5 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (61)

Deel 1: 32-814 n. Christus.

Hoofdstuk 16 (vervolg)

De pauselijke listen

Maar de welwillendheid van Karel de Grote wekte slechts te meer de begerigheid en afgunst bij de roofzuchtige priesters op. Niet tevreden met hun landerijen en tienden, haakten zij naar een standpunt ver boven de wereldlijke bezitters van goederen, ja zelfs boven de monarch zelf. Geprikkeld door vroegere voorspoed, probeerden zij thans door een stoutmoedig plan het doel van hun wereldse eerzucht te bereiken. Een aanspraak op keizerlijke macht nu voor het eerst, na een tijdsverloop van 450 jaren, aan het licht gebracht. Door deze oorspronkelijke akte van schenking werd ontdekt, dat alles, wat Pepin of Karel de grote hadden verleend aan de kerk van Rome, niets anders was dan een bevestiging van de koninklijke schenking aan de stoel van Petrus door “de vrome keizer Constantijn”.

Ons hoofddoel met het behandelen van dit tijdvak van de kerkgeschiedenis bestaat hierin om het wezenlijke karakter van het pauselijk stelsel te schetsen, zowel als de middelen, waardoor het zijn wonderbare invloed en verbazende macht verkreeg. Dit ging samen met de verwereldlijkende invloed van de kerken- en statenbond. Daarom schrijven wij de eigen brief van de paus uit Greenwood over. De lezer zal zich verbazen, dat iemand die ook maar enige aanspraak op eerbied maken wilde ‑ veel minder nog het hoofd van de kerk ‑ er toe komen kon om zulk een stuk te verdichten, en dat alleen om meer grondgebied en macht te verwerven.

“Aangezien”, zegt paus Hadrianus, “in de dagen van de zalige paus Sylvester, deze meest vrome keizer door zijn schenking de heilige, katholieke en apostolische kerk van Rome in aanzien en macht heeft willen verheffen, haar gevende de oppermacht over heel het Westen, zo verzoeken wij u nu, dat in deze gelukkige dagen waarin wij nu leven, dezelfde heilige kerk moge uitspruiten en groeien, en altijd meer verheven moge worden, opdat een ieder die het hoort, moge uitroepen: God behoede de koning, en verhore ons ten dage dat wij tot u roepen”. Want zie, in die dagen werd Constantijn, de christelijke keizer, verwekt, door wie God het behaagde alle dingen aan Zijn allerheiligste kerk te verlenen, de kerk van de zalige Petrus, de prins van de apostelen. Dit alles, en vele stukken land bovendien, die verschillende keizers, aanzienlijke en andere godvrezende lieden hadden geschonken aan de zalige Petrus en de heilige, roomse en apostolische kerk van God, tot het heil van hun zielen en de vergeving van hun zonden. Deze liggen in delen van Toscane, Spoleto, Beneventum, Corsica en Savona ‑ landstreken die afgenomen en vastgehouden zijn door de goddeloze volken van de Lombarden ‑ laat dit alles aan ons weergegeven worden in deze uw regering, overeenkomstig de gewone regel van uw verschillende schenkingen, bewaard in onze archieven van het Lateraan. Daartoe hebben wij onze gezondenen aanwijzing gegeven deze documenten aan u voor te leggen tot uw voldoening; en uit kracht van dezelve roepen wij u nu op de onverminderde teruggave te gelasten van dit erfdeel van Petrus in onze handen; opdat door uw handelen in overeenstemming hiermee de heilige kerk van God moge gesteld worden in het volle bezit en genot van haar volkomen recht, zodat de prins van de apostelen zelf voor de troon van de Almachtige voorbede moge doen om een lang leven voor uzelf en om voorspoed in al uw ondernemingen”.

De onwetendheid en lichtgelovigheid in die tijd

Zo diep was de onkunde en zo groot de lichtgelovigheid in die dagen, dat de meest ongerijmde fabels door lieden van allerlei stand met grote eerbied werden aangenomen. De listige priesters wisten hun godsdienstig bedrog te bedekken met de schijn van vroomheid, en zowel koning als volk te verblinden. Volgens de legende werd Constantijn door paus Sylvester van de melaatsheid genezen. En zo zeer was de keizer van dankbaarheid doordrongen, dat hij aan de pausen de vrije en altijddurende soevereiniteit over Rome, Italië en de provinciën van het Westen afstond, en besloot een nieuwe hoofdstad voor zichzelf te stichten in het Oosten.

Het oogmerk, waarmee Hadrianus zulk een brief schreef en zulk een akte verzon, was voorzeker om invloed te oefenen op Karel de Grote, zodat hij de beweerde mildheid van zijn grote voorganger zou navolgen. Indien hij alleen de pausen in het bezit stelde van gezegde schenkingen van Constantijn, handelde hij slechts als zijn executeur*. Indien hij uit eigen beweging een weldoener van de kerk wenste te zijn, moest hij meer schenken dan oorspronkelijk reeds door Constantijn geschonken was. Maar de diepten van deze list hebben wij nog niet gepeild. Er werd in beweerd, dat de Griekse keizers, al deze eeuwen door, schuldig waren aan overweldiging en beroving van het erfdeel van Petrus, dat de pausen recht hadden om hun grondbezit zich toe te eigenen, en tegen hun gezag op te staan; dat de schenkingen van Pepin en Karel de Grote niets meer waren dan de teruggave van een klein gedeelte van de wettige domeinen, oorspronkelijk aan de stoel van Petrus verleend; en dat hij, Karel de Grote, zich had te beschouwen als een schuldenaar aan God en Zijn kerk, zolang een enkel deeltje van de hem aldus opgelegde schuld onbetaald bleef.

Dit waren enige van de gewenste resultaten, welke Hadrianus in die tijd met zijn ondergeschoven stuk beoogde. Doch hoewel er grote voordelen uit voortkwamen voor het toenmalige pausdom zowel als daarna, is de vervalsing sedert lang aan het licht gebracht. Met de herleving van de letterkunde en het herstel van de vrijheid, werd het verdichte stuk, – tegelijk met de valse decretalen1 **, de meest vermetele en meest uitgewerkte van alle vrome bedriegerijen – veroordeeld en verworpen. Sprekende van de decretalen, zegt Milman: “Zij worden nu door allen losgelaten; geen stem verheft zich ten haren gunste; het uiterste, dat gedaan is door hen, die niet elke spijt over haar onderdrukking kunnen onderdrukken, is: verzachtende omstandigheden te pleiten voor hem, die ze verdichtte; en de invloed te betwijfelen of te verkleinen, die zij in haar tijd en later uitoefenden”.

De grondslagen van het gebouw van de pausdom

Zodanig waren, helaas! de grondslagen van het grote pauselijke gebouw. Zouden wij de afzonderlijke stenen van het fundament moeten kenschetsen, wij zouden ze benoemen als de meest buitensporige inbeelding; de meest beledigende aanmatiging; de meest onbeschaamde vervalsing; de meest openlijke, zelfs de dood trotserende, liefde tot afgoderij; de meest gewetenloze toe-eigening van gestolen grondgebied; de meest onverbiddelijke vervolgzucht; en, wat de hoeksteen genoemd mag worden, de meest grenzeloze zucht naar wereldlijke oppermacht …. Maar als wij binnen het gebouw de blik slaan, wat vinden wij dan? Het is vol van lasteringen, de meest ergerlijke verbasteringen en de samenvatting van alles, wat voor het vlees begeerlijk is (Openb. 18:12,13). De hoofdbestanddelen van het Christendom werden òf verbasterd òf verworpen zoals het offer van Christus, de christelijke bediening en het priesterschap. De mis werd in de plaats gesteld van het werk van Christus; het onderwijs van de kerk voor de bediening van de Heilige Geest; en het grote kerkelijke stelsel van priesterschap ‑ of liever: priesterlist ‑ voor het algemene priesterschap van alle gelovigen, ja, voor dat van Christus zelf.

Het avondmaal van de Heer is langzamerhand ontaard van de eenvoudige gedachtenis aan Hem en de verkondiging van Zijn dood in een telkens herhaalde offerande. Allerlei bijgelovigheden werden met het gewijde brood, of liever de gewijden ouwel, uitgevoerd. De offerande werd geacht ten goede te komen aan de doden, zowel als aan de levenden; vandaar de gewoonte om den ouwel te geven aan de doden, en hen er mee te begraven. De zielverwoestende leer van het vagevuur, die gewettigd was door Gregorius de Grote, verbreidde zich wijd en zijd. Zij schijnt in de Engelsche kerk vooral wortel geschoten te hebben vóór de negende eeuw. Maar het bedrog is openbaar; want er bestaat geen reinigingsmiddel dan het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon (1 Joh. 1:7). Dank zij God, er is geen beperking aan de reinigende kracht van het bloed van Christus, Zijn Zoon; allen, die geloven in dat bloed, zijn “witter dan sneeuw”, volkomen geschikt voor de tegenwoordigheid van God. De leer van het vagevuur echter raakte de wortel zelf van deze grondwaarheid; en werd een krachtig werktuig in de hand van de priesters om geld af te persen van de stervenden, en ruime legaten te verzekeren aan de kerk. Maar bijna alles werd thans aan zulke lage bedoelingen dienstbaar gemaakt. De waarheid van God, het werk van Christus, het karakter van de gemeente, de zielen en lichamen van de mensen werden allen gedienstig opgeofferd aan de machtsvermeerdering van de roomse Stoel, zowel als van de geestelijken, die aan die Stoel ondergeschikt waren.

De goddeloze levenswijze van menigeen, aan wie het bestuur van de kerk en de zorg voor de zielen was toevertrouwd, is ook een zaak, waarover alle eerlijke geschiedschrijvers, van vroegere en latere tijd, bittere klachten hebben aangeheven. Wij laten hier een van de meest geachte ‑ Mosheim*** ‑ bevestigen, wat wij zo even gezegd hebben.

De korte samenvatting van Mosheim

<<In het Oosten duistere plannen, wrevel, twist en strijd overal heersende. In Constantinopel of Nieuw-Rome werden zij op de patriarchale zetel verheven, die in de gunst stonden van het hof; en zodra zij die gunst verloren, wierp een keizerlijk besluit hen van hun hoge zetel af. In het Westen zwermden de bisschoppen om de vorstelijke hoven, zich overgevende aan allerlei wellusten, terwijl de lagere geestelijkheid en de monniken door hun zinnelijkheid en het toegeven aan allerlei ondeugd het volk, dat zij moesten verbeteren, verdierven. De onwetendheid van de geestelijken was op vele plaatsen zo groot, dat zij lezen noch schrijven konden. Vandaar dat, indien er een brief te schrijven of enig belangrijk stuk op schrift te stellen viel, men algemeen de toevlucht had te nemen tot iemand, die de roem bezat in dergelijke zaken een zekere bedrevenheid te bezitten …

De bisschoppen en kloosterabten bezaten veel goederen en landerijen als leengoed; brak er van derhalve een oorlog uit, dan werden zij opgeroepen persoonlijk naar de legerplaats te komen, vergezeld door zoveel krijgsknechten, als zij gehouden waren aan hun leenheer te bezorgen. Koningen en prinsen, om in staat te zijn hun dienaars en strijders te belonen, maakten zich wel eens meester van kerkelijke goederen, die zij aan hun onderhorigen uitdeelden, ten gevolge waarvan de priesters en monniken, die gewoon waren geweest daarvan de inkomsten te trekken, vergoeding zochten in het beramen van nieuwe listige plannen en het bedrijven van allerlei boosheid.

Weinigen van hen, die in die tijd tot de hoogste kerkelijke betrekkingen werden verheven, verdienen de lof van wijsheid, kennis, zedelijkheid en andere vereisten voor een bisschop. Het merendeel, vanwege hun vele ondeugden, en allen, vanwege hun aanmatiging en heerszucht, lieten een schandelijke nagedachtenis achter. Tussen Leo IV, gestorven in 855, en Benedictus III, wist een vrouw, die haar geslacht verborgen hield, en de naam Johannes aannam, door haar geleerdheid en haar talent de pauselijke troon te beklimmen, en voerde een tijdlang het bestuur over de kerk. In de geschiedenis staat zij bekend als de pausin Johanna. Gedurende de vijf volgende eeuwen waren er talloze getuigen van deze buitensporigheid; en vóor de hervorming door Luther beschouwde niemand de zaak als onaannemelijk of als een schande voor de kerk.

Allen erkennen dat in deze donkere tijden de toestand van het Christendom overal zeer betreurenswaardig was, niet alleen om de verbazende onkunde, de moeder van bijgeloof en zedelijke verlaging, maar ook om andere oorzaken … De priesters, zowel in het Oosten als in het Westen, bestonden meest uit ongeletterde, dwaze mannen, totaal vreemd aan alles wat tot de godsdienst behoort … Hoe de Griekse kerkvoogden waren, bewijst het enkele voorbeeld van Theophylactus****, die, volgens het getuigenis van geloofwaardige schrijvers, het heilige tot een handelszaak maakte, en zich om niets bekommerde dan zijn jachthonden en paarden. Maar hoewel de Griekse patriarchen zeer onwaardige mannen waren, bezaten zij nog meer waardigheid en zedelijkheid dan de roomse kerkvorsten. Dat de geschiedenis van de roomse bisschoppen in deze eeuw een geschiedenis is niet van mensen, maar van monsters, een geschiedenis van de afschuwelijkste schurkenstreken en misdaden, wordt toegestemd door al de beste schrijvers, die zelfs niet uitgezonderd, welke voorstanders zijn van het pauselijk gezag …

Het wezen van de godsdienst werd, door Grieken en Latijnen, geacht te bestaan in het dienen van beelden, het vereren van gestorven heiligen, het opsporen en bewaren van relikwieën en het verrijken van priesters en monniken. Nauwelijks een enkele waagde het tot God te naderen, indien hij niet eerst voorspraak gezocht had bij beelden en heiligen. Met het zoeken en verzamelen van overblijfsels van heiligen, hield een ieder zich bezig tot waanzinnigheid toe”.

Wij denken niet, dat het nodig is nu nog meer te zeggen over de aard, in wortel en tak, van het pauselijk systeem. Door de mond van minstens drie bevoegde getuigen is alles bevestigd, wat wij eerder over Rome, van het begin van de periode Thyatira, hebben gezegd. En de helft is nog niet gezegd, vooral over het punt van onzedelijkheid. Wij mogen onze bladzijden niet verontreinigen door mee te delen hoe laag priesters en monniken in het openbaar gezonken waren. Door sommigen wordt geoordeeld, dat het pausdom het diepste zonk in de negende en de tiende eeuw. Gedurende vele jaren werd over de pauselijke kroon beschikt door de geschandvlekte Theodora en haar twee dochters, Marozia en Theodora. Deze hadden, door haar losbandig leven, zulk een invloed en vermogen, dat zij op de Stoel van Petrus wisten te plaatsen, wie zij wilden, ‑ mannen, die haar evenbeeld waren. Voorwaar, Izébel werd goed vertegenwoordigd door deze vrouwen, die zulk een invloed wisten te verkrijgen over de pausen en over Rome zelf. Ziedaar wat de apostolische successie (2) betekent, één van de grondslagen, waarop de kerk van Rome haar stelsel bouwt!

NOTEN:
1. Decretalen (Literae decretalas) noemt men de beslissingen door de pausen genomen. Deze decretalen zijn het eerst verzameld door Dionysius Exiguus in het laatst van de 5e eeuw; daarna door Isidorus Hispalensis, bisschop van Sevilla in de 7e eeuw; voorts door of op naam van lsidorus Mercator of Peccator in de 9e eeuw, een verzameling, de Pseudo‑isidorische genoemd, en, met invoeging van vele valse stukken, ingericht ter uitbreiding van het pauselijk gezag. Zie Alg. Ned. Encyclopedie, Deel V, blz. 80. – N.v.d.V.
2. Apostolische successie wil zeggen, dat de macht van de priesters van Rome in lijnrechte opvolging afstamt van de apostel Petrus. – N.v.d.V.
NOTEN BEWERKER:
* Een executeur (in Nederland voorheen executeur-testamentair, in België testamentuitvoerder) is degene, die het testament van een erflater ten uitvoer brengt, nadat deze is overleden. {Wikipedia}
(**) Decretalen zijn pauselijke vonnissen in briefvorm, zogeheten litterae decretales, uit de middeleeuwen. Ze vormen een belangrijke bron voor de kennis van het canonieke recht in deze periode. {Wikipedia}
*** Johann Lorenz von Mosheim of Johann Lorenz Mosheim (9 oktober, 1693 – 9 september, 1755) was een Duitse Lutherse kerkhistoricus. {Wikipedia}
**** Theophylactus Simocatta was een begin-zevende-eeuwse Byzantijnse geschiedschrijver. Simocatta wordt gezien als de laatste historicus van de Late Oudheid. {Wikipedia}
SLOT DEEL I: 32-814 NA CHRISTUS.

Oorspronkelijke titel: Church History

Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol