2 maanden geleden

Anneke Jansz — historische verhaal (29)

HOOFDSTUK XVII

Folteringen van de verrader

 

Het huis, dat koopman Hans in de Wijn Straet bewoonde, was door dezen, gelijk het van hem als welgesteld man verwacht kon worden, voorzien van alle weelde en gemakken, die aanvang van de zestiende eeuw bood. Twee grote hangende kandelaars met ieder vier armen, ten dele zwart geverfd en ten dele verzilverd, hingen af van de door zware balken gedragen zoldering van het vertrek, waar Hans zich bij voorkeur ophield. Onder de grote schoorsteen prijkten naast de brandroosters met koperen banden, een inderdaad kunstig bewerkte tang en vuurschop. De wanden van de kamer waren met goudleren behangsel bedekt, waartegen fraai een viertal schilderijen afstaken, die hun onderwerpen ontleend hadden aan de gewijde en kerkelijke geschiedenissen! Een zestal stoelen, bekleed met rood trijp, stonden om een sierlijke ronde tafel en voor de haard, waarin helder en hoog een houtvuur opvlamde, was een Spaanse stoel aangeschoven, die met haar zachte kussens wel een uiterst gemakkelijke zitplaats moest bieden en door haar kunstige afwerking een sieraad voor dit vertrek genoemd mocht worden.

De avond van de 23e januari 1539 had de eigenaar van al deze kostbare meubelen zich reeds geruime tijd in dit vertrek afgezonderd. Hij wachtte klaarblijkelijk een voornaam bezoeker, want op zijn bevel had men een wijnkruik met twee bekers binnengebracht en de Spaanse stoel voor de haard geplaatst. Zelf stelde hij zich tevreden met de harde zitplaats, die een klein hoewel zeer kunstig met snijwerk versierd bankje hem bood.
De eerwaarde Savedra had voor enkele dagen zeer geruststellende woorden tot hem gesproken. Ja, in zijn oren weerklonk nog zijn rechtvaardig-spreking: “Al uwe zonden zijn door deze éne godvruchtige daad te niet gedaan!” Doch het was duidelijk aan Hans te zien, dat op Savedra’s verzekeringen de rust, waarnaar hij zo verlangde, niet was gevolgd. Neen, veeleer getuigde de wilde glans in zijn ogen, dat de hem verterende angst in hevigheid nog was toegenomen.
Welke gedachten woelden er in het brein van de ongelukkige? Welke pijn toch was het, die hem folterde, en waarom was het, dat hij soms plotseling opsprong, schichtige blikken dan door de kamer wierp en slechts met moeite een angstkreet weerhield?
O, hij was rijk, deze koopman en die rijkdom stelde hem in staat, iedere wens, die in hem opkwam, te bevredigen. En zonder vrees voor verarming had hij zijn lusten gediend en met volle teugen de wereldse geneugten van het leven gesmaakt. En wanneer na dagen en nachten van woeste vreugde soms spijt en berouw daarover hem vervulde, behoefde hij immers slechts naar zijn rozenkrans te grijpen en de hem door zijn biechtvader opgelegde boete te volbrengen, om weer geheel gerust en zonder vrees voor het oordeel te zijn.
Maar thans?

De belager van de eer en van de onschuld, de verrader van weerloze vrouwen, ontving nu reeds de straf, die hij zich had waardig gemaakt. Aan Savedra had hij geklaagd, dat soms al de angsten van de hel op hem schenen af te komen. Maar het was erger, veel erger nog. Hellepijn en hellewroeging folterden hem van dag tot dag, van uur tot uur en geen ogenblik meer was hij daarvan verschoond. Duizend doden van angst stierf deze verrader, die sidderde voor dat éne ogenblik, waarop de doodsengel tot hem zou komen. ’s Nachts kwelden hem schrikkelijke droomgestalten en ontnamen die hem zijn slaap. Dan verlangde hij naar de dag, opdat de hem vervolgende boze geesten althans enige uren van hem zouden aflaten. In de eerste dagen had hij inderdaad overdag kalm en zonder vrees kunnen werken. Maar gisteren en heden was het anders geweest! Telkens was het nu, of voor de personen, met wie hij omgang hield, de door het leed gebogen gestalte van Anneke en de schrik-aanjagende grijns van een duivelsgelaat was opgedoemd, zodat hij dan in een opwelling van angst en ontzetting zijn gezicht met de handen bedekt had.
Zijn vrienden zowel als zijn ondergeschikten mompelden onder elkander, dat Hans te zwaar geleefd had en de gevolgen daarvan nu zichtbaar werden. En een enkele, die het wèl meende met hem, ried hem dan ook aan, zich het genot van wijn en andere genoegens te ontzeggen. Doch met wezenloze blik staarde hij die raadgevers aan en zonder antwoord wendde hij zich van hen af.
Want bekennen, wat hem deerde, kòn hij niet. Hij had aan Savedra de oorzaak van zijn angst ontdekt en immers zelfs diens raad had niets vermocht! O, àls ze het wisten, de mensen, ze zouden zich met afschuw en toorn van hem afwenden, gelijk hij het gevoelde, dat de hemelse Rechter het zou doen. Of had Die het al reeds gedaan? Wàs hij een verworpeling? …
En tot de heiligen bad en riep hij, of die uitkomst wilden schenken. Hij beloofde altaarkleden en schilderstukken, het een nog kostbaarder dan het andere, als maar die angst van hem weggenomen mocht worden. Maar de heiligen hielden zich doof. Ze antwoordden hem niet.

Er bleef de rijke koopman niets over dan de beker van de bedwelming. Hij zocht vergetelheid door de wijn en, ook in het uur, dat hij hier in eenzaamheid had doorgebracht, was het tot dit middel, dat hij de toevlucht nam. Reds was de wijnkruik, die hij straks niet het oog op het verwachte bezoek, had laten brengen, geheel leeg … maar verlichting vond hij niet. Zijn door de drank verhitte verbeelding zag nu dat vreselijke duivelsgelaat bijna onafgebroken voor zich, zodat hij eindelijk met een luide kreet van schrik van zijn zitplaats opsprong en door de kamer rende, om in een ander vertrek bij het gezelschap van zijn dienstbaren die duivelsgrijns te ontvluchten.
Juist op dit ogenblik werd de deur geopend en trad, met een glimlach op zijn gelaat, Savedra binnen. Bijna had Hans de priester in zijn dolle vaart omvergelopen, doch Savedra wist hem behendig te ontwijken, terwijl hij tegelijkertijd zijn arm uitstrekte en de koopman tegenhield.
“U schijnt wel naar mijn komst te verlangen, dat u mij zo overhaast tegemoet snelt!” — zei Savedra spottend, toen Hans tot stilstand was gebracht.
Deze antwoordde niet. Hijgend en bleek van schrik, de ogen tengevolge van het overmatig wijngebruik met bloed belopen, stond hij daar voor de priester, wiens bondgenoot voor de belangen van de kerk hij zich gewaand had, maar die in hem niet meer dan een werktuig, om tot zijn doel te geraken, had gezien en nog zag.

Savedra bleef niet lang onkundig van de toestand, waarin Hans verkeerde. Diens hete adem beroerde zijn gelaat en een blik, die Savedra naar de tafel en de geledigde wijnkruik wierp, moest wel het vermoeden bevestigen, dat dronkenschap zich van de koopman had meester gemaakt. Een strenge blik trof de ongelukkige, die echter zijn ogen terneergeslagen had en in schuldbewuste houding voor hem stond.
Een ogenblik bleven de beide mannen zo tegenover elkander staan: Hans als een dronkaard, Savedra als een rechter, met weerzin jegens de zwakkeling vervuld. Toen dwong de monnik zich evenwel tot het betonen van een milder gezindheid. Hij nam Hans onder de arm en voerde hem als een kind tot voor de haard, waar hij hem in de Spaanse stoel deed neerzitten.
“Neen, neen,” — weerstreefde Hans, terwijl hij poogde op te rijzen. — “Deze stoel is voor u, want u bent …”
“Zo u mij achting en eerbied bewijzen wilt,” — viel Savedra hem in de rede en zijn stem klonk Hans, hoewel welwillend, streng in de oren, deed u er beter aan met mij in nuchtere toestand te ontvangen. Ik had niet gedacht, dat de man, in wie ik een ijveraar meende te zien voor de zaak van onzer heilige kerk, hoofd en hart verdierf door de wijn! En dit in een tijd, dat die kerk zo fel aangevochten en door onwaardigen beledigd wordt !”
Zeer diep boog Hans onder deze aanspraak het hoofd. Hij scheen nog niet zo beneveld te zijn, om het verwijt te gevoelen, dat hij een ontrouw strijder voor de belangen van de kerk was.
“Ja,” — vervolgde Savedra, — “zo lang ik u gekend heb, was het mij, of een stem van binnen mij toeriep: “Deze man is voor de kerk in dit land een redder; op hem zal de afval nimmer invloed hebben; hij is een uitverkoren vat, om de ketterij tegen te gaan en de ketters te verdelgen!” Daarom heb ik in Brielle zowel als nu hier in Rotterdam u bijgestaan tegen de vijanden van de kerk, die ook uw vijanden waren.”
“Vergeving, eerwaarde vader,” — stamelde Hans, die als was werd in de handen van de monnik en niet opmerkte hoe de stem, die zo aangedaan klonk, geheel niet in overeenstemming was met het gelaat, waarover een trek van wreedheid en spotzucht lag.

“Vraag aan de heiligen vergeving, mijn zoon! …” vermaande Savedra. 

Maar nu viel Hans hem in de rede.
“De heiligen!” — riep hij uit. — “De heiligen horen niet naar mij. Hoe vaak heb ik niet in deze dagen tot hen gebeden. Maar alles is vruchteloos en …”
“En daarom geeft u zich maar aan dronkenschap over?” — vroeg Savedra, thans met een snijdende klank in zijn stem, omdat hij een beginsel van afval meende te bespeuren in de klacht van het onverhoord blijven van de gebeden.
Hans kromp ineen voor de monnik, wiens dreigende blik hij op zich voelde gevestigd. Hij wilde zich misschien verontschuldigen, misschien verdedigen. Doch vóór hij één woord had kunnen zeggen, stond Savedra naast hem.
“Mijn zoon,” — zei hij, terwijl hij hem de hand op de schouder legde, — “ik vermaan u als uw herder, om alleen troost te zoeken bij de hemel. Ik was daar juist een ogenblik heftig. Maar, geloof mij, het was, omdat het heil van uw ziel mij zeer na aan het harte ligt. Het zou mij tot mijn jongste ure een aanhoudende smart zijn, zo ik u, die nog zoveel goeds voor de kerk belooft, zag verloren gaan. Neen, mijn zoon, u moet u oprichten. De heiligen zullen u zeker van dienst zijn, zo u volhardt in het dienen van onze zaak.”

Savedra wist deze woorden met een bijna vaderlijke tederheid te zeggen. En tot zijn voldoening bemerkte hij, dat hij op deze wijze meer indruk maakte dan door heftige verwijten. Hans richtte zich op en luisterde met gespannen aandacht. Op dit ogenblik — Savedra juichte om de behaalde overwinning — was het van hem, dat de rijke koopman raad en troost verwachtte.
“Ja, de heiligen zullen u helpen!” — herhaalde de monnik met nadruk. — “U herinnert zich toch, wat ik u gezegd heb? Vrede en rust zullen u worden terug geschonken in hetzelfde uur, dat de ketterse Anneke het leven zal laten …”
“Ja, maar …”
“Geen tegenwerpingen ! Ik zeg u, dat het alzo zal zijn. En nu, mijn zoon, ik heb u doen berichten, dat ik hedenavond bij u zou komen. Want ik had een blijde tijding voor u. Begrijp nu mijn droefheid, toen ik u in dien vreselijke toestand zag.”
“Vergeving, eerwaarde,” — smeekte Hans. — “Ik wil mij voornemen, een leven van meer onthouding te leiden tot eer van de gezegende maagd en de heiligen. Maar wil mij nu zeggen, welke tijding u voor mij hadt.”
“Deze,” — zei de monnik, langzaam sprekend, — “dat morgen, de vierentwintigste, de goddeloze Anneke en haar godvergeten gezellin de straf van de dood zullen ondergaan en …”
“O, zwijg, zwijg!” — riep Hans, die van schrik verbleekte. — “Dat kan niet! Dat mag niet!”
“Wat bedoelt u?” — luidde Savedra’s verwonderde vraag.
“Zij mag niet gedood worden. Haar bloed zal over mij komen en ik zal …”

Vergeet u wederom de zaligheid van uw eigen ziel?” — vroeg Savedra. — “Weet  dan niet, dat haar dood uw misdaden verzoent? Denk aan Machteld en haar kind!”
“Erbarming, eerwaarde, erbarming!” — kreet Hans, terwijl hij voor de priester op de knieën viel en eerbiedig diens kleed aan de lippen drukte. Maar Savedra rukte zich los en riep bars:
“Neen! Ik ken geen erbarming voor hen, die de onschuld verwoesten en kinderen doen do …”
“Om aller heiligen wil, eerwaarde vader, schenk mij vergeving. U kunt dat toch!” — smeekte Hans, met een blik, waarin vertwijfeling en zielsangst te lezen stonden, de vertoornde monnik aanziende. Doch deze ging voort op dezelfde toon:
“Nog minder medelijden koester ik voor hen, die verdoemelijke ketters de hand boven het hoofd houden. Wat zeg ik? Zulke zijn nog schuldiger dan die ketters zelf, omdat zij met volle bewustheid onze heilige kerk een slag in het aangezicht geven! De banvloek van de kerk moge hen treffen, die ketters in het leven willen laten!”

Hans was als verbrijzeld in zijn stoel teruggezonken. De vloek, waarmee de monnik hem dreigde, leverde hem geheel aan de wanhoop over. Gebeurde dit, dan was alle uitzicht op redding hem immers ontnomen. En hij durfde zijn ogen niet opslaan, omdat hij de strenge blik vreesde van de godsman, die hem de straf van de kerk had aangezegd. Verloren! Verloren! Zo dreunde het in zijn oren. Tot in do hel zal mij de vloek van de kerk achtervolgen …
“Mijn zoon!”
Savedra was de verslagen man wederom genaderd. Vreesde hij wellicht, te ver te zijn gegaan? Maar neen, het lachje, dat om zijn lippen speelde, gaf te kennen, dat hij ook nu van de overwinning zich verzekerd hield. Hoe kon het ook anders? Hij wist zich de sterke tegenover deze zwakkeling. Hij was de meester, de rijke koopman zijn slaaf.
“Mijn zoon. Er is een middel, waardoor ook de zondige zwakheid van zo even u kan worden kwijtgescholden.”

Weer had Savedra’s stem die zachte klank aangenomen, waardoor hij wist, dat hij op een ontroerde ziel als die van Hans invloed kon uitoefenen. En dat hij zich niet vergist had, bewezen stem en gebaren van Hans, die uitriep:
“O, zeg mij dat middel, eerwaarde vader. Ik zal alles doen, wat u mij oplegt, zo ik mij maar van uw vergeving en van die van de kerk verzekerd mag houden.”
“Alles, zegt u?” — vroeg Savedra. — “Alles?”
“Ja!” — zuchtte Hans.
“Zo wees dan morgen er getuige van, hoe uw ketterse vijandin de dodengang doet. Alleen hierdoor verzoent u de kerk.”
Hans deinsde terug. Veroordeeld te worden, om zijn slachtoffer te zien sterven? Maar dat was hem onmogelijk; dat kon de kerk niet van hem verlangen!

Daar ontmoetten zijn ogen die van de monnik. En diens blik boorde hem tot in de ziel. Zo hij wederom zich door zijn gevoel liet beheersen, zou voorzeker de banvloek hem treffen. Op zijn minst genomen zou de priester in toorn van hem heengaan en hem zijn zegen en die van de kerk onthouden.
“Ik zal het doen!” — zei Hans snel, zijn onwil bedwingend. — “Ik onderwerp mij aan de boete, die u mij oplegt, mijn vader.”
“Zo hebt u loon in de hemel,” — zei Savedra plechtig. — “En ik geef u mijn zegen. U zult het ervaren, mijn zoon, dat dit besluit de heiligen welgevallig is. Zij neigen reeds hun oor, om uw vroom gebed op te vangen. En morgen om deze tijd zal de last, die u thans nog drukt, van u zijn afgenomen!”
Een lach van voldoening was het, waarmee Juan Perez de Savedra enkele ogenblikken later afscheid van de koopman nam. En die lach bleef, toen hij de straten van de stad doorging.
Hij had zijn doel bereikt: Hans zou de terdoodbrenging van die gevloekte Anneke gaan zien. En ongetwijfeld, zij zou hem, die eenmaal haar zijn hand had aangeboden, maar nu de oorzaak werd van haar dood, opmerken. En dat — hiervan hield hij zich overtuigd — zou die halsstarrige een foltering zijn. Heren schepenen hadden haar aan de pijnbank onthouden — het zij zo; maar wanneer ze Hans zou zien, zou die verschijning haar een pijn veroorzaken, die kwellender was dan de druk van de duimschroeven …

Hans had de glimlach van de monnik niet opgemerkt. Nog minder wist hij iets van diens overleggingen.
Toen hij achter Savedra de deur toesloot, was het hem, of met deze al zijn hoop verdwenen was. O, als hij maar altijd in de nabijheid van die heilige man mocht leven, die macht had om te vloeken en te zegenen — hoeveel geruster zou dan zijn leven zijn! Maar nu was hij wederom alleen en terstond ook weer overmeesterde hem de angst. Maar morgen! Morgen zouden hem de zonden zijn kwijtgescholden! Als het water zich boven Anneke’s hoofd sloot, dan — had de dienaar van de heilige kerk het hem niet herhaaldelijk verzekerd? — zou geen wroeging hem meer benauwen en geen schuldenlast hem meer drukken.

“… Moordenaar …”
Wie zei dat daar? Neen, dat was hij niet. De godsman Savedra sprak hem vrij van zonde! Wie durfde hem dan beschuldigen?
“ … Hans, u Brielse verrader! Bent u het, die ons bloed op uw hoofd laadt …”
Daar was ze weer, die Anneke! Stond ze daar niet voor de haard, haar bleke gelaat naar hem toegekeerd, het kleine hulpeloze kind op de arm?
Wild sloeg Hans de hand uit, als wilde hij die spookgestalte verdrijven. En voor een ogenblik gelukte het aan zijn misdadige geest, om zich moed in te spreken en vast te houden aan de beloften van de monnik. Maar even daarna kwam de kwelling opnieuw en meende hij in de trillingen van de haardvlam en in de schaduwen aan de wand zijn slachtoffer te zien, dat dreigend op hem afkwam, om hem zijn snoodheid te verwijten. Of, zich het woord van vergeving herinnerend, dat Anneke uitsprak, toen ze door de rakkers werd weggevoerd, vroeg hij zich in een ander ogenblik met vrees en ontzetting af, of de woorden van boete en schuldvergiffenis van de monnik geen ijdele klanken waren en hij zich door zijn verklikkers-daad niet een eeuwig onuitwisbare smet op zijn ziel geladen had.
Radeloos eindelijk wierp hij zich op de knieën voor het Christusbeeld, dat in de hoek van de kamer hing. En, gelijk hij het straks voor de monnik gedaan had, zo kroop hij ook nu in het stof en smeekte hij en bad om erbarming. Maar het beeld antwoordde hem niet …

Toen daar de rijke koopman bevend en sidderend in zijn fraaie vertrekken heen en weer liep, overgeleverd aan de benauwende ontroering, die zijn schuldig geweten hem deed ondergaan, stonden er voor de deur van zijn huis twee mensen in zacht gesprek met elkander. De stem van de ene behoorde aan een man, die vast tot gepeupel van het volk moest behoren, want ruw was de taal, waarvan hij zich bediende en vele waren de vloeken, waarmee hij zijn woorden kracht bijzette. De andere stem was die van een vrouw. En, op de trilling, die er in die stem lag, afgaande, moest zij wel zwak zijn of zeer vermoeid.
“Hier woont hij, de schurk!” — zei de man. — “Hij zag u liever dood dan levend. Ja, als ik had toegestemd, zou hij graag mijn handen met goud hebben volgestopt, zo ik maar eerst die handen met uw bloed bevlekt had. Toen ik weigerde, hield die gierigaard zijn beurs dicht en … Maar wat wilt u? Wat doet u daar bij de deur?”
“Ik wil aankloppen en binnengelaten worden,” — zei de vrouw zo beslist, als ze maar vermocht. — “Ik wil hem zien en spreken en vragen, waarom …”
“Neen, neen !” — antwoordde de man. — “Dit kan nu niet. Maar morgen zullen wij ons hier in de straat bevinden, als hij uitgaat. En als hij dan niet bewilligt in uw eis en de mijne, dan …”
En vreselijke vloeken, gevolgd door nog schrikkelijker verwensingen, werden er gehoord, toen de twee mensen, de vrouw, die bijna op haar benen wankelde, ondersteund door de man, hun weg door de Wijn Straet vervolgden.

Was Hans onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde? Hoe kwam het dan, dat die avond en nacht meermalen de rijkaard verontrust werd door een bleke verschijning — nièt, die van Anneke — die een bleek kinderlijke torste en die met zwijgende ernst op hem wees als de schuldige moordenaar?

 

* * *

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW