13 jaar geleden

De Christelijke doop (IV)

Na een onderbreking i.v.m. de zomermaanden gaan we weer verder met de doop. Denk jij er nog steeds over na of heb je al gedaan wat de Heer van jou vroeg? Hoe dan ook …

Nu eerst weer een vervolgoverzicht. In het vorige artikel tref je de punt 8-11 aan.

12. Wie is een Christen?
13. De vraag voor God van een goed geweten
14. Het huis van God
15. De opstanding van Christus
16. “U”, niet “ons”

12. Wie is een Christen?

Is een gelovige niet al vóór zijn doop een Christen? Wat het hart betreft: Ja! Wat zijn positie in Christus betreft: Ja! Maar wat zijn positie in de wereld betreft: Nee! Laat dit duidelijk zijn: Wie zich niet wil laten dopen, wil ook geen Christen zijn. Hij wil zich niet met een gestorven Christus en met het Christendom identificeren, hoewel daarin alle zegeningen gevonden worden, die uit de dood van de Heer Jezus voortkomen.

Neem bij voorbeeld een jonge Jood, die tot bekering komt en vrede met God gevonden heeft. Hij heeft sindsdien met veel vijandschap ten aanzien van zijn ouders en familie te maken. Zij dreigen hem als hij zich laat dopen (dit is “tot het Christendom overgaan”) uit het huis te zetten en hem te onterven. Nemen wij aan dat deze jonge gelovige uit angst voor de gevolgen terugschrikt zich te laten dopen. Is hij dan behouden? In de volle zin van Markus 16 niet, want hij weigert zich (hoe begrijpelijk ook de redenen zijn mogen!) de bodem van de Christelijke belijdenis in te nemen. Hij wijst het af, naar buiten toe een Christen te zijn. Zo blijft hij dus in het oog van God, van de engelen en van de mensen met het jodendom in verbinding, dat Christus aan het kruis sloeg, en dat is niet behoudenis.

Dat is het wat de Apostel Petrus ertoe bracht, de van hun zonde overtuigde joden in Handelingen 2:40 toe te roepen: “Laat u redden van dit verkeerd geslacht”. Hij zei niet: “Laat u redden van de hel!” of: “Laat u redden van Gods toorn!”, maar: “Laat u redden van dit verkeerd geslacht!”. Van dit geslacht, dit volk dat Christus verworpen had. Waardoor geschiedde deze redding? Door geloof en doop: “Zij dan, die zijn woord aannamen, lieten zich dopen”.

Deze jonge Jood hierboven liet zich niet van dit verkeerd geslacht redden. Natuurlijk gaat hij, als de Heer Jezus komt, met Hem in het vaderhuis, evenals alle geliefde kinderen van God. In dit opzicht is er geen verschil tussen iemand die gedoopt is of niet. Het geloof in Zijn bloed (Romeinen 3:25) leidt tot rechtvaardiging – niet de doop.

Wij hebben geleerd: Het is niet hetzelfde, of men innerlijk een Christen is, of dat men dat ook naar buiten toe is. Nikodemus en Jozef van Arimathéa waren eerst uit vrees voor de joden verborgen discipelen van de Heer Jezus. Maar toen de Heiland gestorven was, maakten zij beiden zich met hun gestorven Heer één (Johannes 19:38-42). Wat een prachtig beeld is dit daarvan, wat wij doen, als wij ons laten dopen.

In eerste instantie is het ‘zich laten dopen’ geen plicht, geen keiharde ‘must’, maar een kostbaar voorrecht. “Ziedaar water, wat verhindert mij gedoopt te worden?” (Handelingen 8:36). “Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden?” (Handelingen 10:47). Er bestaat niet zo zeer een gebod, zich te laten dopen, maar wel het gebod te dopen: “Gaat dan heen, … en doopt hen” (Mattheüs 28:19). “En hij (Petrus) beval hen te dopen in de naam van de Heer” (Handelingen 10:48). Maar de onderwerping aan de door de Heer ingestelde institutie van de doop is natuurlijk ook gehoorzaamheid.

13. De vraag voor God van een goed geweten

Door hetgeen wij tot nu toe geleerd hebben, zal het veel gemakkelijker zijn de volgende schriftplaats uit 1 Petrus 3:20-21 te begrijpen, waarmee wij ons nu bezig willen houden.

“… toen de lankmoedigheid van God bleef wachten in de dagen van Noach, terwijl de ark gereed gemaakt werd, waarin weinigen, dat is acht zielen, gered werden door water. Als tegenbeeld daarvan behoudt de doop nu ook u – die niet is een afleggen van de lichamelijke onreinheid, maar de vraag voor God van een goed geweten – door de opstanding van Jezus Christus, …”

De Christelijke doop is een tegenbeeld van een gebeurtenis in het Oude Testament, de behoudenis van Noach en zijn gezin in de dagen van de vloed. Dit gebeuren laat in beeld dezelfde zaak zien. Dat laat ons dit beter begrijpen. Noach werd door (middel) van water gered. Hetzelfde water, waardoor de oude verdorven wereld onderging, was in Gods hand het middel, waardoor Noach in de ark op de nieuwe, door oordeel gereinigde aarde gebracht (behouden, gered) werd. Hier zien wij weer deze volkomen verwisselde positie, die behoudenis genoemd word.

Nu, de doop laat ons in beeld dezelfde behoudenis zien. Als we ons nog een keer in herinnering roepen, waarvan het water van de doop spreekt – van de dood van Christus als van een oordeel van God over de zonde -, hoe indrukwekkend spreken dan beide beelden! God zal eens deze goddeloze wereld oordelen. De oorzaak daarvan is de dood van Christus. Dezelfde dood van Christus is in Zijn hand voor hem – die in de “ark” is, die Christus in geloof als zijn Heiland aangenomen heeft en daarom in Hem geborgen is – het middel, waardoor hij hem op een nieuwe plaats brengt, waar het Goddelijke oordeel al zijn werking gedaan heeft. Deze nieuwe, door oordeel gereinigde plaats, is een gebied op deze aarde waar God wonen en regeren kan – het huis van God, of ook het Rijk der hemelen.

14. Het huis van God

Alleen op grond van het verlossingswerk van Christus kan God bij mensen wonen, die van nature zondig zijn. Op het kruis van Golgotha heeft God volkomen laten zien, hoe Hij over zonde denkt. “… daar Hij, door zijn eigen Zoon in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde te zenden, de zonde in het vlees heeft veroordeeld” (Romeinen 8:3). Daar heeft Christus voor zonden geleden, “de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen” (1 Petrus 3:18). Daar lag “de straf, die ons de vrede aanbrengt op Hem”, en God heeft op Hem “onzer aller ongerechtigheid doen aanlopen” (Jesaja 53:5-6).

Waar ook vandaag mensen in het geloof het werk van de Heer Jezus op Golgotha op zichzelf toepassen, zijn zij op de bodem van een volbrachte verlossing, van een uitgevoerd oordeel en bij hen kan God wonen. Ja zij vormen zelfs de woonplaats van God op aarde, een geestelijk huis (1 Petrus 2:5). Dat het huis van God ook in een verdergaande betekenis de gehele Christelijke belijdenis omvat, zullen wij nog zien. De doop heeft ermee te maken.

Zo gezien behoud ons dus de doop. Zij brengt ons op een bodem van Gods zegen op deze aarde. Voorwaarde daarbij is natuurlijk, dat wij in geloof door datgene doorgegaan zijn, waarvan de doop als beeld spreekt. Anders kan er van behoudenis geen sprake zijn. Dit zij nog eens heel dik onderstreept! Alleen wat de belijdenis naar buiten toe betreft op de juiste plaats te zijn, is nooit behoudenis. “Wie gelooft en gedoopt is, zal behouden worden” (Markus 16:16). Dat zijn de woorden van de Heer Jezus.

Maar dit staat ook vast: Als wij gedoopt zijn, zijn wij voor God op de grondslag van de dood (en de opstanding) van Christus. Hij neemt ons dan in Zijn huis op, om ons in de Goddelijke dingen te onderwijzen. Het huis van God is in deze zin gelijk aan de Christenheid. Petrus spreekt in 1 Petrus 4:17 daarvan. Dit gebied werd helaas door de verantwoordelijkheid van de mens verdorven. God moet het oordeel daarover brengen. Maar zolang God dit oordeel nog uitstelt, is dit de woonplaats van God de Heilige Geest. Daarover later meer.

De doop is dus niet een teken daarvan, wat wij al bezitten. Veelmeer is het een teken daarvan wat wij verkrijgen en wat wij begeren. De doop behoudt – en wel in de beschreven zin – en in de doop begeren wij een goed geweten. Dat hebben wij dus niet. Het water van de doop heeft niets mystieks of bovennatuurlijks. Als zodanig kan het ons niet van de onreinheid van het vlees reinigen. Maar het heeft een diepe symbolische betekenis en spreekt van de dood van Christus. Wie zich laat dopen, accepteert de dood. Als gevolg daarvan komt de gelovige – zoals eens Noach – aan de andere kant van de dood en het oordeel.

15. De opstanding van Christus

De doop zelf is een begrafenis. Zij geschiedt ten aanzien van de dood van Christus. Wij begrijpen, dat de doop op zich niet behouden kan, omdat zij zelf als beeld niet boven de dood uit gaat. Maar Christus is niet in de dood gebleven, Hij is opgestaan. Zijn Werk werd door God aangenomen.

Daarom wordt hier de doop en het begeren van een goed geweten met de opstanding van Christus in verbinding gebracht. Als wij ons in het geloof met de dood van Christus één gemaakt hebben – daarvan is de doop een beeld – dan geeft ons de opstanding van Christus een goed geweten. Wij begrijpen dan, dat wij onze oude toestand (‘zonde’) en onze oude verbindingen (‘wereld’) door ons één maken met de dood van Christus verloren hebben. Door onze eenmaking met de opgestane Christus zijn wij in een nieuwe toestand (‘nieuwheid des levens’) en in een nieuw gebied (‘het huis van God’) gekomen.

Welk een onbeschrijfelijke genade is het, dat God ons één ziet zowel met de gestorven als ook met de opgestane Christus! En als God dat zo ziet, mag het geloof het óók zo zien. Deze kant vinden wij meer in de Romeinen-brief en nog meer in de Kolosse-brief: “… met Hem begraven in de doop. In Hem zijt gij ook mee opgewekt door het geloof in de werking van God, die Hem uit de doden heeft opgewekt” (Kolosse 2:12).

16. “U”, – niet “ons”

Gaan wij nu nog een keer naar 1 Petrus 3 terug! Petrus gebruikt hier een uitdrukking, die in opvallende tegenstelling staat met hetgeen Paulus uitdrukt. “Als tegenbeeld daarvan behoudt de doop nu ook u”, dat zijn de woorden van Petrus. Paulus zegt: “dat zovelen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn …” en “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood” (Romeinen 6:3,4). Paulus sluit zichzelf volkomen in, als het om de doop gaat. Hij is ook inderdaad door een discipel Ananias gedoopt en daarmee op de gebruikelijke wijze aan het huis van God en aan het Rijk der hemelen toegevoegd (Handelingen 9:18).

Het lijkt erop dat Petrus nooit met de Christelijke doop gedoopt werd. Daarom zegt hij ook “u”. Wie had hem dan moeten dopen?

Daarmee komen wij terug op hetgeen over de Messiaanse doop volgens Johannes 4 van de twaalf apostelen werd gezegd. Omdat zij zelf de “kern” van de discipelen van de op aarde levende Messias waren, was het hun taak anderen in dit gebied in te laten. Waardoor? Door de doop in de Messias.

Wij zijn nu in de tijd na de uitstorting van de Heilige Geest. De 120 op de Pinksterdag vormden de “kern” (niet alleen van de gemeente, maar ook) van het discipelschap van de verheerlijkte Heer. Wie zou hen dopen, wie hun de deur tot dit nieuwe gebied openen? Zij vormden dit gebied immers!

Petrus nam onder hen een bijzondere positie in. Hem waren van de Heer Jezus de sleutels van het Rijk der hemelen toevertrouwd. Daarmee zou hij eerst de gelovigen uit de joden het Rijk ontsluiten. Dat vinden wij in Handelingen 2 waar hij op hun vraag wat zij doen moesten antwoordde: “Bekeert u, en een ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden” (Handelingen 2:38).

Udo Prinzen

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM