9 maanden geleden

De afgezonderde onder Zijn broeders (2)

Genesis 37 vers 17-20; Genesis 39 vers 20; Genesis 40 vers 2-3.

Genesis 37 vers 17-20:
17. Toen zei die man: Zij zijn vanhier opgebroken, want ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers achterna en trof hen aan bij Dothan.
18. Zij zagen hem al van ver; en nog voor hij in hun nabijheid gekomen was, beraamden zij een listig plan tegen hem om hem te doden.
19. Zij zeiden tegen elkaar: Zie, daar komt die meesterdromer aan.
20. Nu dan, kom, laten we hem doodslaan en hem in een van deze putten gooien, en wij zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opgegeten. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terechtkomt.

Nu begon een tijd van lijden voor Jozef. Gestuurd door zijn vader om “de welstand van zijn broers te zien,” zocht hij hen tot hij hen in hun veld vond en bij hen kon zijn. Maar hij ontmoette broers die klaar waren om hem te doden! Nauwelijks was hij daar of zij vielen hem aan, ontdeden hem van zijn gehate veelkleurig gewaad en gooiden hem in de put. Gedurende dit afschuwelijke tafereel horen we geen woord van belediging van Jozef. Maar de broers moesten later bekennen: “Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte” (Gen. 42:21).

Toen onze Heer Jezus naar Zijn volk kwam om hun Heiland te worden, toen Hij, innerlijk bewogen door de ellende en geestelijke nood waarin zij verkeerden, Zijn bediening onder hen verrichtte in totale overgave, ontmoetten Zijn “broeders” Hem niet met wederliefde, maar met dodelijke haat en hun voortdurend voornemen om Hem uit te schakelen:

  • Al toen het nieuws van Zijn geboorte Jeruzalem bereikte, was niet alleen Herodes maar heel Jeruzalem “ontsteld.” De ouders moesten met het kind naar Egypte vluchten om te ontkomen aan de moord op de jonge kinderen in Bethlehem, die vanwege hem was bevolen (Matth. 2:3; 13-18);
  • en niet eerder was Hij met Zijn openbare bediening begonnen, of Hij werd uit de stad Nazareth verdreven, waar men Hem van de rand van de berg wilde werpen (Luk. 4:29,30);

Na een ernstig debat met de Farizeeën, aan het einde waarvan Hij had gezegd: “Vóór Abraham werd, ben Ik,“1 pakten zij stenen op om naar Hem te gooien (Joh. 8:59);

  • Toen Hij op een sabbat een man met een verdorde hand had genezen, pleitten de Farizeeën tegen Hem, hoe zij Hem zouden ombrengen (Matth. 12:14);
  • zelfs na de reiniging van de tempel probeerden de overpriesters en schriftgeleerden Hem om te brengen (Mark. 11:18);
  • tenslotte na de opwekking van Lazarus, beraadslaagden ze ook hoe ze Hem zouden doden (Joh. 11:53).

Telkens weer moest Jezus, onze Heer, hen ontwijken of Zich voor hen verbergen, omdat zij Hem achtervolgden (Matth. 4:12; 14:13; 15:21; Joh. 12:36 enz.). Maar toen het door God vastgestelde uur voor Zijn verzoenend werk aan het kruis was aangebroken en Hij zich vrijwillig aan hen overgaf, hoe vielen zij toen op Hem aan om Hem al de haat van hun hart, hun verachting en hun hoon te laten voelen! (Matth. 26:67,68).

Wanneer wij in de evangeliën lezen, dat Jezus, in het aangezicht van het uur van lijden, die Hij zag naderen, “ontsteld en zeer beangst” begon te worden, toen Zijn ziel “zeer bedroefd was tot de dood toe” (Mark. 14:33,34), dan was dat vooral, omdat Hij voor ons onder het oordeel van God verlaten zou worden. Psalm 22 begint precies op dit hoogtepunt; maar het laat ook zien – net als Psalm 69 en andere passages – dat alle wreedheden die de mensen Hem aandeden, de diepe smaad die zij Hem toebrachten, de doelbewuste spot en hoon waarmee zij Hem troffen, Hem oneindig veel smart bezorgden en Zijn hart braken. Zelfs het feit, dat een van de discipelen Hem overleverde, heeft Hem in de geest ontroerd (Joh. 13:21).

Juist voor Zijn “broeders,” voor de Joden die Hem zo tegemoet traden, wilde de Heer Jezus Zich in liefde overgeven. Hij verdedigde Zichzelf niet. “Hij werd mishandeld en Hij werd verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open” (Jes. 53:7). En Petrus zegt van Hem: “… die, als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed niet dreigde” (1 Petr. 2:23). Aan het kruis smeekte Hij voor hen: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34), en op grond van deze voorspraak zal het volk in de toekomst zijn bloedschuld worden vergeven. Waarlijk, onze Heer is “rijk aan vergeving!”

Jozef antwoordde aan de vrouw van Potifar die hem verleidde: “Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?” (Gen 39:9).

Tegen het hoofd van de schenkers zei hij: “Want ik ben met geweld ontvoerd uit het land van de Hebreeën; en ook hier heb ik niets gedaan waarvoor men mij in deze kerker zou moeten zetten“ (Gen. 40:15).

“Men drukte zijn voeten vast in de boeien, hijzelf kwam in de ijzers. Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam, heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd” (Ps 105:18,19).

De Geest van God zorgde ervoor, dat in het verhaal van Jozef zijn schuldeloosheid duidelijk werd opgetekend: De broers vielen hem aan en verkochten hem aan de Ismaëlieten, terwijl hij, die zich afzijdig had gehouden van hun slechte daden, tot hen was gekomen om naar hun welstand te zien. En juist omdat hij niet tegen God wilde zondigen, werd hij in de kerker geworpen.

Ook hierin mag Jozef een zwak beeld van Christus zijn: “Vóór de grondlegging van de wereld” koos God reeds het Lam, dat de zonde van de wereld zou wegnemen. Het moest een lam zijn “vlekkeloos en onbesmet,” want hoe zou een met zonde bevlekte middelaar, die zelf geoordeeld zou moeten worden, in staat zijn geweest de zonde te verzoenen en voor ons een plaatsvervanger te worden voor God in het oordeel? (Gen. 22; Joh. 1:29,35; 1 Petr. 1:19,20).

Zo wordt in het Woord van God zorgvuldig genoteerd hoe het leven van Jezus als Mens op deze aarde volmaakt zuiver, heilig en God welgevallig was. Nog vóór Zijn geboorte zei de engel Gabriël tot Maria: “[De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd” (Luk. 1:35). De apostelen getuigen van Hem: “In Hem is geen zonde”; “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt”; “Hij, ‘die geen zonde heeft gedaan” (1 Joh. 3:5; 2 Kor. 5:21; 1 Petr. 2:22). Hoe graag ze het ook hadden gewild, Zijn vijanden konden Zijn vraag: “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” niet beantwoorden (Joh. 8:46), geen beschuldiging kon tegen Hem worden ingebracht, en Jezus Zelf kon zeggen: “En Hij die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is” (Joh. 8:29). Zelfs aan het kruis kreeg Hij het getuigenis uit de mond van de ene overtreder: “Deze echter heeft niets onbehoorlijks gedaan” (Luk. 23:41).

Het doel van onze Heer Jezus was Zijn Vader op aarde te verheerlijken en Zijn werk te volbrengen. Zijn voedsel was het doen van de wil van Hem die Hem gezonden had (Joh. 17:4; 4:34). Maar nog vóór het begin van Zijn openbare bediening werd Hij “naar de woestijn omhoog geleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel,” die Hem op een dwaalspoor wilde brengen (Matth. 4:1-10). Hij, de “tweede Mens,” werd niet in deze verzoekingen geleid om beproefd te worden of Hij ten val zou komen, maar om te laten zien, dat Hij niet kon vallen. Voor Hem was het geen vraag:

  • Als God Hem niet opdroeg brood te maken van de stenen, deed Hij dat ook niet, hoewel Hij al veertig dagen honger leed;
  • Hij hoefde ook niet te beproeven of de beloften van God waar waren; hij vertrouwde Hem volledig;
  • en tenslotte wilde Hij liever door het verschrikkelijke lijden van het kruis en door de dood gaan en zo de heerschappij over de koninkrijken van de wereld uit de hand van God ontvangen, dan Satan te erkennen en het van hem aan te nemen.

De duivel probeerde Hem ook via Petrus (Matth. 16:23) en tenslotte in Gethsemané van Zijn weg van gehoorzaamheid af te houden; maar alles was tevergeefs. Elke verzoeking en beproeving onthulde alleen maar nieuwe volmaaktheden en schoonheden van de Persoon van Jezus.

Jozef had het nodig, dat hij tijdens de verdrukking door het Woord van de Heer gelouterd werd. Maar de Mens Jezus Christus kon zeggen: “U hebt mijn hart beproefd, het ’s nachts doorzocht, U hebt mij getoetst, U vindt niets. Wat ik ook moge denken, het komt mij niet uit de mond” (Ps. 17:3, verg. ook met Joh. 8:25).

“En de heer van Jozef greep hem en leverde hem over in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangenzaten. Zo zat hij daar in de gevangenis … zodat de farao erg kwaad werd op zijn twee hovelingen, het hoofd van de schenkers en het hoofd van de bakkers … Hij liet hen in hechtenis zetten in het huis van het hoofd van de lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar ook Jozef gevangen zat” (Gen. 39:20; 40:2,3).

De schenker en de bakker hadden gezondigd tegen de koning van Egypte en waren om die reden in hechtenis genomen in de gevangenis waar Jozef onschuldig en onrechtvaardig gevangen zat. Maar Jozef hield zich in zijn eigen moeiten bezig met het welzijn van hen die daar terecht waren. Hij was in staat tot het uitleggen van hun dromen, volgens welke de een in zijn ambt hersteld zou worden.

Wat een schrijnend onrecht was het, dat de mensen Jezus Christus, “de Rechtvaardige,” aan het kruis nagelden en Hem zelfs de plaats in het midden gaven, tussen twee boosdoeners, die anders aan de hoofdschuldige zou zijn gegeven! Zo werd de Schrift vervuld die zegt: “En met [de] wettelozen is Hij gerekend” (Luk. 22:37). – Maar zo moest het gaan volgens de wil van God. “En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, <niet verloren gaat maar> eeuwig leven heeft” (Joh. 3:14,15).

Hoe kan de Zoon des mensen vergeleken worden met een slang, het symbool van het kwaad? Ja, “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij [God] voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21). Hij hing aan het vloekhout als Plaatsvervanger voor vele zondaars, beladen met hun ontelbare en zware zonden. In onze plaats werd Hij voor God tot hoofdschuldige gemaakt, aldus beschouwd en geoordeeld door Hem, opdat elke zondaar, zelfs de grootste, gerechtvaardigd zou kunnen worden.

Dit wonderbaarlijke heilsfeit moest reeds op Golgotha worden aangetoond: Nauwelijks heeft de ene boosdoener naast Hem in het licht van God zijn grote zondeschuld erkend en zich in geloof gewend tot Christus, de Heiland, Die eens in heerlijkheid zal terugkeren, dan ontvangt hij volkomen verlossing en de kostbare belofte: “Vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn!” (Luk. 23:43). “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!” (2 Kor. 9:15).

SLOT.

 

NOOT:
1. Dit is vóór Abrahams ontstaan bestond Ik als de IK BEN; dus niet gewoon ‘was Ik.’

 

Walter Geschwind; © www.haltefest.ch

Jaargang 1972, bladzijde 64.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW