3 weken geleden

Anneke Jansz – Historisch verhaal (2)

Vervolg hoofdstuk 1

Meester Arend Jansz

 

Sindsdien gebeurde het vaak, dat Meester Jansz in het kleine, lage veerhuisje kwam.

In het begin moest hij er zijn, omdat de oude vrouw zijn bekwaamheid van chirurgijn nog nodig had. Maar toen deze geheel hersteld was, kwam Meester Jansz, als hij na een dag van veel arbeid zich wenste te ontspannen, met de veerman vaak praten over diens lotgevallen op zee. Of ook gebeurde het wel, dat deze op zijn verzoek de rivier oproeide, om dan de boot zachtjes en stil met de stroom te laten meedrijven.

Op één van deze tochten ontviel Meester Jansz in een gesprek het woord, dat aan Maerten de reden deed kennen, waarom in die gedenkwaardige nacht door de Meester zelfs met geen enkel woord over de hulp van de Heiligen gerept was.

Arend Jansz had een geruime tijd stil zitten mijmeren, de blik over het kalme watervlak geslagen, dat slechts nu en dan even door Maertens riemen beroerd werd, als deze zijn boot, afdrijvend met de stroom, de goede richting deed houden. De veerman, die hem al meer zo gezien had, en hem in zulke ogenblikken niet wilde storen, zag, hoe hij een enkele maal zijn hand ophief en als afwerend voor zich uitstrekte. En eindelijk hoorde hij hem zacht voor zich heen zeggen:

“Arme slachtschapen, die om de liefde tot Christus lijden en onderdrukking moeten ondergaan.”

“Wat bedoelt u daarmee, Meester?”

Arend Jansz zag op het horen van deze vraag verschrikt op. Hij was zich klaarblijkelijk niet bewust, dat zijn gedachten in hoorbare vorm het oor van Maerten hadden bereikt.

“Hebt u gehoord, wat ik zei?” — vroeg hij haastig. “Ja Meester. U hebt lang gezeten zonder iets te zeggen en eindelijk hadt u het over slachtschapen. Ik begreep dat niet en daarom vroeg ik, wat u daarmee bedoelde.”

Het duurde even, voor Arend Jansz antwoord gaf. Toen, na onwillekeurig een blik om zich heen geworpen te hebben, alsof hij bevreesd was, dat ook anderen hem zouden horen, zei hij:

“Die slachtschapen, Maerten? Hebt u niet gehoord van Sicke Snijder, die nu twee jaren geleden in Leeuwarden onthoofd is, omdat hij opnieuw gedoopt was? Of van Jan Halen, die in het jaar 1527 met twee andere mannen te Krommeniedijk gevangen genomen en veroordeeld werd, om, met ketenen aan palen vastgeklonken, door een langzaam brandend vuur verbrand te worden? …”

“Maar Meester!” — onderbrak Maerten hem, nu op zijn beurt verschrikt, — “dát waren ketters, oproerlingen.”

“Wat hebben ze dan voor kwaad gedaan?”

“Kwaad? Kwaad? Ze gingen toch in tegen de heilige leer van de Kerk? En …”

“Is dát dan zó’n verschrikkelijke zonde, dat het met onthoofding en verbranding en allerlei verschrikkelijke pijnigingen gestraft moet worden?” — vroeg Meester Jansz kalm.

Maerten liet van schrik de riemen vallen, zodat de boot ongestuurd met de stroom meedreef. Wat hij dáár hoorde, was ontzettend. Was niet reeds, wat de Meester sprak, ketterij? Ja, erger nog: moest hij niet uit zijn woorden opmaken, dat deze zelf een aanhanger van de nieuwe leer was? En die aanhangers — hij had het nog onlangs van de Brielse schepen gehoord, toen hij deze overzette — hielden vast gemeenschap met de boze. Men vertelde immers ook, dat in de verboden samenkomsten van de ketters die aartsvijand zèlf vóórzat. Was nu de Meester één van hen?

Ontzettende gedachte! Maar neen, de Meester was alleen door zijn goede hart bewogen, om zo te spreken. Onmogelijk was het, dat de man, tot wie hij zo hoog had leren opzien, zowel om zijn bekwaamheid als om zijn deugden, tot die mensen behoorde, die niet anders dan de rampzaligheid tegemoet gingen.

Er was een beving van angst en van hoop in zijn stem, toen hij eindelijk vroeg:

“U bent toch geen Lutheraan, Meester?”

De gevraagde glimlachte even en zei toen:
“Neen, dat ben ik niet ….”

“Gelukkig!” — zuchtte Maerten verlicht.

“Neen,” — ging de Meester voort en in zijn spreken was de klank van een juichtoon — neen Lutheraan ben ik niet. Ik noem mij niet naar een mens, die een zondaar is als u en ik. Maar wel weet ik, dat ik in Christus Jezus ben, gelijk het de heilige apostel Paulus zegt. Ik ga niet meer naar de mis, want ik weet, dat ik alleen door het bloed van Christus van mijn zonden verlost kan worden. U noemt dat de nieuwe leer. Neen, het is de oude leer van de Kerk, dat alleen het bloed van onze Heer Jezus Christus zaligmakende kracht heeft en …”

“O !” — kreet Maerten. — “Als u niet wilt, Meester, dat ik u schuwen zal als de pest, zwijg dan.”

“Maar Maerten!”

“Neen, zwijg daarvan, wat ik u bidden mag. O, als men mij gevraagd had, mijn leven voor u te geven — ik zou het ge-willig hebben gedaan. Tegen honderd vijanden en meer zou ik u hebben willen verdedigen. Maar nu, nu bent u een ketter en reddeloos verloren. Meester, Meester, wat een ramp voor u, die anders zo verstandig bent! En wat een ramp ook voor mij, die zo graag naar u luisterde! Nu zal ik dit voortaan niet meer kunnen doen!”

Een groot gevoel van medelijden kwam er over Meester Jansz, toen hij de ontroering zag, die zijn geloofsbelijdenis bij deze sterke man had teweeggebracht. De handen voor het gelaat geslagen, snikte hij bijna die laatste woorden uit. Inderdaad, Meester Jansz begreep, hoezeer de aan hem zo verknochte veerman in dit ogenblik lijden moest. Was er voor de trouwe aanhanger van de Kerk, zoals die zich nu openbaarde, wel afschuwelijker wezen denkbaar dan een ketter? Geloofde zo een niet in zijn eenvoud, dat ketters groter booswichten waren dan dieven en moordenaars? En moest daarom de wetenschap, dat hij de leringen van de Kerk niet meer volgde, voor Maerten niet een slag zijn, heviger dan hem ooit had getroffen?

Het was ook al te plotseling gegaan. De schok was te hevig geweest.

Meester Jansz beschuldigde zich zelf, dat hij de verandering in zijn geloofsovertuiging niet voorzichtiger aan Maerten had meegedeeld. Reeds lang immers had, wat hij thans uitgesproken had, in hem geleefd. Waarom had hij tot dusver dan gezwegen? Waarom had hij niet terstond in die nacht, in die zo bij uitstek gunstige ogenblikken, deze onwetende gewezen op die Éne, Die alléén uitkomst bieden kon in nood en dood? Waarom had hij hiermee gewacht ook, toen meer en meer Maertens aanhankelijkheid jegens hem tot uiting kwam? Waarom, indien hij nog vreesde voor mogelijke vijandschap, had hij de eenvoudige veerman dan niet geleidelijk op de hoogte gebracht met de nieuwe richting, waarin zijn denken zich bewoog?

Op dit ogenblik bracht een schok van de boot, die, onbestuurd, door de stroom tegen de dijk werd opgedreven, Maerten weer tot zich zelf. Tegelijkertijd werd Meester Jansz ontrukt aan zijn zelfbeschuldigingen. Beider oog ontmoette elkaar.

“Meester!”
“Maerten!”

Bijna gelijktijdig noemden de twee mannen elkanders naam. Eén woord was het slechts, maar de toon, waarop het gezegd werd, deed beiden elkander begrijpen.

Neen, tussen deze twee kón geen vijandschap heersen. Straks, toen de schrik zijn verstand schier verbijsterde, had Maerten gesproken van een de Meester schuwen als de pest, doch nu voelde hij het weer, dat dankbaarheid en vriendschap hem met onverbreekbare banden aan de levensredder van zijn moeder verbonden. En deze, die in de veerman eerst de bewonderaar en daarna de vriend ontdekte, stelde die gevoelens op zo hoge prijs, dat hij wederkerig zich aan hem hechtte.

Op de terugtocht, die Maerten nu met krachtige riemslag ondernam, waren beide mannen stil. Meester Jansz begreep, dat de gemoedsbeweging bij Maerten nog nawerkte en niet opnieuw wilde hij door een onvoorzichtig of verkeerd begrepen woord de ander leed doen.

Toen de boot de rivier verliet en het haventje invoer, was het Maerten, die de stilte verbrak.

“Meester,” — zei hij — “als u ooit mij nodig hebt, roep mij dan. Mijn boot en mijn arm, beide, staan tot uw dienst, hetzij bij dag of bij nacht. Maar … zwijg verder tegen mij van die dingen.”

Arend Jansz antwoordde met een kort “Graag”. In deze bange tijd van strijd en geloofsvervolging — en stond, wellicht niet nog erger voor de deur? — kon een hulp, als hier hem werd toegezegd, van onschatbaar groot belang zijn. Maar, al zei hij het niet, de grootste reden van blijdschap was voor hem de gezindheid, die uit dit aanbod sprak. En het juichte in hem, dat dit een werk van God was. Hij maakte de man, die kort geleden nog zo heftig tegen de nieuwe leer zich uitliet, gewillig, om een ketter zijn hulp aan te bieden …

Over het voorgevallene werd daarna niet meer gesproken. Zorgvuldig vermeed vooral Maerten iedere zinspeling daaromtrent. Maar zijn vriendschap was niet verkoeld. Ja, het scheen, dat die nog sterker, nog inniger geworden was. En telkens als Meester Jansz de veerman ontmoette of opzocht, las hij in diens blik en voelde hij in diens handdruk de herhaling van de eens gegeven belofte.

Zó was de vriendschap ontstaan en gebleven tussen deze twee mannen. En zó kwam het, dat Maerten Willems ook tijdens de zware Novemberstorm de rivier overstak, om de Meester over te varen.

“U hebt zwaar weer getroffen,” — zei de veerman, toen hij met deze nog enige ogenblikken in de luwte van de hoge dijk toefde, voor hij wederom de strijd tegen stroom en wind aanving. — “Ik heb het wel zien aankomen en u had vanmorgen mijn raad moeten opvolgen en thuis moeten blijven. Ieder is niet zo tegen weer en wind bestand als ik, die van kindsbeen af door de zwaarste buien heen moest. U vooral niet Meester,” — voegde hij er op bezorgde toon aan toe.

“Toch ben ik blij, dat ik gegaan ben,” — antwoordde Arend Jansz, nog hijgend van de zware inspanning, die hem de tocht recht tegen de wind in had gekost. — “Bij de zieke vrouw van Jan Adriaensz ontmoette ik de man, aan wie ik zo oneindig veel te danken heb en die ons beiden, mijn vrouw en mij, morgen door de doop …”

Meester Jansz. voltooide de zin niet. Het betrof hier immers een onderwerp, waarvan Maerten gezegd had, niet te willen horen. Heimelijk zag hij de veerman aan, als vreesde hij, dat zijn woorden, net als enkele maanden geleden, een niet bedoelde uitwerking zouden hebben. Maar geen trek op Maertens gelaat vertrok, toen hij zei:

“Bij Jan Adriaensz geweest? Het is een heel eind voorbij Maaslandsluis.”

“Ja, hij woont onder Vlaardingen. Maar het ging op de reis beter dan terug. Toen had ik vlak de wind tegen.”

“En wij zullen ook nog een harde dobber hebben, Meester, vóór we aan de overkant zijn. Trek uw mantel maar dicht om u heen, want het is koud daar buiten. En het water zal wel eens overslaan.”

Nog steeds bulderde de stormwind over de Maas en wild, met hoge golven, joeg de rivier voort, toen de veerman met de Meester de terugtocht begon. De boot werd soms geheel opzij geworpen, zodat Arend Jansz schier onwillekeurig een kreet van schrik slaakte. Maar de veerman klemde des te vaster zijn hand om de roeispaan, vastbesloten te overwinnen. En met grote behendigheid wist hij de boot telkens weer recht te zetten.

“Heer, behoed ons, opdat we niet vergaan,” — bad de Meester in stilte.

Maerten bad niet, gunde er zich geen tijd voor. Zijn aandacht werd geheel in beslag genomen door de strijd, die hij voor de tweede maal tegen het watergeweld had te voeren. En ditmaal eiste de strijd niet minder van zijn krachten. Zelden had hij het tegen zo woeste wind en zo sterke stroom op moeten nemen. De boot rustte het ene ogenblik op de top van een hoge golf om dan als neer geslingerd te worden naar de diepte.

Zeker, deze man moest stalen spieren bezitten en een uithoudingsvermogen, dat aan het wonderbare grensde.
Zo althans dacht zijn passagier erover. Maar er was geen gelegenheid, om aan zijn bewondering uiting te geven, want de gierende rukwinden en het geraas van de over elkander heen-stortende watermassa’s zouden ieder woord hebben overstemd.

Graag had Meester Jansz de veerman bijgestaan. Doch hij miste daartoe èn de zeemanschap van deze èn zijn kracht. Hij wist dit wel en daarom had hij daar maar niet eens van gerept straks, toen ze in de boot stapten. En hij was stil op de achterbank gaan zitten, zich schrap zettend, opdat de slingerende bewegingen van de boot hem niet van zijn plaats zouden werpen en de strijd voor de veerman daardoor nog zwaarder en moeilijker zou zijn.

Het was reeds donker, toen eindelijk de overtocht was vol-bracht en Meester Jansz op Maertens uitnodiging even rusten ging in het veerhuisje. Hartelijk werd hij verwelkomd door de oude vrouw, die met bezorgdheid straks haar zoon had zien vertrekken, maar hem niet wilde terughouden, omdat hij gezegd had, dat het voor de Meester was.

“U zult het wel koud hebben, Meester?” — vroeg ze. En op het bevestigend antwoord schoof ze, zo snel ze kon, haar armstoel voor hem naar de haard.
“Neen, neen!” — weerde Meester Jansz af — “niet ik, maar uw zoon moet daar zitten. Hij heeft het meer dan verdiend. Wel, wat bezit u een kracht, Maerten,” — vervolgde hij, zich tot deze richtend. — “Zeker had niemand anders het klaar gespeeld. Ik was soms bevreesd, dat we nooit Brielle levend zouden bereiken.”

Maerten antwoordde niet, maar de glimlach om zijn mond toonde wel, hoe de lofspraak van de vereerde vriend hem goed deed. Dat was reeds loon genoeg voor zijn zwoegen daar straks.

“Moeder heeft gelijk, Meester. U moet zitten. Zie,” — en hij zette zijn borst uit en met zijn armen maakte hij sterke, veerkrachtige bewegingen, — “ik ben nog fris. Ik heb het wel even zwaar gehad, maar voel al geen moeheid meer. Als het moest, zou ik weer terug gaan.”

Met trots zag de moeder haar sterke zoon aan. Ze wist het wel: hij was een held, die onverschrokken zijn soms zo gevaarlijk beroep uitoefende. En ze wist ook, welk zacht en voor liefde en vriendschap gevoelig hart er in die sterke borst klopte. Uit liefde tot haar immers zei hij het zeeleven vaarwel, hoewel het fluiten van de wind door het want de schoonste muziek en de ruisende zang van de oneindige zee het schoonste lied voor hem was. En uit vriendschap voor de Meester stond hij gereed, wanneer deze ook bij hem kwam. Ze was er zeker van, dat, zo de Brielse schout of één van de heren van de schepenen zijn hulp voor de overtocht had gevraagd, hij dat geweigerd zou hebben. Maar voor de Meester, voor hèm, was geen moeite te veel en geen krachtsinspanning te zwaar.

Toen zag ze naar Meester Jansz, die, waar moeder en zoon beiden zo hadden aangedrongen, eindelijk toch in haar stoel was gaan zitten.

Welk een verschil tussen hèm en haar zoon. Deze was een en al een toonbeeld van kracht: kloek en vierkant waren zijn schouders, vol spierkracht zijn armen; die brede, gewelfde borst, die stevige nek, dat fier opgeheven hoofd — alles aan hem bewees, dat hij een reus was in gezondheid en lichaamssterkte. De Meester was als een schaduw bij hem. Hoe tenger leek hij nú vooral, nu hij daar bij de haard zat neer gedoken, moe en afgemat. En toch was het Maerten geweest, die het werk had verricht. Ja, moeder Willems was er zeker van, al had geen van de beide mannen iets gezegd, dat de Meester geen enkele slag met de riemen had gedaan. Vanwaar dan die moeheid? Vanwaar dan die matte trek om zijn lippen, het beven van die handen als in koorts?

En nu was het, alsof er eensklaps voor die vrouw met zo rijpe levenservaring, die zoveel tientallen mensenlevens reeds om haar heen had zien sterven, een licht opging. Voor het eerst merkte ze nu die blauwe bij het doorschijnend-blank van de magere handen zo afstekende aderen. En ze zag een heel eigenaardige glans in zijn ogen en een scherp getekend blosje op zijn bleke wangen.

Toen was het, alsof een geweldige schok haar aangreep. Ze trad terug tot in het donkerste gedeelte van het kleine huisje, opdat niemand op haar gelaat de ontroering zou zien, die zich van haar had meester gemaakt. Want de ontdekking, die ze gedaan had, deed haar het ergste vrezen. Had ze niet een enige dochter gehad, die even sterk scheen als Maerten was? En was niet haar Weijntgen het slachtoffer geworden van die wrede, sluipende kwaal, voor welke geen kruid was gewassen? En dezelfde tekenen, die ze toen nog niet kende, zag ze nu bij de Meester. O, hij was ziek, hij, die haar het leven had gered! En niemand nog wist dit. Zelfs ook niet zijn Anneke, met wie hij pas was getrouwd. Zou die hem anders op deze stormachtige najaarsdag hebben laten gaan?

Er kwam even wrevel in het hart van de oude tegen de jonge vrouw, die warm en wel in de Capoenstraat bleef, terwijl ze haar man liet trekken, door regen en hagel verkleumd, door de stormwind besprongen. Maar even snel verdween ook die wrevel weer en gaf haar vrouwelijk hart haar medelijden in met de arme Anneke, van wie ze wist en geloofde, dat ze in volle liefde hart en hand had geschonken aan de ginds neer-zittende, naar adem hijgende jonge man.

“O, heilige Moeder Gods!” — bad ze, in de donkerte neer knielend voor het kruisbeeld aan de wand, — “weer van de Meester en zijn jonge vrouw het lijden af, dat ik voor hen vrees. Geef, dat ik het verkeerd zie. Ik zal een kaars voor uw heilige beeltenis geven in de Kerk, als u mij verhoort.”
“Moeder, geeft u ons niet iets warms te drinken?” — onderbrak Maertens stem haar bidden. — “Wij hebben er wel behoefte aan, niet waar, Meester?”
“Laat maar!” — zei deze, het hoofd schuddende. — “Doe maar geen moeite, goede moeder Willems. Mij dunkt: ik ben al weer geheel uitgerust. En mijn Anneke zal ook wel verlangen naar mijn thuiskomst.”
“Daar komt niets van in, Meester,” — zei moeder Willems, die in de tijd, die haar gebed en de woorden van de beide mannen hadden gevorderd, haar aandoeningen in zoverre weer meester was geworden, dat ze op kalme toon spreken kon. — “U moet blijven, tot ik u een warme dronk geschonken heb. Het is onvergeeflijk, dat ik zo lang reeds daarmee gewacht heb.”

Terwijl de oude vrouw zich beijverde, om aan Maertens ver-langen te voldoen, zat Arend Jansz nog even in gepeins verzonken. Toen richtte hij zich op en keek de kant uit van vrouw Willems, als om zich te verzekeren, dat ze hem niet horen kon.

“Maerten!” — zei hij daarop, bijna fluisterend.

Hij wenkte de veerman, om dicht bij hem te komen zitten. Deze voldeed aan dat verzoek, nieuwsgierig, wat de Meester tot hem te zeggen had.

Die wachtte nog enkele ogenblikken. En toen, heel zacht, kwam de vraag:

“Wilt u niet weten, Maerten, wie ik bij Jan Adriaensz heb ontmoet?”

“Neen” — riep Maerten uit, terwijl hij met een ruk zijn stoel van de haard terugschoof. En zijn stem klonk zo luid door het kleine huisje, dat de oude vrouw verschrikt zich omwendde en aan Maerten vroeg, wat hem zo heftig deed zijn.

Hij gaf geen antwoord. Met grote schreden liep hij door het kleine kamertje heen en weer. En als hij even in het schemerlicht kwam van het kleine lampje, zagen de beide andere mensen, hoe hij zijn vuisten gebald hield. En ze hoorden het aan de korte, stotende ademhaling, hoe geweldig de strijd was, die er in zijn binnenste woedde.

De oude vrouw begreep van dit alles niets. Ze zag, toen haar zoon haar geen antwoord gaf, naar de Meester, maar diens bleke, bijna angstige, trekken ontraadselden haar evenmin Maertens plotselinge drift.

“Wat is er, Maerten?” — vroeg ze nog eens, terwijl ze haar hand op zijn arm legde.

Maar hij schudde woest die hand van zich af en riep uit: “Wat er is? De duivel zelf is hier. Die wil mij overhalen, naar hem te luisteren. Die …”

“Maar wat bedoelt je toch?” — vroeg zijn moeder, verschrikt hem in de rede vallend. Ze geloofde in dit ogenblik, dat haar zoon door razernij was aangevallen. — “Kom tot je zelf, Maerten. Spreek niet zo verward. Geloof mij, hier is niemand anders dan de Meester en jij en ik. De heilige Maagd moge ons beschermen voor de boze, dat die nooit de macht over ons krijgt.”

“Ja, juist, dàt is het!” — riep de veerman uit. — “De heilige Maagd beware ons daarvoor. En ik wil niet naar ketterse woorden luisteren. Neen, dàt wil ik niet !” — riep hij, zich recht voor de nog steeds zittende Meester plaatsend. — “Waarom begint u er dan weer over te spreken? Ik heb het u toch gezegd, dat ik de ketterij schuw als de pest? Want die de ketterij volgen, moeten eeuwig branden in de hel. Wilt u dan, dat ik in de eeuwigheid verdoemd zal zijn? Neen!” — eindigde hij heftig — “al was het mijn eigen moeder, die zou trachten, een ketter van me te maken — ik zou ze van mij stoten. Liever zonder moeder, zonder vriend, dan eeuwig verdoemd in de hel!”

Zwijgend had Meester Jansz de toornende man aangehoord. Nu stond hij op.

“Ik wil u niet verdoemd zien, Maerten,” — zei hij op zachte en innige toon. — “God weet het, hoe zwaar ook uw zieleheil mij weegt. Maar wat heb ik u gedaan, dat u zo tegen mij uitvaart?”

“U? U wilt mij vertellen van hem, aan wie u zoveel te danken hebt. Ja, ik begrijp het wel: die man is het, die u tot een ketter gemaakt heeft. Vervloekt zal hij zijn. Maar wat heb ik met hem te doen? Ik wil niets van hem horen. Ik wil hem niet kennen. En u, u ken ik ook niet meer!” — schreeuwde Maerten in woede uit.

Met ontzetting had moeder Willems naar deze uitbarsting van haar zoon geluisterd. Zó had ze hem nog nimmer gezien en gehoord. Ja, ze vreesde, dat hij in zijn woedende drift zich aan de man voor hem zou vergrijpen. Maar ook ontzet was ze, nu ze begrijpen ging, dat Meester Jansz een ketter was. Voor de tweede keer in dit korte avonduur trad ze uit de smalle lichtkring, die het lampje om zich heen wierp. De Meester niet alleen ziek naar het lichaam te weten, maar ook naar de ziel — dàt ontzette en ontroerde haar bijna nog meer dan de buitengewone drift van haar zoon dit kon doen.

Op Maertens laatste woorden volgde een ogenblik van stilzwijgen. Toen klonk droevig de stem van Meester Jansz:

“Als u mij dan niet meer wilt kennen, zal ik hier niet weer komen. Het doet mij leed om uwentwil. Ik heb geen kwaad jegens u bedoeld … Het ga u goed, moeder Willems,” — wendde hij zich tot de oude vrouw, die nu wel, zij het dan ook schoorvoetend, te voorschijn komen moest. — “U kunt er te allen tijde van verzekerd zijn, dat ik u en Maerten vriendschappelijk gezind blijf.”

Maertens moeder nam de uitgestoken hand aan, die koud en klam aanvoelde. Maar Maerten weigerde. Hij keerde zich om en keek door de kleine vensterruiten, al kon hij daar buiten wegens de ingevallen duisternis ook niets meer onderscheiden.

“God is mijn getuige, Maerten, dat ik het niet zo gewild heb.”

Dat waren de laatste woorden, die Maerten van de Meester vernam. Hij hoorde, hoe de lage deur geopend werd en zag heel flauw nog even de naar de stad zich richtende gestalte. Ja zeker, het was goed, wat hij gezegd had. Geen woord trok hij er van terug. Hij had, niettegenstaande hij wist, dat de Meester een ketter was geworden, zijn vriendschap tot dusver niet onderdrukt. Maar duidelijk en zichtbaar was het hem nu, dat de duivel ook hem tot een prooi zocht. Hoe anders had de Meester hem dan opnieuw weer over die vervloekte nieuwe leer en zijn dienaren willen spreken?

“Maerten, wàt heb je gedaan? Weet je wel, dat de Meester ziek is?”

Zacht had moeder Willems de deur achter de vertrekkende gesloten. En met stille schreden was ze nu achter haar zoon gekomen, die nog steeds voor het venster naar buiten stond te staren.

“Ziek? Ik heb er niets van gemerkt. Ja, de ketterij maakt hem ziek en …”

“Stil, Maerten. Neen, maar de Meester is inderdaad ziek. Ik heb het daar straks voor het eerst gemerkt. Het is dezelfde ziekte als die onze Weijntgen van ons heeft weggenomen.”

“Moeder!”
De veerman stiet dat woord uit. Dezelfde ziekte als Weijntgen? Maar dat was een langzaam wegsterven! Het was het meest wrede spel, dat er met een mensenleven gespeeld kon worden: het vertrouwen van de zieke op beterschap, het er zeker van zijn, dat het herstel aanstaande was … om dan eensklaps neer te zinken en voor altijd de ogen te sluiten.
“Moeder!” — kreet Maerten nog eens. En toen snelde hij heen, de deur uit, langs de weg, die Meester Jansz had ingeslagen.

* * *

Wordt vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW