3 maanden geleden

Anneke Jansz – Historisch verhaal … (1)

Dit verhaal gaat over de eerste tijd van de Hervorming en is geschreven door M. Van der Staal – Tweede druk. In deze corona-tijd hebt u mogelijk meer de tijd om eens rustig te lezen. Daarom … ga ervoor zitten en verplaats u eens in gedachten met behulp van Anneke Jansz naar enkele eeuwen terug … Misschien kunnen we ook nog iets leren – of afleren – van de gelovigen uit die tijd … Haar verhaal zal in de komende tijd DV in gedeelten worden gepubliceerd. {Frisse Wateren}

I

Voorwoord

 

Bij de tweede druk van Anneke Jansz een enkel woord. Dankbaar ben ik, voor de goede ontvangst, die aan dit historisch verhaal ten deel mocht vallen, terwijl ik er mij over verheug, dat men in deze tijd van wereldberoering in onze streken nog lust en gelegenheid heeft, om zich te verdiepen in de daden van God, die zo kennelijk in onze landsgeschiedenis, zichtbaar zijn geworden.
Mocht ik bij de eerste druk in een “Aanhangsel” en “Aantekeningen” – ook ditmaal achter het verhaal opgenomen -enkele bronnen aanwijzen, waaruit ik heb geput, ik meen goed te doen met voor hen, die onze vaderlandse kerkgeschiedenis bestuderen, ook te noemen: “Bibliotheca Reformatoria Neerlandica”, deel II, Het offer des Heeren; “Levensbeschrijving van David Joris”, door ds. A.M. Cramer (in: het “Archief voor Kerkelijke Geschiedenis”); “Beknopte Geschiedenis van de Hervorming en van de Hervormer in Schotland, Johannes Knox” (No. 15 van Dr. G.H. Schubert’s Kleine Schriften enz.). Wie deze bronnen naslaat, zal zijn kennis van het geestelijk leven van onze voorouders in de aanvang van de 16e eeuw bijzonder kunnen verrijken.

Ik acht het voorts mijn plicht, mijn dank uit te spreken aan de heren Joh. H. Been, gemeente-archivaris van Brielle, en Dr. J.R. Callenbach, predikant te Rotterdam, voor hun inlichtingen en opmerkingen, die ik voor en na mocht ontvangen.

Ten slotte deel ik mede, dat – behoudens heel enkele uitzonderingen – deze tweede druk gelijk is aan de eerste. Trouwens, al zou de lust daartoe ook bestaan, een verhaal als Anneke Jansz is voor omwerking minder geschikt, omdat wat geschiedenis is, geschiedenis moet blijven.
Ik eindig met de hoop uit te spreken, dat voor velen het leven en de dood van deze zestien-eeuwse geloofsheldin een aansporing moge zijn, om, als zij, alléén te zien, op de grote Koning, van Wie de gebeurtenissen van de laatste jaren ons toeroepen, dat Zijn dag nabij is.

M. VAN DER STAAL

 

* * *

 

HOOFDSTUK 1

Meester Arend Jansz

 

Een hevige storm uit het noord-westen gierde een van de laatste dagen van november van het jaar van onze HEER 1534 over de wijde vlakte, die de stad Brielle scheidde van de Noordzee. Het geweld van de wind was soms zo sterk, dat het leek, alsof de met een toch scherpe knal over de oude stad losbarstende donderslagen, aangekondigd door blauwachtig schitterende bliksemflitsen, er zich met moeite bovenuit konden verheffen. Dan ook kwam een door rukwinden voort gezwiepte hageljacht of een met kracht neergeslagen regenval het geraas vermeerderen, dat met het woeden van de elementen gepaard ging.
De langs de buitenwegen staande jonge boompjes werden  wild  heen en weer geslingerd. Van de oude stammen, die niet hadden willen buigen, lagen er reeds ontworteld over sloten en wegen, terwijl er andere als broze rietstaven door midden waren gebroken. En al heviger werden de huilende windstoten, alsof ze in een steeds meer oplaaiende hartstocht woeste zegeliederen uitkreten om de behaalde overwinningen. De op enige afstand van de veste anders zo vreedzaam voortstromende rivier, bood nu een aanblik, die zowel schrik aanjoeg als ook ontzag inboezemde. Onweerstaanbaar was de kracht, waarmee de vloedgolf van uit zee kwam opzetten en het afvloeiende Maaswater weer landwaarts stuwde. Hoge golven met grijs-witte koppen vertoonden zich over de gehele breedte en beukten de dijken, die bijna tot aan de kruin wegdoken onder schuim. Niet zelden ook sloeg de top een hoge golf over de waterkering heen, waarna de orkaan er zich meester van maakte en het zilte nat met grote vlokken ver over het land heen sloeg.
Zeker, de Briellenaren, die zich op straat moesten bevinden, prezen zich bij voorbaat gelukkig, als ze eindelijk veilig in de kring van de hunnen zouden zijn teruggekeerd. Tot zelfs de schoutendienaar, anders geen man voor een beetje vervaard, doch nu voor de storm weggescholen onder de poort van het klooster in de nabijheid van de oude kerk, sloeg de schrik om het hart, als vlak voor zijn voeten de bliksem scheen neer te slaan en een knetterende donderslag de grond onder hem deed schudden. En, getrouw zoon van de Kerk die hij was, sloeg hij op zulke ogenblikken een kruis en prevelde hij een gebed om bewaring in dit boze weer.

Toch waagde het iemand, om in dit boze noodweer het veilige dak te verlaten en zich naar buiten te begeven.
Even ten noorden van de stad stond buiten de poort het kleine huisje, waarin de Brielse veerman, Maerten Willems, met zijn oude moeder woonde. Juist toen de orkaan het hevigst woedde, werd de lage deur geopend en een krachtig man, Maerten Willems zelf, ging naar buiten. Hij moest zich schrap zetten, toen de sterke wind vat op hem kreeg. Maar met de zekere stap, die de bevaren bootsman kenmerkte, sloeg hij vastberaden de weg in naar het kleine haventje, waar hij voor een paar uren zijn boot, al lag ze vrijwel beschut onder de hoge havendijk, met touwen van dubbele dikte had vastgelegd.
“Het wordt zwaar werk,” — mompelde hij voor zich heen, toen hij in de boot stapte en de touwen losmaakte, terwijl hij nog even met deskundige blik de voortjagende wolken naoogde en daarna over de schuimende rivier in de verte keek. — “Maar ik heb het de meester beloofd, dat ik vóór de namiddag aan de overkant zou zijn. En voor de Meester doe ik alles. Trouwens, alle heiligen mogen mij straffen, als ik ooit, wat ik beloofd heb, niet nakomen zou.”

De veerman zette zich aan de riemen. Met één slag stiet hij af van de dijk en ging hij, met maar twee roeiriemen tot zijn beschikking, ginds storm en golven trotseren.
Weldra had hij al de kracht van zijn sterke spieren nodig, om de boot door de geweldige storm heen te voeren. Als een paard, dat briesend steigert, wanneer zijn berijder het de sporen in de flanken drukt, zo stak de boot de kop hoog tegen de golven in. Soms zelfs sloeg een golf haar een paar lengten achteruit. Maar de veerman, die als vastgegroeid scheen met zijn vaartuig gaf geen kamp. Hij wilde naar de overkant en hij moest. Want hij had het beloofd. En Maerten kwam er, al had de overtocht hem dan ook wel driemaal zoveel tijd gekost als anders. Hijgend stond hij daar nu, met een vuurrood gelaat van inspanning, maar met een trek van zelfvoldaanheid op zijn mannelijk gelaat, omdat hij overwonnen had.

“Nu hoop ik, dat de Meester spoedig komt,” — zei hij na enige ogenblikken — “want het weer wordt nog bozer en ik heb niet veel trek, om in het donker over de rivier terug te gaan. Maar ziedaar,” — viel hij zichzelf in de rede, — “daar komt hij al aan. Kijk eens, hoe zwaar de man het heeft zo tegen de wind in. Komaan, ik zal hem gaan helpen.”
Met een paar sprongen was de kloeke gast boven op de dijk en ging hij de verwachte tegemoet.

Daar moest wel een zeer bijzondere reden zijn voor Maerten, dat hij zich zoveel moeite en inspanning getroostte voor de Meester, voor Meester Arend Jansz uit de Capoenstraat.

Vorig jaar, zo wat om dezelfde tijd, werd Maertens oude moeder midden in de nacht plotseling zeer ziek. Maerten, die zielsveel van zijn moeder hield en om harentwille het zeeleven zelfs vaarwel had gezegd, ijlde naar de stad. Onmiddellijk opende men er voor hem de poort, zodat hij zich zonder vertraging naar het huis van de dokter begeven kon. Maar deze man, die toch de plicht had altijd klaar te staan, waar het zieken betrof, zei, dat hij de volgende morgen wel eens naar de oude vrouw zou komen zien. “Neen,” — drong Maerten aan en misschien was de toon, waarop hij sprak, tengevolge van de grote angst, die hij om zijn moeder uitstond, wel niet zo gepast, als tegenover zulk een wijs en geleerd heer betaamde. — “Ik wil, dat u dadelijk meekomt, dokter. Mijn moeder ….”.

De dokter wachtte niet tot Maerten uitgesproken was. Ruwweg viel hij hem in de rede, dat de ziekte wel niet veel om het lijf zou hebben en dat hij in ieder geval niet zo laat in het jaar in het holst van de nacht er op uitging en dat dan nog wel buiten de poort. Meteen ging de deur dicht. Maerten Willems, woedend geworden, liet nog herhaalde malen de klopper vallen en riep, dat de dokter moèst meegaan. Maar deze trok er zich niets van aan en liet Maerten razen. Weinig had het gescheeld, of de ongelukkige man was door een nachtwacht wegens verstoring van de nachtrust meegenomen. Maar gelukkig was die wacht een goede kennis van de veerman. Zodra hij had gehoord, wat de oorzaak was van de opgewondenheid van Maerten, of hij ried hem aan om Meester Arend Jansz op te zoeken. Dat was wel slechts een barbier of chirurgijn, doch iemand, die in de laatste dagen bewezen had, haast even kundig als een dokter te zijn.
Dankbaar voor de goede raad, liep Maerten snel naar het huis van de meester.
“Had ik het maar eerder geweten, dat die man zo geleerd is!” — dacht hij onder het voortgaan. — “Maar ik ben nooit ziek en moeder evenmin. En dan denkt men niet aan zulke mensen. Maar toch: het is wel vreemd, dat ik niet eens die Meester Jansz ken of van hem heb horen spreken. En niemand ook heeft mij tot op heden van hem verteld …”.

Het was echter niet zo’n bijzonder geval, als Maerten wel dacht. De nachtwacht had duidelijk gezegd, dat de bekendheid van Meester Jansz. slechts enkele dagen oud was. Nog maar een week geleden had Arend Jansz de vereiste proeven afgelegd, om in het barbiers-gilde te kunnen worden opgenomen en daardoor het recht verkregen, de naam van ‘Meester’ te voeren. En twee dagen later reeds gebeurde het, dat bij een vechtpartij, onmiddellijk voor het huis van de jonge meester, één van de knapen zo deerlijk werd toegetakeld, dat hij voor dood bleef liggen. Toen — de nachtwacht was er getuige van geweest — had Meester Jansz de gewonde behandeld en hij was hierin zo voorspoedig geweest, dat het slachtoffer al een paar dagen later weer aan zijn werk kon gaan.
Maerten Willems vond de Meester dadelijk bereid om mee te gaan. En toen ze, na verloop van zeer korte tijd, bij het bed van de zieke kwamen, wist Maerten niet, wat hij meer moest bewonderen: óf de rustige zekerheid, waarmee de Meester zich bewoog en die kalmerend ook op de zieke werkte, óf de kundigheid, waarvan de vragen van deze toch jonge man getuigden.

Het is niet om ongerust te wezen, Maerten,” — kon Meester Jansz hem tegen de morgen geruststellen. — “De oude vrouw komt er best weer boven op met Gods goede hulp. Ze heeft een hoge koorts gehad, maar de drank, die nu al begint te werken, doet haar goed. Zie maar.”
En ja, Maerten zag het, hoe zijn moeder zich rustig tot slapen neerlegde. En een wonderlijk gevoel van vreugde alsmede van grote dankbaarheid kwam over hem. Die grote, sterke man had wel ’s Meesters hand willen nemen en deze kussen.
“Alle heiligen zij dank!” — stamelde hij, terwijl hij devoot een kruis sloeg. “En,” — vervolgde hij, met een van ingehouden blijdschap bevende stem, — “ik dank u ook zeer, Meester …”.
Dank God, Maerten,” was ’t eenvoudige antwoord.

Die nacht niet, maar een paar dagen later overwoog Maerten, dat twee dingen in het optreden van de Meester bevreemdend waren. Vooreerst had hij niet, wat toch immers bij de leden van het barbiers- of chirurgijns-gilde vrijwel altijd gewoonte was, de zieke een ader gelaten. En dan ook had hij in het geheel niet de Heiligen aangeroepen, veel minder nog over hen gesproken. En toch was hij heel de nacht in het huis bij de zieke gebleven!
De andere morgen, juist toen de veerman een reiziger overzette, kwam de dokter, die vreemd opzag, toen hij Meester Jansz in deze woning vond. Hij fronste zijn wenkbrauwen bijeen en begon te ondervragen, wat hier gedaan was.
Meester Jansz beantwoordde al de vragen, die hem gesteld werden. Hij begreep wel de bedoeling van de dokter: die trachtte een vergrijp te ontdekken, opdat hij beboet zou kunnen worden; die wilde van deze gelegenheid gebruik maken om hem eens en voorgoed bij de stadsoverheid onmogelijk te maken … wat mocht zo’n Meester ook anders doen dan zieke tanden trekken, de baard scheren, het haar snijden en enkele zalfjes en balsempjes en drankjes vervaardigen!

Ongelukkig voor de in eigen ogen zo bijzonder wijze heer dokter kwam juist, toen hij zijn vragen scherper begon te stellen, de veerman binnen. Deze zag nauwelijks de man, die hem voor enkele uren zo onmenselijk had bejegend, of zijn toorn keerde terug. De vuisten balden zich en zijn ogen fonkelden, toen hij de heer dokter naderde. Voorzeker, Maerten vergat op dat ogenblik, dat zijn moeder rust nodig had. Meester Jansz zag de hevige gemoedsbeweging, waarin Maerten verkeerde. En ongemerkt schoof hij zich tussen deze en de dokter in.
“Kalm blijven, Maerten!” — waarschuwde hij toen.
De dokter hoorde dit woord en lachte schamper.
“Hij kalm blijven?” — zei hij op smalenden toon. — “De kerel raast en gaat te keer en …”.
Maar hij kon zijn spotternij niet voleinden. De veerman was om Meester Jansz heen gesprongen en greep de dokter met beide handen bij de schouders vast en hief hem, alsof het een kind was, omhoog. Zou hij hem neer slingeren nu, en, gelijk men het met een giftige adder doet, welke men voor zich op de grond ziet, vertrappen?
Meester Jansz redde echter de dokter.
“Laat af, Maerten!” — zei hij en in zijn toon lag een bevel, dat opvolging eiste. — “Denk om uw moeder! Hier, in huis, en nergens mag u geweld plegen. Zelfs ook niet, als men jegens u misdoet, gelijk deze hier jegens u misdaan heeft.”
Wonderlijk! Maerten gevoelde zich als een bestraft kind; hij, de grote sterke man. Hij liet de van schrik verbleekte dokter los en trok zich in de hoek bij de schouw terug.
“Dat zal ik die boosdoener betaald zetten,” — knarsetandde de dokter, die tegelijk met de vrijheid ook zijn wraakzucht herkreeg.
“U zult niets doen, heer dokter!”
Het was Meester Jansz, die weer sprak en zijn helder, ernstig oog nu strak op de dokter vestigde. En op ieder woord de nadruk leggende, vervolgde hij: “De nachtwacht en ik zullen Maertens getuigenis bevestigen, als hij u beschuldigt, dat u tegen de voorschriften in geweigerd hebt, een zieke te helpen. En ik zal er bijvoegen, dat — zo niet tijdig hier hulp was verstrekt — uw nalatigheid een dode in dit huis gebracht zou hebben.”

Na deze woorden wendde Meester Jansz zich van de dokter af en gaf hij, Maerten tot zich wenkend, aan deze de nodige aanwijzingen, hoe er met de zieke moest worden gehandeld. Om de aanwezigheid van de dokter scheen hij zich in het geheel niet meer te bekommeren.
Maerten, die tengevolge van de zoëven doorleefde gemoedsbeweging zich in moest spannen, om de aanwijzingen van de Meester te volgen en te vatten, dacht in het geheel niet meer aan de heer dokter. Hoe verwonderd was hij, toen hij, zich omwendende, deze niet meer zag.
“Daar loopt hij,” — sprak Meester Jansz met een glimlach, door de kleine ruitjes heen op de weg wijzende. — “En wat denkt u, dat hij doen zal? Zou hij u durven aanklagen bij de schout?”
“Neen,” — antwoordde de veerman volmondig. — “U hebt hem door uw woorden en met uw oog bang gemaakt.”
“Maar wat zult u nu doen, Maerten? Zult u de dokter aanklagen, omdat hij geweigerd heeft, met u mee te gaan?”
Ja zeker, Meester, want dat is …”
U zult het niet doen, Maerten. “Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,” heeft eenmaal God gezegd. En al is nu de dokter tegenover u en uw moeder schuldig — u mag niet als eigen wreker optreden. Of zult u het wel doen, Maerten?”
“Ik zal het niet doen, Meester,” — was Maertens antwoord, wiens wil door die van Meester Jansz gekneed werd als was.
“Dan is het goed,” — zei deze. — “En onthoud nu, wat ik gezegd heb over uw moeder. Ik kom vóór de avond nog wel terug.”

Maerten Willems bleef alleen, geheel onder de indruk van het optreden van de jonge Meester. Hoe het kwam, kon hij niet verklaren. Maar dit wist hij, dat hij tegenover deze man, die in zijn tengerheid nog maar een jongeling scheen, klein was als een kind. Voortaan zou diens geest over de zijne bevelen. En ja — Maerten Willems beloofde het de reeds de stadspoort binnengetreden Meester — ook zijn lichaam, zijn krachtige arm zou, waar of wanneer dit ook gevraagd werd, geheel toebehoren aan de man uit de Capoenstraat.

 

Wordt vervolgd.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW