3 maanden geleden

Anneke Jansz – historisch verhaal (26)

HOOFDSTUK XIV (vervolg – slot)

In de Blauen Thoorne

 

Savedra zag met de uiterste verwondering naar deze vrouw. Hij had verwacht, dat ze in tranen zou uitgebarsten zijn, en, als een smekelinge voor hem neergeknield, om verschoning van haar jeugdig leven zou hebben gepleit. Had hij er ook daartoe niet op gezinspeeld, dat de kerk, en daarom hij, als een van haar dienaren, macht had over de Overheid? Maar wat hier gebeurde, wierp al zijn verwachtingen omver. De schone triomf, die hij zich had voorgesteld: de fiere Anneke voor hem op de knieën, vervloog als een schim.
Geleidelijk werd hij zijn verwondering meester. Maar toen was het woede, die hem beving; een woede, die alle kleur uit zijn gelaat deed wijken en zijn donker oog deed fonkelen.
“U bent van de duivel!” — barstte hij eindelijk uit. — “De duivel is uw meester. U spreekt godslasteringen, als u Gods Naam op uw lippen neemt!”
“De Heer verhoede, dat ik Zijn driemaal heilige Naam onwaardig op de lippen zou nemen!” — antwoordde Anneke zacht, doch beslist. — “En u vergist u. Mijn gebed is geen vloek. Het kind, dat tot zijn Vader spreekt, vloekt niet …”
“Houd op! Houd op!” — viel Savedra ruw in. — “De boze heeft u en de uwen de ogen verblind. En u bent het, die als zijn dienares velen reeds hebt verleid. De heilige maagd zij gedankt; u zult niemand meer kwaad kunnen doen. Want uw lot is beslist: u moet sterven.”
“Ik vrees de dood niet.”
“Dat hebt u reeds al gezegd, doch als de dood nabij is, zult u sidderen. Ik zeg u, het zal een vreselijke dood voor u zijn. Weet u, wat het zeggen wil, verdronken te worden? U zult naar lucht snakken, naar adem hijgen, maar het water zal u versmoren en …”
“U brengt mij een blijde tijding, heer Savedra, in plaats van mij te verschrikken. Zeg mij, wanneer zal het de dag zijn, waarop ik metterdaad getuigenis zal mogen afleggen, dat Jezus mijn Heer is en — o wonder van genade! — dat ik de Zijne ben?”

Savedra kon een ogenblik geen woord uitbrengen. Met schrik zelfs zag hij naar die vrouw, die een van de duivel bezetene moest zijn, om zo te kunnen spreken. Doch toen overmande hem weer de woede, dat de kalme bedaardheid van deze zwakke vrouw hem, sterke man, overwon.
“U meent,” — riep hij uit, terwijl een wrede glimlach zijn gelaat overtrok, — “dat u getuigen zult en door uw schijnbare moed anderen overtuigen? Weet dan, dat uw dood niets baten zal. Zo er al bij iemand een ketterse gewaarwording opkomt, zal dit al heel kortstondig zijn. Want weet u, wat er gebeuren zal? Luister goed!”
Op dit ogenblik was Savedra inderdaad vreselijk, om aan te zien. Blauwe aderen stonden strak gespannen op zijn voor-hoofd en zijn ogen puilden bijna uit hun kassen. Hij was tot het toppunt van een woeste, afzichtelijke boosheid gebracht, maar kon niet door de een of andere daad daaraan uiting en dus zichzelf verlichting geven.
“Luister goed!” — beval hij. — “u, herdoopten, en al die andere hervormingsgezinde ketters, droomt er van, dat eenmaal uw nieuwe leer het van die van de kerk zal winnen. Dat zegt u dan ook tegen de onnozelen, die door uw duivelskunstenarijen worden overgehaald, om uw woorden voor waarheid aan te nemen. Maar dit zal nooit gebeuren. Ik ben een dienaar van de heilige Inquisitie — dat weet u. Maar u weet niet, dat die Inquisitie hier binnen enkele jaren openlijk over de ketters zal richten. Nu zijn het er nog maar enkelen, die de straf voor hun ketterijen ontvangen. Velen ontsnappen er nog. Maar als de Inquisitie hier in het land komt — en het is daarvoor, dat ik hier woon en werk! — zal niemand meer zijn gerechte straf kunnen ontgaan. Zo er duizend ketters zijn, zullen zij allen worden gedood; hetzij man, vrouw of kind. Niemand zal worden ontzien. Ja, als heel Holland en Zeeland, als ook al de landen in dit koude klimaat met ketterij besmet zouden zijn, zullen allen, die hier wonen, sterven, omdat de Heilige Inquisitie het dan beveelt. Beter hier een woestenij dan een woonplaats van de duivel … Hebt u het gehoord?” — vroeg Savedra, terwijl hij zich recht voor Anneke plaatste, haar dwingende, hem aan te zien. — “Gelooft u, dat de Inquisitie terug zal wijken voor stromen bloed, als het gaat om de eer en het aanzien van de heilige kerk? Voor geen zee, geen oceaan van bloed zal ze dit doen! En dan, als al die ter dood gebrachte ketters elkander in de hel zullen ontmoeten, zullen zij hun beschuldigen, die hen tot afval verleid hebben. En tot die verleiders behoort ook u!” — eindigde hij met een lach, die evenwel schor klonk, tengevolge van de opwinding, waarin hij verkeerde.

Enige ogenblikken heerste er nu stilte in de cel. Maar toen begon Anneke te spreken. En neen, ze was niet verschrikt door Savedra’s ruwe dreigingen. Het deerde haar niet, dat hij met haar spotte, of haar met een bijna duivelse wreedheid de doodsverschrikkingen voor ogen stelde. Indien zo al sidderde, dan was het voor die honderdtallen, mogelijk wel duizendtallen, die — te horen wat deze inquisitie-dienaar hier openbaarde — de marteldood zouden ondergaan.
“Uw voorstelling is niet juist, heer Savedra,” zei de dappere. — “Ik ben het niet, die door mijn woorden iemand kan overtuigen. Ik heb slechts kunnen getuigen en ik dank er God voor, dat Hij mij de genade heeft gegeven, om dit getuigenis, waar mogelijk, te laten horen. Het is de Geest, Die de mens overtuigt van zonde en van gerechtigheid, van oordeel en straf, maar Die daarna het verbrijzelde hart van de zondaar weer heelt en geneest en door Zijn Goddelijke inwerkingen hen die ‘neergebogen’ zijn opricht en zij die bekommerd zijn, troost. U vergist u ook, als u zegt, dat wij door duivelskunstenarijen de mensen overtuigen. Weet u, wie er de oorzaak van zijn, dat zo menigeen zich tot ons wendt om voorlichting en om raad? Dat zijn de dienaren der kerk van Rome! Dat zijn zij, die onschuldigen schuldig verklaren; die geen medelijden tonen met ouderdom of geslacht; maar die, door onverklaarbare gevoelens van haat en wraakzucht bezield, de huizen binnenvallen en goede burgers en vrome Christenen naar de kerker slepen! U heer, uzelf bent oorzaak, dat er mensen zich van de kerk afkeren … Maerten, onze goede Brielse vriend, was een ijverig Roomsgezinde. En bijna was het tussen mijn Arend en hem tot een breuk gekomen. Maar toen bracht het laffe verraad van onze Brielse vijanden hem tot de erkentenis, dat die kerk niet goed kon zijn, die toejuichte, wat de dokter en de anderen hadden gedaan. Ja, heer Savedra, u, Hans en de dokter had het jegens ons ten kwade gedacht, maar de Heer heeft het alles ten goede gekeerd. Maerten is als door vuur behouden …”

Op dit ogenblik verscheen Lambert in de opening van de deur. Zo vurig had Anneke gesproken en zo verslagen bijna zat Savedra terneer, dat geen van beiden het herhaalde kloppen had gehoord, waardoor Lambert de monnik waarschuwen wilde, dat het uur verstreken was.
Zodra de Inquisitie-dienaar de cipier zag, sprong hij met een zucht van verlichting op. Lamberts binnentreden bracht hem uitkomst. Nu kon hij zich weer losmaken van de ongetwijfeld boze invloeden, die deze vrouw op hem uitoefende. Ja, wel gevaarlijk waren deze ketters!
Maar aan Anneke wilde hij nog tonen dat hij niet bang was.
“Vervloekt zult u zijn!”
In de deur staande, wendde hij zich naar de gehate gevangene, om haar te vervloeken, hij, de man in de monnikspij. En toen ging hij heen met Lambert.

De cipier glimlachte stil voor zich heen, toen hij met de door schepen Doen Arentsz aanbevolen monnik door de gangen van de Blauen Thoorne terugging. Dat was heel geen zegen geweest, die de eerwaarde vader over het hoofd van die vrouw had uitgesproken. Zeker, de eerwaarde had beslist als een overwonnene het veld moeten ruimen voor maar-een-vrouw.
Lambert was goed-Rooms: hij deed, wat de plichten hem voorschreven; hij biechtte en vastte, en verzuimde bijna nimmer ’s zondags de mis. En bovendien had hij zich van enkele, door de heilige Vader te Rome gegeven aflaatbrieven voorzien en was hij — dat was nog wel het voornaamste — van de voorspraak van enkele heiligen, die hij meer dan anderen nog vereerde, zeker.
Doch dat deze monnik, die zo hoge toon tegen hem gebezigd had, door die ketterse ‘geslagen’ was, dat deed hem genoegen. En het boze “Vervloekt zult u zijn!” kon in de mond van een, die zo weinig heilige nederigheid wist te betonen, vast geen woord van macht en betekenis zijn …
De monnik, die de Blauen Thoorne verliet, en diep zijn hoofd teruggetrokken had onder de beschaduwende kap, terwijl hij met haastige schreden zich naar de woning van schepen Doen Arentsz begaf, was allerminst met heilige gedachten bezield.
Door Anneke, de herdoopte, ‘geslagen’, voelde hij daarover een geweldige wrok. Het was hem niet genoeg, dat die vrouw sterven ging. Vóór die tijd moest ze nog de smarten van duizend doden ondergaan. Dat had ze alleen wel verdiend aan hem, de dienaar van de heilige Inquisitie, die zo trouw en beleidvol in dit koude land onder de overheden werkte voor de komst van het heilig Officie …

Anneke bleef in haar kerker, alleen. Moe was ze van de zware strijd, die ze daareven gestreden had. Uitgeput bijna was ze op de harde legerstede neergevallen, toen die verschrikkelijke man haar had verlaten.
Maar dankbaar was ze ook. O, zo ooit, dan wist ze zich nu veilig gedragen door die grote zondaarsliefde, waarmee Christus ook haar had liefgehad. En het was, of boden van de hemel haar vertroostten, nu ze Hem beleden had, Die haar voor de Vader belijden zou. Ze koesterde geen vrees voor wat komen ging. De dood, die Savedra haar had aangezegd, was haar welkom. Ja, zelfs ook voor haar kind vreesde ze niet; om Esaias riep ze in deze ogenblikken niet. De Heer zou zorgen, voor haar, voor haar kind. Al haar bekommernissen had ze nu op Hem geworpen.
Toen dacht ze plotseling weer aan de man, voor wie ze eens, te Brielle, in de bres was gesprongen en om wiens wil ze uit het veilige Schotland naar het onveilige Holland was teruggekeerd: aan David Joris, de veelgesmade, de belasterde, maar die toch, naar de innige overtuiging, die in haar leefde, een zo gezegend werktuig was in de hand van de Heer.
Om David Joris was ze naar Holland gekomen, maar haar oog zou hem niet meer zien, en ze kon hem niet meer de hand drukken en bemoedigen. Over enkele dagen, ja wellicht morgen reeds, zou ze om de naam van de Heer buiten de stad worden geleid.
Maar kon ze dan niet schrijven? Waar haar mond voor de wereld verstomd was, kon ze toch door geschrift tot de mensen spreken! Ja, aan David zou ze schrijven. Ze zou hem zeggen, dat hij volstandig de weg moest gaan, die God voor hem afgebakend had. Had ze niet de bladen van haar dagboek, in den vreemde geschreven, kunnen onttrekken aan de speurende blikken van de vijanden en boden de onbeschreven bladzijden voor een brief aan David Joris nog niet voldoende ruimte?
Doch vanwaar zou ze het verder benodigde schrijfgereedschap krijgen? Ze was een gevangene, en, helaas, ook verstoken van wat nu in de eerste plaats onmisbaar voor haar was: een schrijfstift en inkt.
“O, Heer,” — bad ze, — “geef een opening, om Uws Naams wil, dat, wat onmogelijk schijnt, mogelijk wordt.”
En ze was overtuigd, ze wist, dat haar gebed verhoring zou vinden. Hoe? Voor de Heer was niets te wonderlijk. Op het gelovig gebed gaf Hij uitkomst in het grote zowel als in het schijnbaar nietige.

Nauwelijks had ze haar kort gebed geëindigd, of weer werd de deur van haar cel geopend. Maar nu trad Lambert, haar cipier, naar binnen. “Wel,” — vroeg hij met een glimlach — “Bent u de schrik al te boven?”
Anneke, die gedurende de tijd van haar verblijf in de Blauen Thoorne Lambert had leren kennen als een stroef man, die blijkbaar niet graag zijn gevangenen met een welwillend of medelijdend woord vertroostte en die, als ze naar haar kind vroeg, van hem niet één woord van bemoediging had gehoord, was zeer verwonderd.
“Wat bedoelt u?” — vroeg ze.
“Wel, u zult de vrome wens toch nog wel niet vergeten zijn, waarmee de eerwaarde vader afscheid van u nam?”
“O, meent u dat? Neen, daarvan ben ik in het geheel niet geschrokken. Al zou die man mij nog meer hebben vervloekt, ik weet, dat hij mij niet de zegen kan ontnemen, die ik van mijn God ook nog in dit uur heb ontvangen.”
“Wel,” — zei Lambert, beducht voor een ketters onderhoud, — “laten we daar niet van spreken. Maar ziet u, ik ben hier nu gekomen, om u te vragen, of ik u in enige zaak van dienst kan zijn. Altijd,” — voegde hij er haastig aan toe, — “als dat niet tegen mijn plicht ingaat.”

Anneke was diep getroffen.
Dat was de verhoring van haar gebed. De Heer gaf nu reeds een opening.
Maar ze moest eerst Lambert nog vragen, wat hem bewoog, haar zijn diensten aan te bieden.
“Wel,” — antwoordde hij op haar vraag, — “die monnik draagt het kleed van een heilige, doch hij is er inderdaad ver van af, zelf ook een heilige te zijn. En toen ik hem u hoorde vervloeken, kreeg ik zo de gedachte, dat een heilige u misschien wel zou hebben gezegend.”

Nu bracht Anneke hem haar verzoek over. Even doorstond ze nog de angst, dat hij weigeren zou, het verlangde te brengen. Doch terstond verklaarde Lambert zich bereid aan haar wens te voldoen.
Toen hij, een half uur later reeds, met het schrijfgereedschap terugkeerde, dankte de arme gevangene hem met tranen in de ogen.
“Wel,” — zei Lambert, — “dit betekent niets. Ik was al bevreesd, dat u mij andere dingen zou vragen, die ik niet zou kunnen doen.”

Dezelfde dag nog schreef Anneke haar brief aan David Joris1.

<<Die Heer die in de eeuwigheid woont / wiens ogen verheven zijn in die Opperste en in de Lugt / en wiens troon ontastelijk en Glorie onbegrijpelijk is / den welken dat heir der Engelen bystaet met beevinge / Och / hoe veel te meer wij / der welker behoudinge in Wind en Vuur gekeerd word / wiens Woord waerachtig is / en wiens redenen stantvastig is / wiens bevel sterk is / en gestaltenisse vervaerlijk / wiens aensien de gronden verdorret en verbolgentheyd de bergen doet verwijken / wiens toekomste wy met verlangen verwachten / die moet in u vermeerderen en volvoeren / dat hij in u begonnen heeft / tot zijnen prijs. Ik danke mijne Vader en glorificere mijnen Zaligmaker voor die gave der genade in uwer wijsheyd, komende van boven door een hooger Geest / en wonderlijken raed Gods / tot eere en waerdigheyd zijns alderheyligsten Naems / en tot suyvering en heyliging sijnes Volks / gebenedijd zijt gy den Heere / mijn Broeder / uwe handen en houden niet op / noch en worden niet mat om voort te varen, / soo gy begonnen hebt / te arbeyden in den bouw des Heeren: Weest gy die Wanne in de hand des Heeren / bereyd den Heere een aengenaem volk / op dat hy hem haeste te komen tot sijnen Tempel: want alle dat besmet is / dat is hem seer afgrijselijk / als daer staet / vermaledijd is die man of mensche / die den Heere een besmette offerhande offerd. Daerom O gy ridderlijke Voerman Israëls / gy beminde des Heeren / aenschouwt wel naerstelijk den Wijngaerd / snoeyd haer telgen al om / doet weg dat haer den wasdom verhinderd / waer door sy haren Heer mishagen mogt / die Heer sal uwe kracht vermeerderen / en tot meer wijsheyd toedoen / want hy een lust tot u heeft / u / seg ik / dien hy een Wachter in sijn huys gesteld heeft / u een Herder sijnder kudde / die vroomste onder dien aengeschreven / die voornaemste onder de drien om des Konings lust te verzaden / soo gy met uwen bloede bewezen hebt / door die ernstige liefde tot uwen God / waer door gy veele gaven en gonste by den Koning verkregen hebt / soo het dagelijks blijkt / want gelijk den regen ’t aardrijk en den dauw de bloeme des velds ververschet / en de zoetigheyd harem reuks den menschen geven doet / soo geeft leven / smaek en voedsel uwe vermaninge / leeringe en onderwijsinge den menschen / al is ’t dat sy van kleyne verstande zijn / wijsende haer den weg der volkomen wijsheyd Gods / waer door sy opwassen tot een volkomen man in Christo Jesu onsen Heere: Och wat hebt gy schoons by anderen / en goeds voor de anderen / die alsulks zijn die nemen altijd meer en meer toe in de deugden / soo lang tot dat sy tot God selfs komen / en opentlijk gesien worden in Sion by hem te wesen / waer na wy met suchten verlangen om te sien en te beschouwen het eynde onses Geloofs. Och ik verblijde my / hoorende dat het kruys hem openbaerd / en de strijd haer aenheft / hoopende of my die Heere verhooren wilde / en verlossen van desen aerdsen Tabernakel mijner wooning / om af te leggen dat treurkleed / op dat ik ontfangen mochte dat heerlijk en triumphelijk cieraed mijns Heeren / en komen totter aenschouwing Gods. Nu ik wil als ook anderen zijn toekomst lijdsaemlijk verwachten / ’t is mislijk / waerom dat het vertoeft / ik en ben hem mogelijk noch niet behagelijk / of reyn genoeg / waertoe ik arbeyde dag ende nacht / om my voor den Heere mijnen God suyverlijk te toonen / en om mijne handen onbevlekt voor hem op te heffen: ook hy selfs grijpt my by ’t haair mijnder oogscheelen / als een die my bemind / dat ik by avontuer slapende niet rusten en soude. Voorwaer het overleggen van synder genade en vrlendelijkheyt tot ons waerts / maekt ons het verlangen na hem boven allen maten seer groot. ’t Is waer wy hebben grooten lust aen syn Wet / waer door ons ’t leven wel behagen souden / en die anderen te leeren en den menschen bekent te maken / wie hy is / en hoe sorgvuldig men behoord te leeven / dat hy niet vertoornt en worde / maer wy moeten ’t laten en onsen mond met swijgen vullen. En siet wy woonen immers altoos in ’t midden onser vyanden / als hy spreekt / dat dese huysen van verdriet ende het oploopen der vyanden niet vry en zijn. Alsoo gaet het met de oprechten toe / die toch nimmermeer sonder vrees en beeving in ’t aenschouwen Gods en wandelen / want sy werken en bekennen de hoogheyd haerder roepinge / ende hoe heylig sy moeten zijn / wel scherp haer selven wachtende van alle besmettingen / ende en willen niet onreyns lijden / nochtans wort het haer dikwils te bange gemaekt. Om al overgeslagen / soo is onse herte / ziel en geest ter plaets daer wy onsen Koning en Verlosser van daen verwachten / daerom en willen wy niet ophouden ons te reynigen / soo gy in alle uwe brieven zijt vermanende : Ja vastelijk / vastelijk / het begint te naken / die verschijninge daer heb ik acht op / sijne toekomst vertoond haer seer klaer. Daerom laet ons toesien / ons in allen te toonen reyn ; want is ’t sake dat wy reyn zijn / soo behoeven wy niet dan de voeten te reynigen / daer is ’t verstand die ’t leest / want wy die van der aerden niet wel wachten en mogen. O ! gij geheyligde des Heeren / doet mannelijk / laet het u niet verdrieten / ’t is noch om een weynig te doen / dat hy komen sal / om een proeve sijnder heerlijkheyd te toonen in ons / tot een oordeel der wereld en tot synder en onser glorie. Amen.>>

Tranen vloeiden uit haar ogen, toen ze schreef. Ja, in waarheid, het verlangen om voor altijd bij haar Heer te zijn, was bij haar bovenmate groot. Zij kuste de roede, die haar sloeg; ze omklemde vol blijdschap het kruis, dat haar werd opgelegd; ze reikhalsde er naar, om God te aanschouwen en verzadigd te worden met Zijn Beeld.
Wat was dit leven? Een dal van tranen en soms zelfs ook een dal van schaduwen van de dood … Neen, God zij geloofd! Voor haar hadden die sombere schaduwen niets verschrikkelijks meer. Het denken aan haar kind gaf een schrijnende smart, en leedwezen vervulde haar ziel, omdat ze niet meer aan anderen de deugden van de Heer kon vertellen — maar dat waren de schaduwen van de dood niet. In haar geest vertoefde ze reeds bij haar Koning en Verlosser. En het jubelde in haar, omdat de tijd van de ontbinding reeds zo aanstaande was. Het einde kwam in zicht. Weldra zouden haar de banden van het lichaam van deze dood niet meer knellen.

De sombere gevangenis was die avond voor Anneke een tempel, waarin ze opging, om God te loven. Ze aanbad er het Lam, dat ook voor haar was geslacht. En van Zijn kracht ging er over in haar zwakheid, zodat ze bemoedigd de haar wachtende wrede marteldood tegemoet ging.
“Mar-tel-dood …”
Eenmaal, Anneke dacht er nu weer aan, hadden de stervende lippen van haar vader die woorden als in profetie gestameld. Een scherpe vervolging voorzag hij en als slachtoffer daarvan Anneke, zijn kind.
Nu trad die voorspelling in vervulling. De vijand stond gereed, om het oordeel over haar te voltrekken. Ja, wrede tirannen zochten haar ziel. Maar wat nood? Zo ze getrouw bleef tot het einde, zou ze de kroon van de overwinning ontvangen.
En in de avondstilte zong Anneke het lied, hetgeen oorzaak was geworden, dat ze in handen van de vijand gevallen was:

 

De groote Stadt is u bereyt,
die seer vol alder goeden leyt:
treet vroomelijek aen,
Sijn armen zijn wijt open ghespreyt,
om u te ontfaen.

Blijft totten eynde volstandig fijn,
Soo sal tgeloove behouden zijn,
bidt ende waect:
God en vergheet tot gheenen termijn
die hem soo ghenaect. 

NOOT:
1. De hier volgende brief van Anneke Jansz is de kopie van een geschrift, dat later door haar zoon Esaias aan zijn kinderen is nagelaten. Zijn kleinzoon, en dus de achterkleinzoon van Anneke, heeft dit geschrift voor authentiek verklaard.

* * *

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW