3 weken geleden

Anneke Jansz – Historisch verhaal (12)

HOOFDSTUK VI (vervolg)

Tot de vlucht besloten

 

Het was na de regennacht een voor november zeer heldere en mooie dag geworden. Een vrolijk zonnelicht speelde over de graslanden aan zijn linker- en over de brede, golvende rivier aan zijn rechterhand. En in de verte rees plechtig en statig de massieve toren der Brielse kerk omhoog, dat machtige bouwwerk, waarop heel Brielle zo trots was.
Maar Maerten had geen oog voor het schone herfsttafereel. Met zo haastige stap voortgaande, als de nog altijd zuigende kleibodem van de hoge Zwartewaalse dijk hem veroorloofde, dacht hij aan niets anders dan aan de nieuwe taak, die hem was opgelegd: aan de voorbereiding voor de vlucht van Meester Jansz en zijn vrouw.
Van Heenvliet naar Brielle was het in gewone omstandigheden een anderhalf uur gaans. Nu zou de weg licht een half uur tijds meer van hem vorderen, een vertraging, die hem al zeer onwelkom was. Want hoe eerder hij met de bedreigden uit de Capoenstraat sprak, zoveel te eerder ook zou hij weten, of zij al dan niet tot de vlucht genegen waren. Het was de vrees, dat zij weigeren zouden heen te gaan, die hem beangstigde. Na de schrikwekkende aankondiging van pastoor Merula, dat er een zeer scherp plakkaat tegen de Wederdopers zou worden uitgevaardigd, was hij even sterk als hen overtuigd, dat ze niet langer, dan strikt noodzakelijk was, in Brielle mochten vertoeven. Ja, al pijnigde ook het leedgevoel in zijn hart, dat hij misschien voor altijd straks van de Meester zou moeten scheiden; al beklemde hem ook de vrees, dat zijn vereerde vriend naar het vreemde land zou gaan, om er de vroegtijdige dood van een teringzieke te sterven — beter dát, dan dat men hem hier naar de gevangenis sleepte en in de verschrikkelijke folterkamer aan meedogenloze pijnigers overleverde.

Ja, de Meester en zijn Anneke móesten vluchten. Hij zelf zou niet rusten, voor ze daarin bewilligd hadden. En dan, als de zoon van Meester Adriaen het door pastoor Merula toegezegde bericht bracht, dat het schip voor de Maasmond wachtte, zou hij hun de laatste dienst bewijzen: met zijn veerboot zou hij hen op de veilige bodem brengen.
En dan? Dan zou hij terugkeren naar Brielle en er weer van de morgen tot de avond zijn diensten als veerman aan de overtrekkenden bewijzen. Maar Brielle zonder de Meester zou voor hem als dood zijn. Wat had hij met die stad te doen, die zijn edelste burgers overgaf aan laster en smaad, aan vijandschap en vervolging? O, als zijn moeder hem niet bond aan die plaats, geen ogenblik langer zou hij er verblijven. Ja, dan trok hij mee naar Engeland. Dan zou geen macht ter wereld in staat zijn, hem van de verdrevenen te scheiden. Eén zou hij dan zijn met dat gezin.
Eén met hen? Was dat wel mogelijk? Scheidde hen niet een diepe kloof? Zij toch waren Wederdopers en hij was Rooms! Eén met hen? Maar dan zou hij tot hen moeten overkomen, want nooit, neen nóóit, zouden de Meester en zijn vrouw hun geloof verzaken! Maar als zelfs de pastoor van Heenvliet in de Kerk dwalingen zag; als zelfs deze het afkeurde, dat men de heiligen aanriep, zou het dan verkeerd van hem zijn, zo ook hij zich aansloot bij de Meester, bij de Hervormingsgezinden, en zich afkeerde van de Kerk?
Aan het einde van deze overdenkingen stond Maerten eensklaps midden op de hoge dijk, stil.
Als ook hij rechtstreeks tot God mocht bidden, waarom zou hij het dan niet dadelijk doen?

En zie, daar ontblootte hij zijn hoofd en, zijn oog opwaarts naar de hemel richtend, bad hij. Niet de moedermaagd riep hij aan en niet de heilige, tot wie hij tot dusver gebeden had, maar tot God verhief zich zijn ziel. Hij bad, gelijk hij het gisterenavond de Wederdoper Meynardt, gelijk hij het straks voor zijn vertrek de pastoor Merula had horen doen:
“O, God, red de Meester. En wilt U mij leren, wat ik doen moet. Om Jezus’ wil.”
Een wondere ontroering maakte zich na dit gebed van de veerman meester. Een tot op dit ogenblik onbekende kracht kwam over hem, die hem zich sterk deed voelen tegen boze invloeden van binnen en van buiten. En een gevoel van vrede daalde neer in zijn ziel, nu hij de gebenedijde naam van Jezus op de lippen had genomen en op deze Machtige zich verliet. Zijn blik was verruimd. Hij zag, wat tot dusver verborgen voor hem was geweest, wat de Kerk voor hem door een dienst van enkel ceremoniën had omsluierd: Jezus en Die alléén kon helpen. Geen mens, geen priester, geen engel, geen heilige, geen moedermaagd kon de hemel ontsluiten en de zonden vergeven. Hij was het, Jezus, Die alléén dit vermocht. En zou Hij, Die de Hemel verliet en een leven van lijden aanvaardde en de dood van een kruiseling onderging, niet willen horen naar de stem van een bidder? Was daarvoor tussenkomst en voorspraak van de heiligen nodig? Wie was voor zondaren gestorven? De Maagd Maria? Neen, Jezus stierf en het was alleen Zijn bloed, dat reinigde van zonden.

Maerten Willems stond nog immer op dezelfde plek, de ruige muts nog steeds in de handen. Hij voelde niet, dat de wind met zijn haren speelde en dat steeds vaster de kleigrond om zijn voeten heen sloot. Hij was in aanbidding verzonken. Zijn ziel smaakte voor het eerst die zoete gemeenschap met zijn God en Zaligmaker, die de zinnen verrukt en de tranen over zelfs de meest verweerde wangen doet rollen.
Hij merkte ook niet, dat door de landen van de Nieuwlandse Polder een man naderde en, met behulp van een polsstok over de slootjes springende, recht op hem afkwam.
Eerst toen de man, nu dichtbij gekomen, zijn naam noemde, schrok hij op. Hij herkende de zoon van de Brielse smid, dezelfde, die voor enkele uren de vlucht van de Wederdopers naar Heenvliet had geleid. Nog één flinke sprong over de brede sloot, die langs de dijk liep en de moedige zoon van de even moedige vader stond voor hem.

“Jan!” — riep Maerten op een toon, die te kennen gaf, dat deze onverwachte ontmoeting hem verwonderde.
“Ja, ik ben het!” — gaf deze ten antwoord, en toen hij de veerman enkele vergeefse pogingen zag aanwenden, om zich van de zuigende klei te bevrijden, ging hij lachend voort: “‘k Zal u wel even komen helpen. O, bent u reeds klaar? Des te beter! U dacht zeker, dat u hier evenals op de rivier vrij dromen hebt? Man, man, wat een zware gedachten moet u gehad hebben, om zo lang op één plek te blijven!”
“Zo lang is ’t niet geweest,” — wilde Maerten tegenwerpen, toen ze nu tezamen langs de dijk op Brielle afgingen.
Doch Jan Adriaensz sprak dit luid tegen.
“‘k Was nog geen half uur buiten Heenvilet, of ik zag u al staan.”
“Bent u naar Heenvliet geweest’)” vroeg Maerich haastig.
“Ik kom er heel dikwijls. En mij dunkt, van nu af aan zult u ook wel eens vaker het uitstapje van vanmorgen ondernemen.”
De veerman antwoordde niet en enige tijd heerste er tussen het tweetal een beklemmende stilte.
De smidszoon maakte hier een einde aan.
“Hoor eens, Maarten,” — zei hij, — “wij zullen maar geen verstoppertje spelen. Trouwens, we zijn ook geen kinderen meer. U hoeft voor mij niet te verbergen, dat u vanmorgen pastoor Merula hebt bezocht en dat u samen met hem en de twee leraars een plan hebt besproken, om Meester Jansz en zijn vrouw voorgoed buiten het bereik van hun vijanden te brengen.”
“U weet dus …?”
“Dat Anneke en de Meester naar Engeland moeten vluchten? Ja. En waarom zou ik dit niet weten? Ik ken pastoor Merula al sinds lang en kom dikwijls bij hem. De pastoor vertrouwt mij ten volle …”
“Dan bent u het, die hem de geschriften brengt, die de Kerk verboden geschriften noemt,” — zei Maerten eensklaps.
“Dat is zo,” — was het rustige antwoord. — “Pastoor Merula zal het u hebben gezegd, of u hebt het uit zijn woorden kunnen opmaken. Het doet er niet toe. Ik vraag niet, hoe u dat weet. De pastoor vertrouwt u ook en waarom zou ik er dan een geheim van maken, dat ik hem alles breng, wat op de voortgang der nieuwe leer betrekking heeft.”
“Maar u brengt u zelf en die goede pastoor in gevaar.”
“O, ho! Voor mij geen nood. Heel Brielle weet, dat het Brielse land voor mij is en dat ik met mijn koopwaar al de omliggende eilanden bezoek. Wie heeft nu een boos vermoeden, als ik ook te Heenvliet kom? En gevaar voor de pastoor? U begrijpt wel, dat hij voorzichtig is en …”
“Ja, voorzichtig is hij,” — beaamde Maerten. — “En wijs daarenboven. Ik begrijp nog niet, hoe spoedig hij de plannen voor de vlucht van de Meester gereed had. En niets ontbrak er aan. Alles had hij voorzien.”
“Dacht u, dat pastoor Merula niet terstond vannacht, toen ik Meynardt en David Joris bij hem bracht, heeft ingezien, dat het tot die vlucht komen moest? Te meer, nu dat nieuwe plakkaat komende is. Er zullen zelfs heel wat Wederdopers de wijk gaan nemen.”
“O, het is afschuwelijk, dat plakkaat.”
Jan Adriaensz stond verwonderd stil.
“Meent u dat?” — vroeg hij.
Nu toonde de veerman zich verwonderd. “Ik meen altijd, wat ik zeg,” — gaf hij, ietwat bescheiden.
“Als u dat plakkaat afschuwelijk vindt, waarom blijft u dan naar de mis gaan; waarom …?”
“Wie zegt, dat ik dat voortaan zal blijven doen?” — onderbrak Maerten hem. — “Luister, Jan, ik zal u zeggen, wat er met mij gebeurd is de laatste dagen. Maar laat ons ondertussen voortgaan. Ik heb nog veel met de Meester te bespreken.”

De veerman vertelde uitvoerig, hoe de vriendschap voor Meester Jansz hem tot handelen had gedrongen. Daarna had het misdadig optreden van de dokter en de zijnen, die voor mannen waren in de Kerk, zijn vertrouwen in die Kerk reeds enigermate geschokt. Maar Merula’s daden en woorden hadden hem ten zeerste getroffen en zijn geloof in het goed recht van de Kerk van Rome was nu geheel aan het wankelen gebracht.
“En,” — zo besloot hij zijn verhaal, — “daar straks op de weg heb ik voor het eerst van mijn leven waarachtig tot God gebeden. Ben ik nu een ketter geworden? …”

De levendige zoon van de smid had onder dit verhaal niet, moeite zijn opmerkingen ingehouden. Doch nu kon hij niet langer zwijgen. Met een van overtuiging sprekend gelaat viel hij de veerman in de rede:
“U bent geen ketter. Ketters zijn zij, die onzen Heere Jezus verloochenen en Hem de eer ontnemen, die Hem toekomt. Ketters zijn zij, die een ander Evangelie in de plaats stellen van dat, hetgeen ons de Heiland heeft gegeven. En u bent geen ketter, Maerten Willems, maar u bent een gelovige geworden. U bent nu in waarheid de broeder van de Meester en van zijn Anneke, van mijn vader en van mij, van pastoor Merula en al de anderen, die de Heere Jezus Christus in oprechtheid liefhebben.”
“Pastoor Merula zei uitdrukkelijk, dat hij in de Kerk blijven wil,” — zei Maerten, — “omdat hij de Kerk in de Kerk wil hervormen.”
“Maar het zal hem niet gelukken. Neen,” — riep Jan Adriaensz uit, — “dat is een onmogelijkheid! En let op mijn woorden, Maerten! De tijd zal komen, als God hem liet leven laat, dat pastoor Merula geheel met de Kerk zal breken. En dan …”
“Dan zal men hem naar de gevangenis slepen en hem pijnigen.”
“Ja, indien tenminste aan zijn vijanden voor een poosje macht over hem gegeven wordt. Maar wat dunkt u, zou een man als deze pastoor dan zijn overtuiging prijs geven? Neen! Hij staat pal voor wat hij gelooft, de waarheid te zijn. En even weinig als men Meester Jansz door pijnbank en marteldood zou kunnen verschrikken, even weinig zal ook pastoor Merula eenmaal om zijn leven geven, als hij geroepen mocht worden, om dit voor de zaak des geloofs af te leggen.”

Het noemen van de naam van zijn vriend bracht de veerman weer tot het heden terug, waarin de wraaklust van Savedra het leven en de veiligheid van de Meester bedreigde. Hij sprak met Jan over de door pastoor Merula beraamde plannen, die, volgens de smidszoon, vast wel slagen zouden. Deze bood hem zijn hulp aan bij het voorbereiden der vlucht, hetgeen Maerten, die niet zonder reden in zijn metgezel een grote mate van behendigheid en moed veronderstelde, graag aannam.
De twee mannen waren thans de veste genaderd. Jan wees Maerten in de nabijheid van de Kaaipoort zijn huis.
“Zie,” — zei hij, — “het was zo gemakkelijk mogelijk gisteravond. Ik behoefde alleen maar een touwladder over de muur te werpen. De Goote is niet zo heel wijd. Met een paar ferme polsstokken en een paar stevige planken doet men veel. ’t Ging alles zonder tegenslag. Alleen David Joris was wat al te haastig en daardoor viel die in het water, de arme man. Gelukkig, het koude bad heeft hem geen kwaad gedaan, ver-zekerde hij mij straks.”
Maerten, die zich weer Davids strijdlust herinnerde, maakte even de opmerking, dat de Delftenaar inderdaad zo nu en dan wel eens een koud bad nodig had. Jan Adriaensz, die de heftigen Wederdoper niet zo had leren kennen als Maerten het in de elkander kort opeenvolgende ontmoetingen had kunnen doen, vroeg, wat hij hiermee bedoelde. Doch daar ze nu tot voor de Kaaipoort gekomen waren, stelde Maerten zijn antwoord tot later uit. Met een handdruk namen de twee mannen, die nu vrienden geworden waren, van elkander afscheid.

Maerten Willems spoedde zich naar de Kapoenstraat, om er de Meester en zijn vrouw zijn bevindingen mee te delen en vond hen beiden in de achterkamer, waar gisterenavond de doopplechtigheid had plaats gehad.
“We wachten reeds met ongeduld op u, Maerten,” — zei Anneke. — “Zijn onze vrienden in goede welstand to Heenvliet aangekomen?”
“Dat zijn ze,” — was ’t antwoord. — “Behalve dat, naar ik voor enkele ogenblikken van Jan Adriaensz hoorde, David Joris in het water is gevallen. Stel u gerust, hij heeft er niets door geleden. Ik heb hem te Heenvliet eerst met Meynardt en daarna met pastoor Merula in woordenwisseling gezien en hij was daarbij even vurig als gewoonlijk.”
De Meester en Anneke slaakten een zucht van verlichting, nu ze de zekerheid hadden, dat de vervolgde broeders een goed toevluchtsoord gevonden hadden. Ze dankten Maerten, dat hij zich om hunnentwille zoveel tijd en opoffering had getroost.
“Ik had eigenlijk zelf naar Heenvliet moeten gaan,” — zei Arend Jansz met matte stem en nu eerst viel het de veerman op, hoe vermoeid de Meester er uitzag. Erger nog: hij was ziek, zeer ziek op dit ogenblik.
“En ik ben blij, dat Maerten het heeft willen doen,” — zei Anneke. — “De gebeurtenissen van de laatste dagen hebben u te veel aangegrepen en in uw overspannen toestand zou de tocht naar Heenvliet u te machtig zijn geweest.”
“Dat geloof ik ook, Meester,” — sprak Maerten, die uit Anneke’s woorden meende op te maken, dat ook zij met zijn toestand bekend was. — “Het was vooral vanmorgen geen vrolijke wandeling in die regen. Zelden heb ik op een weg gelopen, die zo vuil was en daardoor zo moeilijk te begaan, als die dijk. Soms vreesde ik, dat ik mijn voet niet meer omhoog zou kunnen trekken.”

Anneke Jansz liet een vrolijke lach horen.
“U vaart zeker liever tienmaal in storm en regen naar Maaslandsluis, dan dat u éénmaal de tocht naar Heenvliet onderrneemt, niet waar, Maerten?”
“Het eerste zou mij althans met al zijn bezwaren minder moeite kosten dan het tweede,” — was het antwoord. — “Doch als u of de Meester mij weer naar Heenvliet wilt zenden, ben ik daartoe bereid.”
“Ik dank u Maerten,” — zei Arend Jansz. — “Ik weet wel, dat u ons goed gezind bent.”

“Het is u zeker in Heenvliet wel goed bevallen, dat u er weer naar toe zou willen,” — merkte Anneke op, terwijl ze een blik van verstandhouding met haar man wisselde.
“Ja, Maerten, zeg ons, hoe oordeelt u over pastoor Merula?” — vroeg de Meester.
“Pastoor Merula!” — antwoordde Maerten met vuur. — “Als ik ooit in mijn leven een edel mens ontmoet heb, dan is hij het. Hij is nederig en zachtmoedig, geleerd en toch niet hovaardig, rijk en toch meelevend met de armen. En daarenboven, Meester, is hij een man, die wel als priester in de Roomse Kerk optreedt, doch geheel en al het bedrijf van mannen als Savedra en de dokter veroordeelt. Dat komt misschien, omdat …” Maerten aarzelde een ogenblik, vóór hij verder ging …, “omdat hij de geschriften van de Hervormers gelezen heeft en in heel veel zaken evenzo denkt, als zij dit doen … Wist u dat?”
“Ja, dat wisten we,” — zei Arend Jansz. — “Pastoor Merula staat op dit ogenblik reeds de Hervorming nader dan hij misschien zelf wel weet. En ik ben vast overtuigd, dat hij te eniger tijd onze zijde zal kiezen, al denkt hij over de doop niet gelijk wij dit op grond van de Heilige Schrift doen.”
“Datzelfde heeft Jan Adriaensz mij ook gezegd!” — riep Maerten verrast uit.
“Ja, zo denken er meer onder ons, die Engel Willems van Merle kennen. En het is onze gedurige bede, dat God meer en meer zijn ogen moge openen voor de dwaalleer, opdat hij met zijn rijke gaven zich eenmaal geve voor de verkondiging van de zuivere leer,” — sprak Anneke op ernstige toon.
“Amen!” — zei de Meester daarop. — “God zal dit doen geschieden, als het Zijn tijd is.”

Enige ogenblikken van eerbiedige stilte volgden er op deze woorden. Toen verzocht Anneke de veerman, een getrouw verslag te geven van zijn bevinding. Wat zeiden Meynardt en David Joris? vroeg ze. En hoe was het oordeel van pastoor Merula over de toestand?
Daar was nu het moeilijke ogenblik, dat Maerten hun moest meedelen, dat een langer verblijf in Brielle en in Holland voor hen niet raadzaam was! Hij wist het: van de keuze van zijn woorden hing het voor een groot deel af, of hij in het volvoeren van de hem opgedragen zending slagen zou. En even brak weer de zelfzuchtige wens door, dat ze zouden weigeren te vluchten, opdat hij van de Meester niet zou behoeven afscheid te nemen, hetwelk dan een afscheid voor immer zou zijn. Doch toen ook weer kwam hem de bijna, stellige zekerheid van vervolging, gevangenschap en dood voor ogen. En dat mocht niet! Savedra mocht zich niet wegens zijn mislukte aanslag op hen wreken. Hans en de dokter en Machteld mochten niet juichen, als zich de kerkerdeuren achter hen sloten en straks voor de een de brandstapel ontstoken en voor de andere het graf gedolven zou worden.

Maertens aarzeling, om aan haar verzoek te voldoen, ontging Anneke niet. En met een onwillekeurige beweging, als vóórvoelde ze, dat achter zijn zwijgen een betekenisvolle oorzaak lag, bracht ze de hand aan het hoofd, om die gedachte te verdrijven.
“Ik zal u zeggen,” — zei Maerten, eindelijk sprekend, maar de Meester noch Anneke aan durfde te kijken, — “wat door de drie vrienden te Heenvliet besproken is. Misschien verzet u zich; misschien oordeelt u het niet nodig te doen, wat zij wenselijk achten. Ik heb er mij ook eerst tegen verzet, maar ik ben geëindigd met te erkennen, dat hun raad moet worden opgevolgd … Pastoor Merula heeft de zekerheid gekregen, dat er een zeer scherp plakkaat tegen de Wederdopers zal worden uitgevaardigd. Wie iemand herdoopt heeft, zal verbrand worden. Hetzelfde zal geschieden met hen, die de naam van profeten, apostelen of bisschoppen gedragen hebben. En zij, die herdoopt zijn, of die een Wederdoper geherbergd hebben, zullen, wanneer ze niet berouw tonen, met het zwaard gestraft en de vrouwen zullen levend in een put bedolven worden …”

Een snijdend scherpe kreet onderbrak Maertens woorden. Verschrikt sprong hij op en keek naar de Meester, die hijgend achterover in zijn stoel lag neergezonken. Op zijn gelaat, dat als met een doodskleur overtogen was, parelden grote zweetdruppels. Wijd opengesperd hield hij zijn ogen en krampachtig sloeg hij de armen uit, als wilde hij zich tegen een wrede, onzichtbare vijand verweren.
Anneke was eveneens opgesprongen. Ze snelde op haar man af en nam hem in haar armen.
“Wa-ter!” — bracht deze eindelijk met moeite uit.

Maerten bracht snel het verlangde. Gretig, met grote teugen dronk de Meester het glas uit. Toen Anneke hem het voorhoofd en de slapen en de polsen gewassen had, slaakte hij een diepe zucht.
“Een kleine flauwte,” — trachtte hij met een zwak glimlachje zijn Anneke gerust te stellen. — “Maar ’t is al weer voorbij. Ik schrok, lieve schat, toen Maerten vertelde, dat de vrouwen levend begraven zouden worden.”
“Ik schrok daarvan in ’t geheel niet,” — was haar antwoord. — “Ik heb gisterenavond mijn geloof beleden en ik zal dat doen tegenover wie ook. Weet u het nog, Arend, wat wij gelezen hebben, de eerste avond in dit huis? En al wandelde ic al int midden der scaduwe der doot, ick en sal geen quaet vreesen, want ghi zijt met mi. Wat kunnen ons dan de mensen voor kwaad doen, als God met ons is?”
“U bent een heldin, Anneke,” — fluisterde Arend Jansz en als beschaamd over eigen zwakheid sloeg hij de ogen neer.
“Neen,” — weerde zij af. — “Noem mij zo niet. Ik ben maar een zwakke vrouw. Maar weet u, wat mij in dit ogenblik zo bemoedigt? Waarom ik in het geheel niet verschrikt ben? … Ik heb gisterenavond toch niet voor niets de doop ontvangen? Zei Meynardt het niet en grondde zich zijn woord niet op Gods eigen Woord, dat wij nu gewassen waren van zonde en ongerechtigheid? Als begroef men mij onder bergen van zand, dan toch zou ik niet meer vuil worden! … En u ook niet, Arend! U zult nu ook alleen de wil van de Vader, van de Zoons en van de Heilige Geest gehoorzaam zijn, niet waar?”
“Ja,” — antwoordde hij, terwijl hij weer met de oude klonk.  moedige vastberadenheid zijn oog opsloeg. — “Ja, dat zal ik! God en het Lam, dat mij heeft vrijgekocht, ter ere!”

Hand in hand zaten nu beiden en in hun ogen glansde een heilige geestdrift. Als de vervolger in deze ogenblik hun woning binnengedrongen was, zouden zij met een glimlach hem tegemoet zijn getreden en juichend hebben uitgeroepen: “Hier zijn wij. Neem ons, u zoekt een man en een vrouw, die herdoopt zijn? Dat zijn wij! Voer ons mee. Leg ons op de pijnbank — we zullen Psalmen zingen. Straf ons met het zwaard, begraaf ons in de aarde — onze laatste ademtocht op aarde zal zich verenigen met onze eerste in de hemel tot een danktoon, dat wij waardig geacht werden, voor Zijn Naam te lijden! …

Maerten zat, de handen voor de ogen geslagen, onder zware zelfbeschuldigingen ter neer.
Dat zijn Meester door die onmacht getroffen werd, was zijn schuld: hij had zich slecht van de hem toevertrouwde taak gekweten en op ondoorzichtige wijze die zieke man met de afschuwelijke voornemens van de Inquisitie in kennis gesteld. En zie, nu was de mogelijkheid, dat de Meester en zijn vrouw naar de raad van hun vrienden zouden horen, verder dan ooit verwijderd. Ja, nu zouden ze komen, die Savedra en zijn handlangers, en ze zouden deze zieke man pijnigen en deze vrouw folteren …
Nog één poging wilde hij wagen. Hij tastte in de zak en haalde er de brief uit, die pastoor Merula hem had meegegeven en reikte hem de Meester aan.
“Lees die,” — verzocht hij. — “Pastoor Merula gaf hem mij voor u.”

Arend Jansz gaf zijn vrouw de brief. “Leest u hem voor mij,” — vroeg hij. Luid las zij daarop, wat Merula in fijn, regelmatig schrift had geschreven:
“Maerten zal u reeds hebben gezegd, wat wij u aanbevelen. Volg onze raad op. Het is tot uw eigen bestwil. Ik ben verheugd, dat ik mogelijke bezwaren uit de weg kan ruimen. De huizen, die Anneke mocht bezitten, koop ik van haar. En mijn oude vrienden zal ik schrijven, dat zij moeten kopen, wat u niet mee kunt nemen. Verder deelt Maerten u al het andere wel mee. Ook van de tijd, waarop het schip voor de Maas zal komen, zult u door hem of door een ander van uw vrienden bericht ontvangen …”
“Is dat alles?” — vroeg Meester Jansz.
”Neen, hij ondertekend nog met: “uw broeder Engel Willemsz van Merle”. Hij wil daarmee vast zeggen, dat hij niet als Rooms priester maar als een broeder in Christus ons deze raad geeft en zijn hulp aanbiedt … Wat zullen wij hem antwoorden, Arend?”
“Maerten zal hem het antwoord wel willen brengen, dat hij daar straks uit ons beider mond heeft gehoord,” — zei Arend Jansz vastberaden.
”Maar dat zal uw dood zijn, Meester, en die van uw vrouw!”
“Wat God over ons besloten heeft, willen wij niet ontlopen, Maerten. Geloof mij, mijn vriend, uw vriendschap is mij, is ons een verkwikking. Zo ik een broeder had, hij zou met niet groter liefde op ons behoud bedacht kunnen zijn, dan u. Ik dank er God voor, dat hij ons in u zulk een vriend geschonken heeft. Mocht de ure komen, dat men mij zal willen pijnigen, dan zal de genade van de Heere mij sterken en uw vriendschap mij tot een troost zijn, dat niet allen uit de oude dwalende Kerk hun zielen in vijandschap tegen Gods kinderen hebben verstrikt. En ik zal mijn hemelse Vader bidden, dat Hij ook eenmaal u opening van de ogen geve, opdat u de volmaakte heerlijkheid van onze lieven Zaligmaker mag zien …”

“O, Meester!” — bracht de veerman uit met een snik. — “De ogen zijn mij al geopend. Ik heb tot God gebeden en Hij heeft mij een vreugde doen smaken, die heerlijk was …”
“Maerten, Maerten! Vertel, wanneer dat gebeurd is en waar!” zei Arend Jansz bijna bevelend. En hij verrees uit zijn stoel en plaatste zich naast Maerten. En toen hij uit Maertens mond diens bevinding op de weg had vernomen, stroomden de tranen hem over de wangen. Ja, de ontroering van blijdschap werd zo overweldigend over hem, dat hij bijna wankelde.
“O, Heerel Ik dank U, dat U het wonder van Uw genade aan hèm hebt gewerkt!’’ dankte hij met bevende lippen.
“Maarten, broeder, de Heere heeft u ziende gemaakt,” — zei nu Anneke op plechtige toon. — “En Hij make u ijverig in Zijn dienst. Hij zal voleinden, wat Hij in u begonnen is …”

Een hevig hoesten van haar man onderbrak deze woorden.
Zo geweldig was de aanval, dat Maarten en Anneke zich genoodzaakt zagen, hem tussen zich in naar zijn stoel te voeren. Met medelijden zagen ze het, hoe grote benauwdheid hem overvallen was. En veel pijn moest daarbinnen woelen, want stijf drukte hij de handen tegen de borst.
Gelukkig, de benauwdheid verminderde, de aanval scheen voorbij.

Toen gebeurde het!

Met een haastige beweging haalde de Meester een doek uit zijn zak en duwde die tegen de mond, om een golf bloed op te vangen … Een dodelijke bleekheid trok even over zijn gelaat. Toen ademde hij weer vrijer.
Anneke had het gezien. Haar handen klemden zich steunzoekende aan de tafel, haar borst ging hijgend op en neer … maar ze zei geen enkel woord.
Wat ging er in dit bange ogenblik in haar om? Zag ze weer een sterfbed? Voorzag ze, dat dit het begin was van een lange worsteling om het zoete leven, van een langzaam uitdovende levenslamp?
“Bent u geschrokken, mijn Anneke?” — vroeg Arend Jansz, en in zijn stem was geen spoor meer van de daareven geleden benauwdheid te herkennen.
Anneke antwoordde op deze vraag niet.
“U bent vermoeid, Arend,” — zei ze. — “U hebt gisteren en vandaag te veel doorleefd. Ga nu rusten … Maerten, ik kom zo dadelijk bij u terug. Wacht u nog even?”

En toen voerde ze de zieke met zachten drang naar het slaap vertrek …
Bij haar terugkeer in de kamer, waar Maerten was blijven wachten, lag er een vreemde strakheid op haar gezicht.
“Maerten,” — begon ze, — “wist u, dat mijn Arend ziek was?”
De veerman boog zonder te spreken het hoofd.
“Waarom hebt u mij dat niet gezegd? Dan had ik kunnen zorgen, dat hij zich niet vermoeide.”
“Vergeving!” — bad Maerten. — “Ik durfde u niet te zeggen, wat ik vreesde.”
“Wàt vreesde u dan?”
“Dat hij dezelfde ziekte heeft als die, waaraan mijn enige zuster Weyntgen is heengegaan!” — antwoordde Maerten toon-loos.
“De tering?” — vroeg Anneke verder en in haar stem trilde de smart, maar haar gelaat bleef even strak en onbewogen.
“Ja,” — fluisterde Maerten.
“Zeg dan aan pastoor Merula, dat wij naar Engeland zullen gaan. Dat wij zo spoedig zullen gaan, als maar enigszins mogelijk is. En graag neem ik zijn aanbod aan, om te kopen en te doen verkopen, wat ik bezit …”

Weinige ogenblikken later sloot Anneke de deur achter de veerman. Maar toen ze weer in de kamer terugkeerde, kwam de smart onweerstaanbaar bezit nemen over deze vrouw, die in het dierbaarste, wat zij bezat, getroffen werd.
“O, Heere!” — snikte ze, — “ik zou gewillig het offer gebracht hebben, zo hij gezond was geweest en sterk. Maar zouden ze nu dit arme lichaam martelen? … Ik vrees de dood niet. Maar nu U hem deze ziekte toezendt, nú is het toch Uw wil, dat ik zal blijven leven, tot U hem bij U roept? … Het is niet de vervolger, die zijn leven vraagt. U vraagt het en U hebt er het recht toe, want U hebt hem geformeerd. U behoort zijn leven. Neemt U het dan, Heere …”

* * *

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW