3 maanden geleden

Anneke Jansz – Historisch verhaal (18)

HOOFDSTUK IX (vervolg – slot)

Bladen uit het dagboek van Anneke Jansz. (c)

1 januari 1537.

Wat is het lang geleden, dat ik voor het laatst in mijn dagboek schreef.
Het is niet uit traagheid, dat ik het naliet. Doch sedert ik met Arend gesproken heb en hij mij de verzekering gaf, dat zijn gezondheid is teruggekeerd, heb ik geen gedachten meer, die ik behoef te verbergen.
Nu wij weer een nieuw jaar ingaan, voel ik mij gedrongen, om — al is het ook maar met enkele woorden — uit te spreken, dat het verstreken jaar voor ons een rijk jaar is geweest. Ik mocht zelf van een zware ziekte herstellen en Arend is zo gezond, als ik het slechts wensen kan. En de dorpelingen hier bewijzen ons niets dan goedheid. Zelfs al was er van de verkoop van onze bezittingen niets overgebleven, dan nog zouden wij geen gebrek behoeven te lijden.
Toch — ons hart trekt naar het vaderland, naar Brielle. Wij zullen nimmer Schotten kunnen worden. En vaak spreken wij er dan ook over, of wij niet terug zullen keren.
Zal dit voorrecht ons in dit nieuwe jaar geschonken worden?
O, ik voel, dat er ook hier dan banden verbroken moesten worden, banden, die teder liggen en vast. Maar aan de overzijde lijden en strijden onze broeders en zusters voor een zaak, die ook de onze is. En nu wij beiden gezond zijn, ge-voelen we ons sterk om ook de vervolging te trotseren. Nu is het ons soms tot een beschuldiging, dat wij de heilige strijd ontweken zijn …
O, Heere! Leer ons Uw wil en weg. Leid ons aan Uw hand. En laat door Uw Geest ons verstand worden verlicht, opdat wij zien mogen, wat U wilt, dat wij zullen doen.

——————

10 januari.

Wij zijn in grote treurigheid. Want Maerten, onze goede, trouwe Maerten, is dood, nu al sinds zeven weken.
Pastoor Merula schreef het ons.
In het laatst van november had Maerten zich weer gegeven, om een vervolgde gelovige te redden. Het schip, dat de broeder wachtte, lag voor de Maas in zee en het was de dappere veerman, die, evenals hij het ons had gedaan, het door de kerkdienaren opgejaagde en vervolgde wild in veiligheid zou brengen.
Maar ditmaal liet de vijand niet af. Toen Maerten met de broeder zich reeds op de rivier bevond, kwam plotseling een met gewapende knechten bemande boot te voorschijn en werd hem toegeroepen, dat hij stil moest houden. Doch de manmoedige veerman stoorde zich niet aan dit bevel en roeide uit alle macht, om aan de vervolgers te ontkomen. Dezen echter, talrijker dan hij, zetten zich nu ook aan de riemen en in korte tijd hadden zij Maertens boot ingehaald. En nu klonk weer het bevel, dreigender nog dan te voren, dat Maerten zijn vaart zou ophouden en de vluchteling en zichzelf overgeven.
Maar dit wilde de held niet. En toen de vervolgers daarop zijn boot met hun haken vastgrepen, verhief Maerten zich en trachtte hij met zijn reuzenkracht de boot van de vijanden met zijn riem van de zijne af te stoten. Nu bedienden de vijanden zich van een list. Plotseling lieten zij Maertens boot los en de veerman, niet verdacht op de verraderlijke toeleg, verloor zijn evenwicht en stortte voorover in de Maas.
Toen juichten de snoodaards en — mijn pen vermag bijna niet, het neer te schrijven — sloegen ze met hun riemen en haken naar de armen Maerten, die kort daarop in de diepte verdween.
De moordenaars hebben daarna de vluchteling eerst naar Brielle en toen naar Rotterdam gebracht en van een van hun, een monnik, heeft pastoor Merula de toedracht van de zaak vernomen.

Het staat in Merula’s brief en daarom, hoe ongelofelijk het schijnt, schrijf ik het hier ook neer: men gelooft in Brielle, dat de oude vrouw Willems in haar blinde ijver voor de kerk van Rome het aan de vervolgers heeft bericht, wat haar zoon vermoedelijk van plan was.
Indien dit waar is, is het vreselijk. Dan is de moeder de schuld van de dood van haar zoon; dan is zij de moordenares van hem, die, om haar te verzorgen, aan wal bleef, niettegenstaande het zeemansleven hem aantrok!
Maar heeft onze Heere Jezus het niet voorzegd? Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen maar het zwaard. En zeide Hij het ook niet, dat de kinderen tegen hun ouders en de ouders tegen hun kinderen zouden opstaan?
Maertert, trouwe Maerten! U bent de heldendood gestorven. Neen méér, u stierft de dood van een Christen! De vijand heeft gejuicht, toen hij uw sterk lichaam zag wegzinken in de diepte, maar wij treuren om u, nu wij in u onze moedige vriend en redder, onze broeder hebben verloren.
Doch gij leeft, Maerten! Hierboven ontvangt u het loon voor uw arbeid. En gezegend heeft Hij u, Die u hier gevonden hebt en hebt liefgehad!
Wij zien u terug, als ook ons de Hemeldeuren worden ontsloten. En in de grote dag van de opstanding zullen wij triomferen over alle onze vijanden door Hem, Die reeds de kop van de slang vermorzeld heeft en dan alle geweld van de duivel teniet zal doen. Dood, waar is dan uw prikkel? Hel, waar is dan uw overwinning?

——————

14 maart.

Arend en ik zijn verheugd. De Heere heeft ons gebed willen verhoren.
Kinderen zijn een erfdeel van de Heere. En dat erfdeel zullen wij door Zijn goedheid ontvangen …
Heere, ik ben Uw dienstmaagd en mijn ogen zijn op U.

——————

20 maart.

In zijn overgrote bezorgdheid heeft Arend mij gevraagd, mij niet nodeloos te vermoeien. Daarom ook heeft hij liever niet, dat ik met het schrijven in mijn dagboek voortga.
Ofschoon ik mij zeer wel gevoel en in een stemming verkeer, om luid mijn blijdschap uit te jubelen, wil ik aan zijn verzoek gehoor geven.
Ik berg dus mijn dagboek voor een tijdlang weg. De Heere geve, dat ik, als ik het weer open, een blijde moeder mag zijn. Mijn ziel looft de Heere! Want Hij is eindeloos goed!

——————

14 december.

Eindelijk kan ik er dan weer toe komen, om, wat er gebeurd is, in mijn dagboek neer te schrijven. Reeds veel eerder had ik dit willen doen, maar ik heb nu heerlijke moederplichten te vervullen en die lieten het mij niet toe, mij af te matten of mij van mijn huisgenoten af te zonderen.
In de laatste dagen van september verblijdde ons de Heere door ons onze zoon te schenken. Wij hebben hem Esaias genoemd naar mijn onvergetelijke vader.
Het is een zaligheid, moeder te mogen zijn. Reeds vóór het kind ter wereld komt, heeft men het lief. Maar niets is er, dat de rijkdom en het geluk van een moeder evenaart, als zij na het bange lijden haar kindje in de armen mag nemen en het koesteren, zijn zachte wangetjes mag strelen en ze kussen en aan eigen borst hem voeden en laven mag.
O, nu eerst ken ik dat grote en machtige gevoel, dat de meest zwakke vrouw zo moedig en sterk maakt. Mijn Esaias, Esaias, wat heb ik u lief!

——————

31 december.

Op deze oudejaarsdag voegt mij een woord van dankbare, herinnering aan de grote voorrechten, die der Heere ons te genieten gaf. En wederom moet gezegd worden, dat Gods leidingen wonderlijk zijn.
Zie, bij de aanvang van dit jaar achtten wij het de meest begeerlijke zaak, om naar Holland en Brielle terug te keren. En nauwelijks was het jaar enkele weken oud, of dat verlangen geraakte geheel op de achtergrond, doordat we een blijde hoop mochten gaan koesteren.
Wat zijn Gods weldadigheden groot en menigvuldig! Ons, ballingen, geeft Hij heerlijker genietingen dan de machtigste priester van de Roomse Kerk ooit kan smaken. Hebben wij niet Esaias van Hem ontvangen, ons lieve kind, dat door zijn lachjes van herkenning nu reeds onze zielen doet trillen van oudervreugde?
Arend en ik spreken er over, wat wij straks zullen doen, als hij leert lopen en praten. Wij hebben met ons kind reeds in de verre wegen van de toekomst gewandeld, ons voornemende, hem op te voeden in de vrees en vermaning van de Heere. En wij bidden, dat hij, onze Esaias, gelijk mag worden aan den grote profeet, wiens naam hij draagt, en die de rijke niet ontzag, zo die zich van God afkeerde, noch de goddeloze, als die op paden van het bedrog en van onrecht boos gewin zocht.
O, Heere onze God, laat onze Esaias eenmaal Uw geboden schrijven op de tafelen van zijn hart, ze binden voor zijn voorhoofd. En wilt U hem dan, o heilige Vader, heiligen in Uw waarheid en hem bewaren voor alle kwaad, omwille van Uw heilige Naam, o Heere!

——————

23 januari 1538.

Nu voor het eerst sinds ons verblijf in Engeland en Schotland kregen we een brief van David Joris zelf. En ik verheug er mij van harte over, dat hij ons geschreven heeft, omdat nu duidelijk blijkt, dat Meynardt te spoedig zich door zijn vrees heeft laten beheersen.
David Joris is geen afvallige geworden. Integendeel, hij leidt de vervolgden om ’s Heeren wil en is onder hen in groot aanzien. Hij is een geheiligde en ik geloof, dat God hem heeft bestemd om grote dingen te doen.
Heeft David niet getoond, dat hij, in weerwil van zijn heftigheid en voortvarendheid, ook gematigd weet te zijn, als de goede zaak dit vordert?
In Augustus ’36, zo schrijft hij ons, is er te Boekholt, in Westfalen, een grote bijeenkomst geweest van Wederdopers. Daar waren Munstersen en Batenburgers, Melchoriten en Ubbonisten. Allen waren het eens over de leer van het avondmaal, de menswording van Christus, de vrije wil, de verwerping van de kinderdoop en over de vraag, of een wedergeborene de Wet van God geheel houden kan; maar over het huwelijk en het wezen van het Godsrijk was groot verschil. De Munstersen en Batenburgers verdedigden — o, gruwel! — het hebben van meer dan één vrouw en wilden met geweld van wapens hier op aarde het Godsrijk stichten.
Gelukkig, dat de Melchoriten en de Ubbonisten zich tegen dit ongoddelijk drijven met kracht verzetten en dat zij in David Joris een man vonden, die, hun gevoelens kennende en delende, deze met gloed en overtuiging verdedigde.
Het is voor mij een heerlijke voldoening, schrijft David Joris, — en ik vind hierin niets ijdels of verkeerds — dat het mij gelukken mocht, de meest hartstochtelijke redenaars van de Munstersen tot zwijgen te brengen en daardooreen nog diepergaande scheuring te voorkomen.
O, ik bid, dat het David gegeven wordt, om het grote werk, waartoe hij geroepen is, te volbrengen. Neen, er moeten geen Munstersen en Melchoriten, geen Batenburgers en Ubbonisten zijn. Allen, die tot de Herdoopten behoren, zijn één, moeten één zijn in Hem, Die hen in de vrijheid stelde en hun in het voornaamste stuk van de zaligheid, de wedergeboorte, een zuiver en klaar inzicht gaf.
Het is immers één Herder, Die ons leidt!

——————

12 maart.

Met Esaias gaat het zo voorspoedig, als wij het maar kunnen wensen.
Arend is ook zeer gelukkig. Als hij van zijn bezoeken uit de omtrek terugkeert, is zijn eerste gang naar de wieg van onze lieveling en het is een grote teleurstelling voor hem, wanneer Esaias nog slaapt, zodat hij hem niet opnemen kan.
Hedenmorgen is Arend door een man, die een paar uren noordwaarts woont, bij zijn zieke vrouw gehaald, die door een zware ziekte was overvallen. De man kwam te paard en had voor Arend ook een paard meegenomen, opdat de zieke des te spoediger geholpen zou kunnen worden. Hoewel hij heel zelden paardrijdt, is Arend opgestegen en met de verontruste man meegegaan.
Hij zal nu wel de ganse dag wegblijven, wat voor ons beiden een grote teleurstelling is. Want het is heden mijn verjaardag.
Vandaag voor achtentwintig jaren waren mijn ouders blij met mijn geboorte. Helaas, beiden zijn niet meer. Nu ik zelf een dierbaar kind te verzorgen heb, gevoel ik, hoe zwaar de scheiding mijn moeder eerst en daarna mijn vader gevallen moet zijn! De Heere geve, dat Esaias er voor bewaard blijft dat hij jong vader- of moederloos wordt.

——————

13 maart.

Een zware beproeving heeft mij wederom getroffen. Mijn Arend is gisterenavond heel laat thuisgekomen. Maar in welk een toestand! Het gelaat bebloed, de kleding aan flarden gescheurd.
John, de veehoeder van Gifford, bracht hem thuis. Hij moest ondersteund worden, anders was hij gevallen. Toen hij eindelijk op een stoel zat, ontdekte ik, dat het nog erger met hem gesteld was dan de eerste aanblik deed vermoeden. Men heeft hem met een mes of ander moordtuig in de schouder gestoken, zodat een diepe wond daarvan het gevolg is!
Met behulp van enkele toegesnelde buren heb ik de arme man verbonden en naar bed gebracht. De Laird is daar straks bij hem geweest en heeft, daar hij enige kennis heeft van het behandelen van in de strijd opgelopen wonden, mij raad gegeven, wat ik moest doen, als de koorts opkwam. Zelf is de Laird toen op het paard gestegen, om uit Edinburgh een bekwaam heelmeester te halen …
O, God! Nu alles zo schoon voor ons was, is deze nieuwe slag zo plotseling, zo vreselijk!
Heere! Bewaar ons, dat ik geen weduwe wordt en mijn Esaias geen wees!

——————

14 april.

Moeilijke weken zijn het voor mij geweest.
De koorts heeft mijn goede Arend vreselijk verzwakt. Thans is de koorts geweken. Maar Arend moet nog steeds het bed houden, zegt de Edinburghse dokter, daar zijn long is geraakt en deze wond nog niet genezen is.
Ik weet nu, hoe het ongeluk is gebeurd. Toen Arend de zieke had gezien en, gelijk zijn gewoonte in ernstige gevallen is, enkele uren was gebleven om de aard van de ziekte juist te leren kennen, was hij in de namiddag weer naar huis gegaan. Het aanbod van de man van de zieke vrouw, om hem weer naar Gifford te brengen, sloeg hij af, omdat de dag nog lang genoeg was, om voor de avond ons huis te kunnen bereiken.
Welgemoed en vrolijk ving Arend dus alleen de terugtocht aan. Doch op ongeveer een half uur afstand van Gifford werd hij onverwachts door enige booswichten overvallen, die hem alles ontnamen, wat hij aan waarde bij zich had. De buit viel de rovers niet mee en in hun woede daarover sloegen ze Arend, wierpen hem op de grond en trapten hem.
Temidden van deze hun gruwelijke handeling riep plotseling één van de booswichten uit: “Halt mannen! Ik ken hem, die we hier hebben! Zeg eens op,” — vervolgde hij tot Arend, — “hebt u niet in Edinburgh gewoond bij een vrouw Mary?”
Toen daarop Arends antwoord bevestigend luidde, trok de man zijn dolkmes en uitroepend: — “Dan bent u een vervloekte ketter, wie te doden een goed werk mag heten,” — sloeg en stak hij naar Arend.
De andere rovers hielden de woestaard tegen.
“Geen moord!” — riepen ze hem toe. — “Zolang we de boeren en reizigers plunderen, zullen ze ons niets doen. Maar zodra er een lijk in het spel komt, sturen ze de soldaten op ons af en is het met onze veiligheid gedaan!”
Aan deze tussenkomst hebben wij het dus te danken, dat Arend nog levend thuis gekomen is. Maar de steek in de schouder had de Edinburghse ketterjager hem reeds toegebracht, vóór de anderen het hadden kunnen verhinderen.
Toen de rovers het bloed zagen vloeien, vluchtten zij ijlings heen, Arend aan zijn lot overlatend. Met inspanning van al zijn krachten trachtte hij daarop Gifford te bereiken. Doch halverwege zonk hij bewusteloos neer op de weg, waar John hem liggend vond …

In onsamenhangende zinnen eerst en later meer geregeld heeft Arend mij het voorgevallene medegedeeld. En de Laird bevestigde de juistheid hiervan, daar de roverbende op zijn aandringen door de overheid van het district is achtervolgd en gevat. En de mannen hebben bekend, dat een van hun de steek toebracht. Deze echter juist heeft kans gezien aan de nasporingen te ontkomen en niemand weet, waar hij verblijf houdt.
Zodra Arend hoorde, dat zijn aanvallers gevangen genomen waren, verzocht hij de Laird, hun vrijlating te bewerken. Deze zei evenwel, dat hij dit niet kon doen. Wel wilde hij, op Arends wens, de rechter verzoeken, de bende niet de zwaarste straffen te doen ondergaan …
Zó is dan nu de angst voor het leven van mijn Arend groter dan ooit te voren. Ik vrees, dat hij het niet meer te boven zal kunnen komen. En, als ik het goed gezien heb, oordeelt ook de dokter aldus. Die longwond moet zeer gevaarlijk zijn.
O, als ik er aan denk, dat ik hem moet verliezen, nu hij, als met nieuwe levenskracht begiftigd, zijn arbeid weer had opgevat …

——————

18 april.

Ik weet het nu: er is geen hoop meer. Mijn Arend zal sterven.
De dokter heeft het mij gezegd, nadat ik niet ophield, hem naar zijn mening te vragen.
O, tranen vallen er op mijn dagboek, nu ik mij voor eigen ogen stel, dat weldra onze arme Esaias geen vader meer zal hebben. En ik voel nu reeds de leegte, die het gemis van mijn Arend in ons beider leven zal brengen.
Nog een paar weken, zei de dokter, zou Arend kunnen leven. Hij ried mij aan, dit voor hem te verzwijgen, opdat niet de aandoeningen hem te machtig zouden worden.
Maar dit heb ik niet gedaan. Ik heb, zij het dan ook zo voorzichtig als dit mij mogelijk was, hem op de naderende scheiding voorbereid.
Gelijk ik verwacht had, bleef Arend kalm. Hij vreesde de dood niet, zei hij. Neen, veeleer was die hem een welkome en liefelijke bode van zijn Heere en Koning.
Een enkel ogenblik gleed er een pijnlijke trek over zijn gelaat, toen hij zei: “Het valt mij wel zwaar van u te scheiden, mijn Anneke, en van onze jongen.” Maar terstond ook liet hij er toen op volgen: “lk ben verzekerd, dat God u en hem beide onder Zijn hoede zal nemen. Hij zal u tot een Man en mijn Esaias tot een Vader zijn, gelijk Hij beloofd heeft.”
Stil en vredig ligt Arend nu terneer. Het is, of hij zich reeds los voelt van de aarde. De meeste tijd bidt hij.
O, lieve Heere, leer ook mij in deze zware beproeving bidden. Geef mij het oud vertrouwen weer. U bent immers ook mijn God en mijn Vader!

——————

9 mei.

De 29ste van de vorige maand is mijn Arend gaan rusten.
Ja, hij rust nu van zijn arbeid. Savedra in Holland noch de verdwaasde soldaten van de Schotse koning kunnen hem in iets meer deren. Hij rust nu. In het Vaderhuis met zijn eeuwige woningen is ook hem de plaats gegeven, die onze gezegende Heiland voor hem heeft verworven.
’t Is mij soms, of ik hem zie, wandelend langs de gouden straten van de Hemelstad; in een rein, wit onzondig kleed gehuld; omstraald met het licht, dat afdaalt van de troon van God.
Hij rust nu. Hij is niet meer van mij, maar hij behoort aan de eeuwigheid toe. Wanneer, ach wanneer zal ook ik mogen rusten; wanneer zal ook mij de zonde niet meer drukken en zal ik mij voor altoos mogen verblijden in de aanschouwing van mijn Jezus? …
Neen, nog niet. De Heere heeft mij nog een werk te doen gegeven, dat ik volvoeren moet om Zijnentwil en omwille van mijn Arend: de opvoeding van mijn kleinen Esaias.
Ik moet thans vader en moeder beide zijn. Ik heb Esaias op te voeden in de vrees en in de vermaning van de Heere. En, mijn zoon, ik hoop getrouw te zijn in deze mijn roeping. Ik wil u van Gods wonderdaden verhalen, waardoor Hij Zijn lieve volk Israël uit de verdrukking van Egypte heeft verlost, opdat u later tot de goede keuze zult mogen komen, die ook u van de dienstbaarheid van de zonde verlossing brengen zal.

——————

10 mei.

Gisteren heb ik nog getracht, de laatste ogenblikken te beschrijven, die mijn Arend bij mij was. Maar ik was niet sterk genoeg daarvoor. Toch was het een uur, die heerlijk te noemen is. Ik heb duidelijk de troostende nabijheid van de Heere gevoeld.
Arend kon niets meer zeggen, maar zoveel te meer spraken zijn ogen. Daar lichtte hemelvreugde in. En in de blikken, waarmee hij mij aanzag, las ik een zalige blijdschap. Soms ook scheen het mij toe, of een heel bijzondere glans over zijn gelaat toog. Dan was het aan zijn lippen merkbaar, dat hij spreken wilde. Of bad hij, sprak hij met zijn God?
Vlak voor zijn dood zag hij mij lang, heel lang aan met een blik, die ik nooit vergeten zal. Toen sprak hij met zijn lippen de naam Esaias uit en wenkte hij, dat ik het kind zou halen.
Ik bracht ons kind bij hem en hield het hem voor. Met inspanning van al zijn krachten hief hij toen zijn hand op en legde die zegenend op het hoofd van Esaias. Daarna wees hij met zijn hand naar de hemel.
“Ja, Arend,” — schreide ik — “ik zal het doen. Zolang de Heere mij het leven spaart, zal ik hem de weg van de behoudenis wijzen.”
Onmerkbaar bijna boog hij toen het hoofd, ten teken, dat ik hem begrepen had en hij gerust nu heenging.
En toen, plotseling, alsof hem nieuwe kracht geschonken werd, stak hij beide handen omhoog. Dát was de dood. Of neen, dit was het begin van het nieuwe leven. Zó ontving hij de hemelboden, afgezonden om hem tot de Vader te leiden.
Een zalige glimlach verspreidde zich over zijn gelaat en zó, met een lach om de lippen, ging hij de eeuwige rust in. En zó hebben ze hem begraven, al was de lach ook verkild. De dood was immers ook voor hem teniet gedaan!
Mijn Arend, hij rust nu …

——————

1 juni.

Met John Knox, die helaas noch bij het sterfbed noch bij de begrafenis van mijn Arend tegenwoordig was, heb ik besproken, wat mij nu te doen staat. Mijn hart trekt naar Holland heen en naar de broeders, die daar zo zware strijd voeren. Maar van de dorpelingen hier ontvang ik zoveel bewijzen van liefde, dat het vredige dorpje mij met de dag dierbaarder wordt. En ook, hier ligt Arend begraven en mijn wens zou het zijn, aan zijn zijde te rusten tot de grote dag van de opstanding.
John Knox gaf de raad, dat ik vooreerst nog te Gifford zou blijven, zo al niet vanwege mijzelf wil dan toch voor mijn kleine Esaias.
Ik ben besloten deze goede raad op te volgen.
Als Esaias groot en sterk genoeg is, om de verre reis te aanvaarden, ga ik naar Holland terug. God geve, dat ik dan in een vrij Holland moge komen, waar ongehinderd het licht van het evangelie schijnen mag.

——————

27 juni.

Een heerlijk vertroostende brief ontving ik van pastoor Merula. Hij schrijft over Arend als een broeder. Ja, er is een gemeenschap van de heiligen reeds hier op aarde. Al dacht mijn Arend over vele zaken heel anders dan Merula, zij hadden beiden één Heere lief.
Ik bid God, dat de goede pastoor van Heenvliet nog eens het juk van de Roomse priesterheerschappij moge afschudden. Neen, het zal hem nimmer gelukken om de kerk in de kerk te hervormen. Een kerk, die van God is afgeweken, die menselijke inzettingen naast, ja zelfs boven het heilig Woord van God stelt, kan niet uit die diepe val worden opgericht. Het is nodig, dat zij, die de dwaalleer hebben doorzien, moedig daarvan getuigenis afleggen en door een openlijk breken laten zien, dat zij althans aan die afval niet schuldig staan.
Breed is de kloof niet meer, die pastoor Merula van ons scheidt. Mogelijk is het, dat de speurwoede van de vervolgers van de gemeente van Christus dit ook ontdekt.
Zal hij dan pal staan voor de goede belijdenis? Ja, dat zal hij ongetwijfeld. Want in hem ook werkt de Geest van de Heere.
Moed, broeder Merula! Eens zal de dageraad over ons lief Holland oplichten, de dageraad van de vrijheid. De Heere leidt Zijn gekochten nu nog door een weg van bloed en tranen, maar Hij is machtig, om Saulussen tot Paulussen te maken.

——————

4 juli.

Deze week heb ik gedurig moeten denken aan de laatste woorden van mijn vader. Zeker heeft het schrijven over de vervolging in Holland en over de strijd, die iedere ware gelovige tegen de Roomse kerk strijden moet, mij het uur weer voor de geest gebracht, toen mijn vader stierf.
Op dat ogenblik hadden de woorden van de stervende voor mij een buitengewone betekenis. Het was onmiskenbaar, dat hem in dat laatste uur een blik in de toekomst was gegund. En “Anneke” zei hij. Zag hij mij vervolgd?
De laatste maanden waren aan gebeurtenissen zó rijk, dat ik bijna of in het geheel niet meer aan die betekenisvolle woorden dacht. Doch nu blijven ze mij steeds voor de aandacht.
O, als het in waarheid een profetie geweest is, als ik vervolging en pijn moet ondergaan om de Naam van Jezus Christus, dat ik dan getrouw mag zijn! Bewaar mij voor de daad van Petrus, mijn God. Eer ik U verloochene, zo verloochene … stil, geen eed! Mijn “Ja” uitgesproken, toen ik het doopsel uit Meynardts handen ontving, blijve “Ja”!
U, Heere, regeert mij. En ik zal geen kwaad vrezen, want U bent met mij!

——————

20 juli.

Hedenmorgen ontving ik wederom een brief van pastoor Moutla. Terstond begreep ik, dat deze een ernstige boodschap moest inhouden, daar hij zo kort geleden nog maar schreef.
Wat ik las, ontzette en verschrikte mij meer dan ik zeggen kan. Over David Joris, schrijft de pastoor, zijn hem zeer boze geruchten ter ore gekomen.
Neen, het kan niet waar zijn! Het zijn niet anders dan lasteringen, welke men tegen deze knecht van de Heere uitbraakt. En dat pastoor Merula, anders zo voorzichtig in het uitspreken van zijn mening, daaraan geloof hecht!
Wat men dan David ten laste legt? Dat hij zich voor een Messias begint uit te geven. Hij beweert, zegt men, dat er naar Gods Drie-enigheid ook drie personen moeten zijn, die David heten. De eerste David is Israëls Koning, de tweede David is de Heere Christus en de derde David is David Joris, op wie de Geest van de Heeren rust en die de Goliath van heden zal overwinnen. Ieder, die deze derde David lastert, zondigt tegen de Heiligen Geest. Maar die zijn leer gelooft en aanneemt, zal zalig worden.
Laster, laster, laster!
Neen, David Joris kan onmogelijk zo’n getuigenis van zichzelf afgeven. Hij is een geheiligde van de Heere en daarom spuwt de hel ook tegen hem al haar gif uit.
Het is niet waar ook, al het andere, waarvan men hem beschuldigt.
Dat Jan Beukelszoon in de zonde van het vlees is gevallen, heeft aan de goede zaak veel afbreuk gedaan. En nu wil men de invloed van David Joris tegengaan, door van hem te beweren, dat ook hij onderricht; het huwelijk is vrij en niemand is aan één vrouw gebonden.
Arme David Joris! Wèl ook vervolgt men u. Is het, dat men uw leden niet op de pijnbank uitrekt, veel gruwzamer leed berokkent men u, door liegende alle kwaad van u te spreken.
O, was ik maar in Holland! Ik zou al die kwaadsprekers de mond snoeren! Ik zou luid mijn overtuiging uitspreken, dat u tot een groot en edel werk geroepen bent!

——————

25 juli.

Mijn besluit staat vast: ik ga naar Holland terug. Ik wil met David Joris spreken en hem zeggen, dat ik aan zijn zijde sta. Waar de vijand hem belaagt en er op uit is, in David de gelovigen te treffen, daar mag ik en kan ik niet langer hier blijven.
Ik heb het daar straks tegen de Laird gezegd, wat mijn plan was. Deze ried mij aan, eerst eens met John Knox hierover te spreken. Doch ik weet niet, wanneer Knox weer hier komt. Trouwens, hij kent Merula noch David. Zijn mening kan dus niet beslissend zijn.
Als Arend nog leefde, dan — ik ben er zeker van dat ook hij niet zou aarzelen. Even vurig verlangen als mij, om David bij te staan tegen die gruwelijke smaad, zou hem naar Holland heen drijven.
Niet zonder smart zal de scheiding zijn van de plek, waar ik zulk een ongestoord huwelijksgeluk mocht smaken; waar het grootste voorrecht, dat een vrouw ten deel kan vallen, mij door de geboorte van mijn Esaias geword; waar tenslotte mijn lieve Arend, na de laatste strijd volstreden te hebben, heenging tot de Vader. Toch zal ik gaan. Mijn leven is een aaneenschakeling van rampen en beproevingen. Maar die alle komen mij toe van mijn getrouwe God, Die langs diepe sporen van moeite en kruis mij veilig geleidt.
Al is mijn levenspad vol met doornen, de scherpste prikkels zullen mij niet verwonden, want ik ga de weg van de Heere.

——————

2 augustus.

Wederom een nieuwe tegenspoed! Mijn Esaias is ziek geworden. De dorpelingen zeggen, dat de ziekte niet gevaarlijk is, maar ik kan een grote ongerustheid niet van mij afzetten. Als ik nu ook nog mijn kleine jongen moest missen!
Ik moet nu mijn vertrek naar Holland uitstellen. Ik had gehoopt, de volgende week te kunnen gaan. Maar nu moet ik zolang wachten, tot mijn kind geheel hersteld is.
Al verlang ik, nu ik tot terugkeer besloten ben, zeer sterk, om de vrienden van vroeger weer te zien, ik wil geduldig zijn en wachten op de tijd van de Heere.
Heere, hergeef mijn Esaias de gezondheid en behoed uw kinderen, dat zij niet onder de grote verdrukking bezwijken.

——————

5 december.

Morgen ga ik dan eindelijk Gifford verlaten. Esaias is geheel weer hersteld en nu staat niets mijn heengaan meer in de weg.
John Knox heeft mij ernstig ontraden, in deze tijden naar Holland terug te keren. Zo hevig is daar de vervolgings-woede tegen de Herdoopten, zegt hij, dat men zelfs op hun hoofden een prijs heeft gesteld.
Tòch, ik ga.
Bloeddorst moge met geldgierigheid samenspannen; hel en duivel, priester en overheid mogen woeden tegen de geheiligden van de Heere — niets kan mij doen terugschrikken. Ik weet immers, dat zonder de wil van de Vader mij geen haar van mijn hoofd gekrenkt worden zal …
Ik berg nu mijn dagboek op. Later, wanneer mijn Esaias een jongeling en man zal geworden zijn, moge hij deze bladen lezen. En, mijn zoon, bedenk dan, dat uw vader en moeder de smaadheid van Christus groter gewin hebben geacht, dan de schatten van Egypte; dat uw vader is gestorven in het geloof, hetwelk ook het geloof van uw moeder is, dat de mens om niet gerechtvaardigd wordt door de verdienste van de Heere Jezus Christus. En nu, Heere, beveel ik U mij en mijn kind aan. Ontferm U over Uw dienstmaagd, die op U vertrouwt.

* * *

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW