14 jaar geleden

Brengen van tienden (II)

De tienden hebben ons vandaag zeker ook iets te zeggen … Een sociale wetgeving van de ‘bovenste’ plank, kunnen we wel zeggen. Wat een zorg van God voor de Zijnen! En hoe eenvoudig en doeltreffend ook geregeld! … Dit is het tweede deel over dit onderwerp en het is raadzaam om ook (of opnieuw) eerst het eerste deel te lezen. Wel, bekijk het zelf maar eens, het is zeker in deze decembermaand tijdens de vrije dagen een overdenking waard …

Nog een doel

Een uiterst interessant gezichtspunt van de verordening van de tienden, namelijk de Goddelijke zorg voor de sociaal zwakken, bevindt zich in een bijzonder detail: In elk derde jaar moesten de tienden niet zoals in de beide voorgaande jaren naar het heiligdom gebracht, maar in de poorten van de thuisplaatsen neergelegd worden en aan de behoeftigen (wezen, weduwen, vreemden en Levieten) ten goede komen: “Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in dat jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten; Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult” (Deuteronomium 14:28-29).

Om ook hier een mogelijke achteloze handelwijze te voorkomen (men merke op, dat de in de regel bestaande ‘controle’ van de Israëlieten bij de aflevering van de tienden in het heiligdom in het derde jaar immers niet gegeven was), moest elke Israëliet de nauwgezette nakoming van de verordening voor het derde jaar als het ware in plaats van een eed “voor het aangezicht van de HEERE, zijn God” betuigen (Deuteronomium 26:12-15).

Stelt men zich de door de Mozaïsche wetgeving vastgelegde volgorde van het jaar voor ogen en betrekt men daarbij ook de verordening van de tienden, dan stelt men vast dat binnen zeven jaren (elk zevende jaar was een sabbatjaar, waarin ook de afgifte van de tienden vervielen) twee oogsten voor de behoeftigen in het land vertiend werden.

Bij dat al wordt Gods wijze wetgeving in voorbeelden herkenbaar: De tiende was niet verordend, om de opbrengsten van de afzonderlijke Israëlieten te verminderen, maar het diende uiteindelijk tot welzijn van het gehele volk, “de welvaart van Israël”.

Hoe is het volk met deze regeling omgegaan?

Klaarblijkelijk heeft het volk de verordeningen met echt verschillende ernst opgevolgd. We willen proberen de aanwijzingen hiertoe in chronologische volgorde opspeuren.

  1. De profeet Amos die ongeveer ten tijde van koning Jerobiam II (793-753 vóór Christus) in het Noordelijke rijk werkte, bevestigt, dat de tienden weliswaar gegeven werden, maar niet volgens de gedachten van God. Klaarblijkelijk was de afdracht van de tienden – net als het brengen van de slachtoffers – een zaak geworden van pure vorm. Aan de ene kant worden “de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert” (Amos 4:1), aan de andere kant geloofde men door de de tienden “om de drie dagen” af te dragen (Amos 4:4) God te behagen en aan Zijn geboden te kunnen voldoen.
  2. Hiskia, een koning van het Zuidelijk rijk (728-698 vóór Christus) eist in het kader van zijn omvangrijke reformatie onder andere van het volk om tienden te geven, en het volk luisterde naar zijn bevel: “En hij zeide tot het volk,…, dat zij het deel aan de priesters en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet des HEEREN. Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte” (2 Kronieken 31:5). Op dit bevel en de positieve reacties van het volk valt te concluderen, dat de tienden daarvoor niet of slechts heel onregelmatig gegeven werden.
  3. Onder Nehemía (ongeveer 44 vóór Christus), die als stadhouder in Jeruzalem werkte, nadat een joods overblijfsel uit de Babylonische gevangenschap teruggekeerd was, verplichtten zich de teruggekeerden plechtig tot getrouwe afdracht voor de Levieten: “En dat wij de eerstelingen … zouden brengen tot de priesters … en de tienden van ons land tot de Levieten … en dat de Levieten de tienden zouden opbrengen naar het huis van onze God …” (Nehemía 10:37-38). Dat het niet alleen bij een voornemen bleef, maar dit ook in daden omgezet werd, vernemen wij twee hoofdstukken verder, waar staat: “Daarom gaf gans Israël, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemía … en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aäron” (Nehemía 12:47).
  4. De profeet Maleáchi, die eveneens na de ballingschap onder de teruggekeerden werkte (ongeveer 430 vóór Christus), moest echter al weer klagen, dat Israël in de afdracht van de tienden traag geworden was. Daarbij is het opmerkelijk dat hij de Israëlieten voorhield, dat zij door hun lakse houding bij de afdracht van de voorgeschreven tienden God “beroofden” (Maleáchi 3:8). Met nadruk dringt Maleáchi er daarom bij het volk op aan, al de tienden af te leveren, en verbindt deze oproep met te wijzen op de daaraan verbonden zegen: “Brengt al de tienden in het schathuis … en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heerscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensters van de hemel, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen” (Maleáchi 3:10).

Na dit onderzoek komt de vraag op: Welke betekenis of welke consequenties heeft dan de verordening van de tienden dan voor ons als Nieuwtestamentische gelovigen?

De besproken voorschriften stammen alle uit de Mozaïsche wetgeving en waren daarmee ondubbelzinnig en speciaal voor het aardse volk van God bestemd. Daar wij vandaag niet meer onder de wet leven – want door Christus is de wet vervuld en ten einde gekomen – (vergelijk daartoe vooral de Romeinenbrief en de Galatenbrief) -, slaan in zoverre de bepalingen van de wet niet meer letterlijk op de gelovige Christenen!

Is daaruit te concluderen, dat wij dit deel van het Oude Testament als voor ons onbetekenend kunnen laten vallen? Ik denk het niet. De voorschriften zijn in hun letterlijke betekenis zeker niet meer bindend voor ons, maar de daarboven uitgaande geestelijke betekenis is zeer leerzaam. We vinden dat in het bijzonder in beide tot dusver het niet in aanmerking genomen voorkomen van het begrip tienden uit de tijd, waar de wet nog niet gegeven was. Toen Abraham uit de slag van de koningen terugkeerde en ook zijn neef, zijn have, vrouwen en personeel teruggebracht had, kwam hem Melchizédek, priester van Salem, tegemoet, zegende hem en sprak: “En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles (Genesis 14:19-20). Abraham bleef daardoor niet onaangeraakt: hij1 “gaf hem de tiende van alles” (vers 20).

Waarom, zo vragen wij ons af, gaf Abraham aan de hem zegenende Melchizédek de tienden van alles? Was het niet zijn diep gevoelde dankbaarheid jegens God, die zo’n redding bewerkt had van wie Melchizédek bevestigde, dat Hij het is Die hemel en aarde bezit? Hij was zich bewust, dat hij dank verschuldigd was, en hij gaf – zonder wet – van dat, wat hij had aan Hem, van wie hij het had.

Als we nu nog de tweede tekst belichten, waarin de tiende van de wetgeving voorkomt, dan stoten we op het gegeven van de vlucht van Jakob voor zijn broer Ezau. We willen daarbij de motieven en de geestelijke houding van Jakob niet verder onderzoeken, maar ons alleen afvragen, hoe hij ertoe komt God de tienden te beloven. Alleen en zonder middelen, rust Jakob op een steen en slaapt, als God hem in de droom verschijnt en hem onder andere belooft: “Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad” (Genesis 28:13). Jakob bleef daardoor niet onaangeraakt: hij richt een gedenksteen op en belooft plechtig: “… en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!” (Genesis 28:22).

Hem werd ondubbelzinnig duidelijk, dat – zou hij ooit in bezit ervan komen – hij dit alleen aan God te danken heeft, en dan wilde hij zeker – zonder wet – van dat, wat hij had, aan Hem geven van Wie hij het had.

Bij Abraham en Jakob vinden we, dat zij – zonder wet – het vrijwillig afstonden, wat later door de wet opgeëist moest worden. Onder de wet werd door het in de aanhef geciteerde vers “alle tienden van het land … zijn des HEEREN” (Leviticus 27:30) als het ware de totale tienden-verordening gefundeerd. De Israëlieten werden bij de afdracht van de tienden bestendig verduidelijkt, dat de gehele opbrengst niet op eigen inspanning was gebaseerd, maar door de goede hand van God bewerkt was (vergelijk daartoe Deuteronomium 28:1-14). De Heer van het universum behoorde en behoort niet alleen “de wereld en haar volheid” (Psalm 50:12; vergelijk Exodus 19:5; Leviticus 25:23) en daarmee ook de vrucht voortbrengende aardbodem, maar ook de vrucht zelf.

Wanneer God nu vaststelt: “alle tienden zijn van Mij”, dan is het geen ongepaste of een niet in overeenstemming met de tijd [niet moderne – vertaler] zijnde vordering, maar toont aan Wie de eigenlijke bezitter van alle dingen is. De tienden te geven, was dus de erkenning van de rechten van God en gelijktijdig een bewijs van de dankbaarheid jegens God, van Wie alles is. Dit kon God “vanzelfsprekend” of “natuurlijk” verwachten, maar Hij heeft het Zijn aardse volk voorgeschreven, terwijl Abraham en Jakob van hun uit een “natuurlijke”, eigenlijk “normale” reactie toonden: zij gaven de tienden zonder een enkel voorschrift, dus vrijwillig.

Wij nu, de Nieuwtestamentische gelovigen, zijn bevrijd van elk voorschrift en “van de wet vrijgemaakt,2 gestorven aan dat waarin wij gevangen waren, zodat wij dienen in nieuwheid van de geest en niet in oudheid van de letter” (Romeinen 7:6); wij zijn op grond van geloof nakomelingen van Abraham geworden (Galaten 3:7). Zou ons dan minder geestelijk inzicht moeten kenmerken dan Abraham en Jakob? Job werd daarover al onderwezen: “Wat onder de gansen hemel is, is het Mijne” (Job 41:2). De apostel Paulus formuleert het bij verschillende gelegenheden zo: “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen!” (Romeinen 11:36), “… daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft” (Handelingen 17:25) en “… uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn” (1 Korinthe 8:6).

Hoe gedragen wij ons nu met deze kennis? Moeten we op een dwangmatige wijze de wettelijke voorschriften vervullen? Moeten wij niet veel meer vrijwillig van de ontvangen goederen de Gever teruggeven? Paulus schrijft de Korinthiërs niet voor, wat of hoeveel zij te geven hadden, hij bevestigt uitdrukkelijk hun vrijwilligheid: “Laat ieder geven naardat hij in zijn hart heeft voorgenomen” (2 Korinthe 9:7).

Het gaat niet om een voorgeschreven hoeveelheid, maar om een vrijwillig meedelen van dat, wat ons – zeker ook om te genieten (1 Timotheüs 6:17) – toevertrouwd is. En daarbij moeten wij “vrijgevig te zijn en mededeelzaam” (1 Timotheüs 6:18) en “de weldadigheid en mededeelzaamheid” niet vergeten (Hebreeën 13:16).

Beslissend voor onze gaven is dan minder, aan wie zij ten goede komen – of een gelovige of een ongelovige, hoewel ons onze brusters het meeste na aan de harten liggen moeten (Galaten 6:10) -, doorslaggevend is veel meer onze vrijwilligheid als uitdrukking van onze dankbaarheid tegenover Hem, van Wie wij tenslotte alles ontvangen hebben.

Dat onze vrijgevigheid de erkenning van God vindt – “God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Korinthe 9:7; vergelijk Hebreeën 13:16) – en daar bovenop ook nog beloond wordt – “Die zich over de arme ontfermd, leent de HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden” (Spreuken 19:17) -, hadden wij niet verwacht. We zien daarin opnieuw de wijsheid en goedheid van onze Schepper.

Horst von der Heiden, © Folge mir nach

NOOT VERTALER:
1. Hij, dat is Abraham. Dat wordt bevestigd door het Nieuwe Testament, namelijk in Hebreeën 7:2 en 4.
2. Dat zin is hier dat wij buiten de wet of het gezag van de wet zijn geplaatst.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW