4 maanden geleden

De bekoring van Zijn aantrekkingskracht

“U bent veel mooier dan de andere mensenkinderen; genade is op Uw lippen uitgegoten, daarom heeft God U voor eeuwig gezegend” (Ps. 45:3).

Johannes de Doper, de door God gezonden man, had de unieke taak om de Heer Jezus Christus te introduceren. Ondanks het grote voorrecht dat hem was gegeven, kende hij Christus niet. Eén ding wist hij zeker: hij, Johannes, was niet de Christus, ondanks alles wat hij deed (Joh. 1:20-26). Daarom had hij er behoefte aan dat de Christus eerst voor hem geïdentificeerd zou worden, voordat hij aan de hem opgedragen taak kon beginnen. En wat een manier van voorstellen was dat! In overeenstemming met de taak was de bron en de wijze van voorstellen hemels (Joh. 1:32-33). Het was toen, dat Johannes zonder twijfel de waarheid van de Christus kende.

Die dag stelde Johannes de Heer voor aan zijn discipelen. Toen hij Hem zag die daar wandelde, barstte Johannes uit in bewondering en aanbidding: “Zie, het Lam van God!” Later werd Johannes bewogen om in woorden te verklaren wat hier gezien werd als het resultaat van zijn uitroep over de Heer Jezus: “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Joh. 3:30). Welnu, twee van zijn discipelen waren Jezus gevolgd. Dat getuigenis was zo krachtig, dat het hen tot de Heer Jezus had gekeerd, en dit was inderdaad de kern van Johannes’ roeping (verg. 1:23,26,30).

Vanaf dat punt lezen wij van een opeenvolging van personen die in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus werden gebracht door de bekoring van Zijn aantrekkingskracht, of door een getuigenis daarover. Van hen die wij in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes aantreffen, trekt vooral Nathanaël onze aandacht.

Toen onze Heer Nathanaël tot zich zag komen, maakte Hij een opmerking over Nathanaël die verbazingwekkend was. In antwoord op de vraag van Nathanaël brachten de woorden van de Heer Nathanaël tot deze belijdenis van de Godheid en het ambt van de Persoon die voor hem stond: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël!” (1:50)

Een andere persoon die zich tot de Heer aangetrokken voelde was Nicodémus. De tekenen die Jezus deed hadden de aandacht van Nicodémus gevestigd op de uniekheid van Zijn macht (Joh. 3:2). Zijn waardering van de bron van de bijzondere macht van de Heer leverde hem geen lof op, maar het opende voor hem een tot dan toe onbekend gebied, Goddelijk van oorsprong, en Goddelijke macht vereisend voor het begrijpen en doorgronden ervan (Joh. 3:3-7). Hoe gezegend Nicodémus die nacht ook was, hij leerde ook tot zijn verwondering, dat het koninkrijk van God niet was wat hij gedacht had dat het was. Hij signaleerde de diepte van deze onwetendheid door de verwonderde vraag: “Hoe kunnen deze dingen gebeuren?” (Joh. 3:9) Dit ontlokte de Heer een al even wonderbaarlijk antwoord: “Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?” (Joh. 3:10) Wat een teleurstellende situatie voor Israël, waarin zijn erkende leraar onwetend was van deze zeer elementaire waarheid en werkelijkheid. Maar hoe dankbaar zijn wij, dat de Heer hier was om die duisternis van deze onwetendheid te verdrijven. Dat Hij dat voor Nicodémus deed, zien we later waar Nicodémus voor het eerst namens de Heer sprak en daarna wanneer we over hem lezen na de dood van onze Heer Jezus (Joh. 7:50-52; 19:38-42).

Ook de vrouw uit Samaria leerde de invloed van Zijn aantrekkingskracht kennen. Uit een heel gewoon verzoek om een slok water haalde de Heer de kwaliteit van haar leven en de noden van de diepe uithoeken van haar hart naar boven. Verbaasd concludeerde de vrouw dat Hij een profeet was en probeerde Hem te betrekken in een discussie over wáár mensen moeten aanbidden. De Heer deed de Samaritaanse eredienst af als onwetendheid, en toonde aan dat ware eredienst niet afhing van plaats of ras. De ware eredienst had de Vader als Voorwerp en was in de geest, niet in vormen en patronen van activiteit. Het was ook in overeenstemming met de waarheid: het Woord van God, dat gericht is tot het hart (Joh. 4:19-25).

De vrouw erkende, dat alleen de Messias alles kon zeggen, en de belijdenis van onze Heer dat Hij inderdaad de Messias was, bracht haar ertoe zich naar de stad te begeven en de Naam van de Heer te verkondigen aan de mensen daar. Zo’n getuigenis had resultaat en trok de inwoners van Samaria aan om Hem zelf te horen. Hun getuigenis aan het eind van hun ontmoeting met Hem is diepgaand: “Wij geloven niet meer op uw zeggen, want wijzelf hebben [Hem] gehoord en weten dat Deze waarlijk de de Heiland van de wereld is” (Joh.4:42).

Maria van Bethanië was een ander, wier hart en leven zich onderwierp aan de bekoring van Zijn aantrekkingskracht. Zij zat aan Zijn voeten en hoorde Zijn woord (Luk. 10:39). Zo’n prachtige toewijding aan haar Heer en aan Zijn woorden bracht haar “dat goede deel dat van haar niet zal worden weggenomen” (zie Luk. 10:42). Hoe wonderbaarlijk werd dit later bewezen! Want toen haar broer stierf, wachtte zij geduldig tot de Heer zou komen en haar zou roepen. Toen zij geroepen werd, kwam zij en “zag zij Hem, viel aan Zijn voeten”; haar smart over het verlies van haar broer was intens, maar “dat goede deel” hield zij hardnekkig vast. Later bij een maaltijd zalfde zij de voeten van haar Heer en droogde ze af met haar haren (Joh. 12:3). Dat goede deel was nog steeds van haar: totale onderwerping aan haar Heer. Wat een voorbeeld voor allen die zich tot de Heer aangetrokken voelen!

De laatste beschouwing is Maria van Magdalena, uit wie de Heer zeven demonen had geworpen. Heel vroeg in de morgen kwam zij naar het graf. Zij keerde terug en vertelde anderen over de omstandigheden (Mark. 16:9-11). Zij kwamen, zij zagen en zij keerden terug. Zij echter keerde terug en bleef. Zij was volledig toegewijd aan de Heer, zozeer zelfs dat zij alleen tevreden zou zijn met Hem te zien. Zo toegewijd was zij, dat zij bereid was Zijn dode lichaam mee te nemen. Haar wenen sprak van een hart, gebroken en berouwvol over het niet vinden van Zijn lichaam. Haar woorden tot de engelen en tot Degene van wie zij dacht dat Hij de tuinman was, spraken van een vastberaden hart dat maar één vast doel had (zie Joh. 20:11-18).

Wat een vreugde toen haar hart vervuld werd door het geluid van die bekende stem die één woord uitsprak: “Maria!” Wat een antwoord kwam er uit een hart zo verheugd door die stem: “Rabboeni!” Hoe vol van toewijding! Wat een verandering in de boodschap die aan de discipelen gebracht moest worden! Voorheen was de boodschap aan de discipelen er een van wanhoop: “Ze hebben de Heer weggenomen …”; die aan de engelen: “… omdat zij mijn Heer hebben weggenomen” (Joh. 20:2,13).

De woorden die nu haar hart en lippen vulden, weerspiegelden haar beeld van de Heer en wat Hij tot haar had gezegd. Zij verliet nu het graf, want zij wist waar Hij was. Zij ging naar de discipelen en bracht de boodschap van hoop en vreugde. Zijn Persoon in al zijn bekoorlijke aantrekkingskracht had haar bevangen hart bevredigd. Hoe zit het met het mijne? En het uwe?

 

Hadley Hall; The Christian Explorer

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW