4 jaar geleden

Ben ik mijn broeders hoeder?

18-02-2003.

Genesis 4:9.

Keren we ons niet elke keer weer met afschuw af van de eerste broedermoord, wanneer we deze onbeleefde woorden lezen, die hij (Kaïn) schaamteloos voor Gods aangezicht durfde te werpen? Wat een boosheid en wat een haat openbaren zich in deze woorden, welk een onverschilligheid en verharding!

We vragen ons af hoe het mogelijk is geweest, om op de ernstige maar vriendelijke vraag van God: “Waar is uw broeder Abel?” een dergelijk antwoord te geven. Oh, Kaïn, wat ben je toch diep, vreselijk diep gezonken! Spreekt jouw geweten niet meer? Kaïn gaat van God weg, en de wereld is voor hem een oord van onrust geworden. Maar toch zoekt hij veiligheid en vrede daarin te vinden en wil toch naar alles jagen, wat zijn ogen begeren. … Is hij dan zijn broeders hoeder?

“O, Kaïn! Wat ben je toch hard en gevoelloos! We huiveren bij de gedachte aan je woorden. Ja, Kaïn, dat doen we en we wenden ons radicaal van je af. Niets willen we met jou en zulk een geest te doen hebben. Niets, helemaal niets!”

Wij lijken toch niet op Kaïn, of wel?

Zo bedoelen we het en zo zeggen we het. En nadat we een tijdje bij de episode uit Genesis 4 hebben stilgestaan, vervolgen we onze weg weer met waardige stappen en vrome houding, in het midden van de duizenden mensen die ons omringen. Zij gaan aan ons en wij aan hen voorbij, alsof de vraag ons niet aanging: Waar is je broeder? Dan komt als eerste de vraag: Wie is mijn broeder?

U zult zeggen: mijn vrome medepelgrims met wie ik van harte mijn psalmen en geestelijke liederen zing. Natuurlijk, we kennen onze broeders in Christus en waarderen de gemeenschap met hen als een kostbare zegen van boven.

Maar de vraag: Wie is mijn broeder? heeft nog een andere betekenis. Zijn we niet allemaal afkomstig van hetzelfde ouderpaar? Heeft niet God ons mensen allen geschapen? Mijn, uw broeder woont in de chique villa en in het huisje van de armen. We vinden hem in de welvarende wijk van de kapitalisten, evenals in de muffe spelonken van de sloppenwijken. We ontmoeten hem overal, op onze straten en wegen, in de ziekenhuizen, in de gevangeniscellen en in de vluchtelingenkampen.

Waar is UW broeder?

Ziet u naar hem om, of zegt u: ik weet het niet? Of gaat u nog verder en zegt – hoewel niet met ruwe woorden, maar met uw gedrag: Ben ik mijn broeders hoeder? Bodelschwingh, de oprichter van de bekende instellingen in Bielefeld, noemde de bedelaar op de weg: Mijn broeder van de straat.

Hoe gaan wij met de behoeftigen om, hoe ontmoeten wij de venters aan de deur?

Hoe groot is toch onze verantwoordelijkheid! Christus heeft ons niet verlost en in het midden van de miljoenen schepselen geplaatst, opdat wij, tevreden met de zekerheid in de hemel te komen, uit het leven hier beneden maken wat er van te maken valt, in alle christelijkheid, eer en deugd natuurlijk, maar zonder te vragen naar de vele verlorenen, die ons omringen.

Waar is uw broeder? Hier en daar en overal. En wij, wat moeten we doen?

A. de Jager

© Bibelpraxis.de; Beröa Verlag – Halte Fest, jaargang 1958 – bladz. 378

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol