselijke kant zien we drie dingen:

  1. De gehoorzaamheid van Paulus en zijn metgezellen aan de openbaring. Ze hadden natuurlijk het gevoel kunnen hebben, dat ze hun zaak aan het opgeven waren. Het is waar, dat ze wisten dat hun overtuiging juist en uiterst belangrijk was. Maar wat zou er gebeuren als ze ermee instemden om naar de stad te gaan waar de invloed van hun tegenstanders buitengewoon groot was? Ze zetten alle natuurlijke gevoelens en berekeningen opzij en gehoorzaamden.
  2. Er werd een vrije maar nuchtere discussie toegestaan. De zaak werd door beide partijen openlijk gepresenteerd. Er werd niet geprobeerd om punten te scoren door zich te verlagen tot het niveau dat advocaten soms tijdens rechtszittingen aan de dag leggen. Er werd veel met elkaar gesproken, zoals in vers 7 staat. Maar de waarheid is groot en daarom zijn zij niet bang voor onderzoek.
  3. Ten slotte noemde Petrus de feiten en Jakobus citeerde de Heilige Schrift en kondigde toen zijn oordeel aan, dat op beide gebaseerd was en waar alle aanwezigen het mee eens waren. De feiten en de Schrift die deze feiten uitlegde, hadden de overhand. Er was geen bezwaar tegen deze dingen. Ze waren doorslaggevend en iedereen boog ervoor.
  • Is het niet duidelijk, dat de geschiedenis van de gemeente door de eeuwen heen er heel anders uitgezien zou hebben als er een vergelijkbare wijze procedure gevolgd was, ondersteund door een vergelijkbaar verlangen naar de eenheid van de heiligen van God als leden van het lichaam van Christus?
  • En is het niet net zo duidelijk dat, hoewel de geschiedenis van de gemeente zo vol mislukkingen en verwarring is geweest, onze verantwoordelijkheid om de eenheid van de Geest te bewaren nog steeds bestaat, en dat deze Schriften ertoe kunnen bijdragen om ons wijs te maken en om ons te wapenen tegen verdere ontwrichtende tendensen?

 

Overgenomen uit Scripture Truth, deel 40, 1959-61, pagina 273 & deel 7, pagina 326 e.v.

Frank. B. Hole; © www.bibelpraxis.de

19 mei 2023.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW