5 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (57)

Deel 1: 32-814 n. Christus

Hoofdstuk 15

MOHAMMED, DE VALSE PROFEET VAN ARABIË

Met veel belangstelling hebben wij de gestadige voortgang van het Christendom en zijn overheersende macht, zelfs in zijn Latijnse of Roomse vorm over heel Europa, gedurende de zevende en achtste eeuw nagegaan. De naam “Jezus” was alom verspreid, en God was machtig die liefelijke naam, ondanks het vormelijke wat door Rome daaraan verbonden werd, tot een zegen te stellen. Maar al de overwinningen, door het evangelie behaald, wist Rome door het beleid van de pausen en de invloed van zijn zendelingen aan de belangen van de heiligen Stoel dienstbaar te maken. Had zich geduchte tegenstander opgedaan, wie zou ons kunnen zeggen, hoe ver de geestelijke heerschappij van Rome zich zou hebben uitgestrekt, en hoe hoog zijn macht zou hebben gereikt! God liet echter toe, dat er een vijand opdaagde, die niet alleen de alzijdige uitbreiding van het Romanisme stuitte, maar die meer dan eens paus zelf deed waggelen op zijn Stoel. Deze vijand was Mohammed, de valse profeet uit Arabië.

Het begin van de zevende eeuw, als wanneer deze merkwaardige man optrad, was bijzonder gunstig voor de verwezenlijking van zijn verreikende plannen. Bijna de hele wereld was verzot op afgoden. De heersende godsdienst in zijn eigen land was grof afgodisch. In de tempel van Mekka bevonden zich 360 afgodsbeelden, het juiste getal dagen van het Arabische jaar. Het heidendom niet zijn talloze, verdichte godheden overdekte nog steeds een groot gedeelte van de aarde; en zelfs het Christendom was, helaas! zowel in de Griekse als in de Latijnse kerken, met veel afgoderij besmet. Op dat ogenblik vertoonde zich Mohammed aan de wereld als een stroef en onverzettelijk voorstander van de leer, dat er slechts één God is. Hij voelde zich geroepen de grondwaarheid van de eenheid van God te verheffen tot de hogen rang, die daaraan toekomt in het godsdienstig geloof van de mensheid. Maar het denkbeeld zelfs van de vleeswording, de verlossing, de Redder, de betrekking en gemeenschap met God, de doordringende invloed van een heilige liefde vonden geen plaats in het stelsel van Mohammed. De wijde kloof, die de zondaar scheidt van God, wordt door de godsdienst van Mohammed onoverkomelijk gelaten. Voor wij echter over zijn godsdienst spreken, willen wij een woord over zijn afkomst en jeugd zeggen.

DE AFKOMST EN  JEUGD VAN MOHAMMED

Volgens de Arabische overlevering behoorde Mohammed tot de edele familie van der Koreischiten. Deze stam vormde ten tijde van de geboorte van Mohammed, (die gewoonlijk gesteld wordt in het jaar 569) een soort van priesterregering, die de opperheerschappij uitoefende in godsdienstzaken, en de erkende bewaker was van de Kaäba, de heilige steen van Mekka, met zijn tempel. Zijn vader stierf spoedig na de  geboorte van Mohammed en zijn moeder een poosje later, zodat hij als een verlaten wees achterbleef. Toen andere mannelijke leden van de familie gestorven waren, ging het gouverneurschap over Mekka en de bewaking van de Kaäba over in handen van een andere familietak. Van de eerste vijfentwintig jaren van het leven van Mohammed is weinig bekend, behalve dat hij in handelszaken bezig was, waarin bij zoveel voorspoed en eer oogstte, dat hij de titel van Amin, de “getrouwe”, ontving. Op achtentwintigjarige leeftijd huwde hij Kadidscha, de weduwe van een van zijn betrekkingen, die grote rijkdommen bezat. Twaalf jaar na zijn huwelijk, op zijn veertigste jaar, ontstonden in het gemoed van Mohammed de eerste gedachten omtrent een bijzondere zending, waartoe hij geroepen zou zijn. De rampen van zijn familie en de wens om haar tot de vroegere eer en macht terug te brengen, kunnen de aanleiding daartoe geweest zijn. Volgens een gewoonte, die onder zijn volk heerste, trok hij zich elk jaar enigen tijd in een grot terug, waar hij in godsdienstige overpeinzingen verzonken was. Volgens zijn eigen verhaal ontving hij daar op een bepaald moment zijn eerste openbaringen van de hemel, of liever, zoals wij geloven, uit de afgrond. Langzamerhand rijpte bij hem de overtuiging bepaald door God geroepen te zijn, om de afgoderij uit te roeien en het ware geloof te verbreiden. Zijn openbaringen, die hij zei door middel van de engel Gabriel uit de hemel te ontvangen, zijn opgetekend in de Koran, en worden door zijn volgelingen als het Woord van God betracht.

DE ISLAM

De nieuwe godsdienst die zo aangekondigd werd, was “Islam”, een woord dat onderwerping aan de wil van God betekent. Zijn leer werd hoofdzakelijk samengevat in zijn eigen korte spreuk: Er is geen God dan de ware God, en Mohammed is zijn profeet”. De zes hoofdpunten uit het theoretische deel van de leer van de Islam zijn:

  1. geloof in God;
  2. in zijn engelen;
  3. in zijn geschriften;
  4. in zijn profeten;
  5. in de opstanding en de oordeelsdag;
  6. in de voorbeschikking (predestinatie).

Het praktische deel uit zijn geloofsbelijdenis was eveneens onberispelijk, volgens de in zijn tijd heersende denkwijze omtrent godsdienstplichten. Het omvat vier voorschriften omtrent:

  1. het gebed en de reiniging;
  2. de aalmoezen;
  3. het vasten;
  4. de bedevaart naar Mekka.

De bedevaart naar Mekka werd als zulk een kracht beschouwd, dat iemand die stierf, zonder ze te hebben verricht, evengoed als een jood of als een Christen zou kunnen sterven.

Het enige nieuwe artikel in de godsdienstleer van den Islam was de goddelijke zending van Mohammed als de apostel en profeet van God. Maar onder dezen fraaie schijn verbergt zich het meest de list van de satan. Dergelijke eenvoudige grondbegrippen van godsdienst zullen niemand ergeren, maar velen misleiden. De geschiedenis bewijst duidelijk , dit zijn denkbeelden afwisselden met zijn voorspoed; en dat zijn hevigheid en onverdraagzaamheid toenamen met zijn macht, tot zijn godsdienst een dienst werd van het zwaard, van roof en zinnelijkheid. “Hij was een aangenaam prediker”, zegt Milman, “tot de tijd toe, dat hij het zwaard uit de schede trok”. Voortaan was dit ontblote zwaard het meedogenloze bewijsmiddel. In de begintijd vinden wij het ruime beginsel van oosterse verdraagzaamheid uitdrukkelijk erkend, zodat verscheidenheid van godsdienst wordt toegeschreven aan de rechtstreekse ordeningen van God, en alle godsdiensten gelijkelijk in zijn gunst delen. Maar naderhand neemt de Koran deze liefelijke uitspraken een voor een terug, en ademt hij een honende meerderheid over of een onverbloemde afkeer van elke andere godsdienst. Hoewel de Koran vele punten van overeenkomst heeft met Jodendom en Christendom, denkt men, dat Mohammed noch met het Oude‑  noch met het Nieuwe Testament bekend is geweest, maar dat hij veeleer zijn bouwstoffen ontleend heeft aan de legenden van de Talmud, aan ondergeschoven Evangeliën en andere ketterse geschriften, vermengd met oud-Arabische overleveringen.

De eerste bekeerlingen, die Mohammed tot zijn nieuwe godsdienst overhaalde, waren uit zijn vrienden en naaste betrekkingen; maar het bekeringswerk ging zeer langzaam. Ten einde van drie jaar bedroeg het getal van zijn aanhangers niet meer dan veertien. Hier niet mee tevreden, besloot hij zijn godsdienst in het openbaar af te kondigen. Eerst riep hij zijn eigen familie op hem te erkennen als een profeet van God. Door zijn familie als zodanig aangenomen, trachtte hij in dezelfde hoedanigheid te worden erkend door zijn stam. Maar dit werd door de Koreischiten geweigerd, zijn beweringen vonden geen geloof, en hijzelf met zijn aanhang werd vervolgd.

MOHAMMED KOMST TE MEDINA

Tot hiertoe had Mohammed getracht zijn gevoelens verbreiden langs de weg van overtuiging alleen; maar het volk was hardnekkig en bijgelovig, en dreigde de profeet met de dood. Hij was verplicht te vluchten uit zijn geboortestad Mekka, het middelpunt van de handel en de godsdienst van de Arabieren. Hij  hoopte deze stad ook eenmaal tot middelpunt van zijn nieuw geestelijke heerschappij te verheffen. Hij vluchtte naar Medina waar hij als een vorst werd ingehaald. Enkele voorname inwoners van die stad hadden zijn zaak omhelsd en een partij gevormd, die gunstig jegens hem gezind was. Zijn vlucht, in het jaar 622 na Christus, wordt beschouwd als het grote keerpunt in de geschiedenis van de profeet, en als het begin van de Mohammedaanse tijdrekening. Nu hij in het bezit was gekomen van een zekere macht, ontving hij een nieuwe openbaring, dat hij die zou gebruiken om het geloof uit te breiden. De aard van de openbaringen, waarvan hij zei dat hij ze van boven ontving, veranderde nu van karakter. Zij werden wreedaardig en bloeddorstig. Door zijn mond sprak, zoals bij de profeten van Achab, een leugengeest.

Binnen enkele jaren, na menige strijd tussen de naijverige steden en de aanhangers van de mededingende godsdiensten, was de macht van Mohammed zo toegenomen, dat hij in het jaar 630 de stad Mekka wist te veroveren. Hij reinigde de Kaäba van de 360 afgoden, en maakte hem tot het grote heiligdom van de Islam. Mekka werd nu voortaan het middelpunt van zijn systeem. De gehele bevolking zwoer de eed van getrouwheid; en al de stammen van Arabië erkenden zijn heerschappij door het belijden van zijn godsdienst.

MEKKA, DE HOOFDSTAD VAN DE ISLAM

Mohammed was nu heer van Mekka. De eenheid van God en zijn eigen zending als profeet werden van de tinne van de moskee openlijk afgekondigd. De beelden werden verbrijzeld, en het oude stelsel van afgoderij verdween voor de kracht van de wapens, zowel als voor de uiterlijke eenvoud van het nieuwe geloof. De volgende belangrijke stap in het staatsbeleid van de profeet was de verzekering van de volstrekte eenheid van godsdienst over geheel Arabië. langs deze weg verdwenen alle oude erfelijke veten tussen de verschillende stammen en geslachten, plaats makende voor een verenigde, godsdienstige legermacht, die zich tegen de ongelovigen zou keren. Aan alle vormen van ongeloof werd de oorlog verklaard, in het bijzonder aan het Christendom, terwijl het besluit werd vastgesteld om over de gehele wereld, door de kracht van het zwaard het Mohammedanisme uit te breiden.

Mohammed werd een onafhankelijk heerser. Arabië van afgoden bevrijd, omhelsde de godsdienst van de Islam. Maar hoewel de profeet nu een wereldlijk vorst en een voorspoedig krijgsaanvoerder was, verzuimde hij de plichten van een priester geenszins. Voortdurend leidde hij de godsdienstoefeningen van zijn volgelingen, offerde de openbare gebeden, en predikte op de vrijdagse feesttijden. Lasterende beweerde hij profeet, priester en koning te zijn. Deze vermenging, deze begoocheling is een gewrocht van de hel, een meesterstuk van satan, opdoemende uit de afgrond. De dweepzucht van zijn volgelingen werd aangezet door de opwekking tot plunderen en de bevrediging van alle bozen hartstocht. Het eigendomsrecht op alle vrouwelijke gevangenen werd tot oorlogswet verheven en diende tot loon voor betoonde dapperheid. Aan alle gelovigen werd ingeprent: “Een druppel bloed, gestort voor de zaak van God, of een nacht, onder de wapenen doorgebracht, heeft meer kracht dan twee maanden, besteed in vasten en bidden. Al wie in de strijd sneuvelt, heeft vergeving van zonden; in de oordeelsdag zullen zijn wonden schitteren als vermiljoen en ruiken als muskus; het verlies van ledematen zal worden aangevuld door vleugels van engelen en cherubijnen”. De oorlogskreet van de onverschrokken aanvoerder was: “Strijdt voort, strijdt voort en vreest niet! Het paradijs, het paradijs bevindt zich onder de schaduw van uw zwaarden! De hel met haar vlammen is achter de vluchteling; het paradijs voor hem geopend, die sneuvelt!” Aldus opgehitst, gloeiden de legerscharen van geestdrift, en tuk op de buit hierbeneden en het zinnelijk paradijsgenot hierboven, stormden zij, geen vrees kennende, op de vijand in.

De grond tot het Arabische rijk was nu gelegd. Mohammed eiste niet alleen van de onaanzienlijke vorsten van de kleine naburige rijken, maar zelfs van de twee geduchte machten van de meer beschaafde wereld, de koning van Perzië en de keizer van het Oosten, om zijn godsdienstige opperheerschappij te erkennen. Men zegt, dat keizer Heraclitus deze eis met ontzag ontving; maar Chosroës, koning van Perzië, scheurde met verachting de bief in stukken. De profeet, dit horende, riep uit: “Aldus zal God het koninkrijk Perzië verscheuren, en de smekingen van Chosroës niet achten”. Dit gebeurde ook werkelijk. Het Perzische rijk werd in korte tijd door de Mohammedaanse wapens uiteengescheurd en verdeeld. Maar hoewel de omtrek van de Islam zich verwijdde, het middelpunt werd uitgewist. Na met tranen en zuchten zijn oudste zoon grafwaarts vergezeld te hebben, hield de profeet zijn laatste bedevaart naar Mekka, waar hij stierf in het jaar 632, op de leeftijd van 64 jaar. Het blijkt niet dat hij op zijn sterfbed berouw gehad heeft; maar het bloed, door hem vergoten, en de scharen, door hem misleid, volgen hem voor de rechterstoel.

Mohammed had binnen het korte tijdsverloop van tien jaren in het Oosten een godsdienst geplant, die zo vast wortel had geschoten, dat zij na al de omwentelingen en veranderingen van twaalf eeuwen, nog heden ten dage een machtige, beteugelende invloed uitoefent over het verstand en geweten van meer dan honderd miljoen [1] menselijke wezens.

DE OPVOLGERS VAN MOHAMMED

Na dood van de profeet werd door zijn opvolgers, de Kaliefen, de oorlog verklaard tegen de gehele mensheid. De voornaamste van deze Kalifen waren Abu‑ Beker, de wijze; Omar, de getrouwe; Ali, de dappere en Khaled, het zwaard van God. Dit waren de oudste eedgenoten en verwanten van de profeet. Binnen enkele maanden na zijn dood werden deze aanvoerders gevolgd door de zwermen van de woestijn, die de vlakten van Azië overstroomden. Hoewel deze oorlogen veel invloed hadden op de toestand van het Christendom, valt hun uitvoerige beschouwing niet binnen de kring van deze geschiedenis. Alleen omdat menige natie en een groot deel van het volk van God het slachtoffer werd van deze vreselijke gesel, zullen wij er een weinig bij stilstaan.

De vervolgzieke heidenen, als Chosroës, de ongelovige en trotserende koning van Perzië, en de loutere naambelijder van het Christendom werden door de opvolgers van Mohammed gelijkelijk gekastijd; maar de hovaardige bisschoppen en priesters waren vooral het doel van hun wraak. “Verwoest geen ooftboom, noch vruchtbaar veld op uw weg”, zeiden de Kalifen, “weest rechtvaardig, en spaart de gevoelens van de overwonnelingen. Eerbiedigt alle godsdienstige mensen, die in kluizen of kloosters leven, en vernielt hun woningen niet. Ontmoet u echter een andere klasse van ongelovigen, die daarheen gaan met kale kruin en behoren tot de synagoge van de satan, klieft zonder verschoning hun schedels, tenzij het ware geloof door hen wordt aangenomen, of zij schatting betalen”. En zo bewoog de machtige horde zich voorwaarts met een wilde geestdrift, waartegen niets bestand was. Syrië, Perzië en Egypte met menig ander land moest bukken voor hun macht. De steden Jeruzalem, Bozra, Antiochië, Damascus, Alexandrië, Cyrene en Carthago vielen in hun handen. Een inval werd gedaan in Indië, Europa werd aangetast, Spanje overstroomd, er werd tot zelfs aan de oevers van de Loire doorgedrongen, maar dáár werden zij in het jaar 732 verslagen en teruggedreven door Karel Martel. Wij vermelden nu alleen nog, hoe zij de overwonnenen behandelden in Jeruzalem.

In het jaar 637 viel Jeruzalem in handen van de Kalif Omar, die een moskee bouwde op de plaats, waar de tempel gestaan had. Al het volk van deze schuldige stad werd door de hoogmoedige veroveraar als een verachtelijke kaste gebrandmerkt. Alom hadden zij de Muzelmannen te eren, en voor hen uit de weg gaan. Het Christendom werd verlaagd tot een godsdienst, die men duldde; het kruis mocht niet langer buiten de kerken vertoond worden; geen klokken meer ten worden geluid. De Christenen moesten hun doden in het geheim bewenen; het oog van de vromen Muzelman mocht niet worden gehinderd door enig teken, dat aan het Christendom herinnerde; een Muzelman te slaan was een misdaad in een Christen, omdat de persoon van een Muzelman voor heilig gehouden werd.

Ziedaar de toestand, waartoe de christenbewoners in Jeruzalem plotseling vervielen, en waarin zij gebleven zijn tot de tijd van de kruistochten. Bijna dezelfde voorwaarden werden, naar wij mogen geloven, aan al de Christenen in Syrië opgelegd. Zo handelde God in Zijn heilige wegen met vele volken uit het Oosten en Westen, beide dicht bezet met Joden en Christenen, waardoor miljoenen veroordeeld werden tot een lange, nog altijd voortdurende nacht van slavernij onder de halve maan.

OPMERKINGEN OVER HET MOHAMMEDANISME EN HET ROMANISME

Met onze geschiedenis, zowel burgerlijk als kerkelijk, gevorderd zijnde tot het eind van der achtste eeuw, kunnen wij een ogenblik nadenken over hetgeen wij aanschouwden, en over hetgeen wij te verwachten hebben. Wij namen de aangroeiende macht waar van de Roomse Stoel in het Westen, en hoe deze tot het toppunt van zijn eerzucht klom. Ook sloegen wij de opkomst gade van een grote tegenmacht in het Oosten, geringer alleen in de uitgestrektheid van haar godsdienstige en maatschappelijke invloed op het Christendom zelf. De eerste verrees langzamerhand in het middelpunt zelf van de verlichte Christenheid; de laatste rees plotseling op in een duister gedeelte van een sombere woestijn. Maar wat ‑  zo mogen wij vragen ‑  is de zedelijke lering, die uit de natuur en de resultaten van deze twee grote machten te trekken valt? Beide kwamen op, naar wij geloven, onder de toelating van God, als een oordeel van Zijn zijde over het Christendom, dat ten afval neigde, en over het heidendom dat in afgoderij verzonken lag. Enerzijds werd het krijgsgeschrei aangeheven tegen allen, die weigerden te geloven aan de belijdenis of schatting te betalen aan de heerlegers van der Kalifen; anderzijds verhief zich een nog meedogenlozer oorlogskreet tegen een ieder, die geloof weigerde aan de maagd Maria en de heiligen, hun visioenen en mirakelen, hun relikwieën en beelden, zoals de onverdraagzame eis was van het anti-christelijke Rome. De oosterse kerken waren van de dagen van Origenes af verzwakt en verwoest door een platonische wijsbegeerte, in de vorm van een bovennatuurlijke godgeleerdheid, die onophoudelijk twist ten gevolge had. In het Westen werd de strijd over geloofspunten meest onderdrukt; want macht was daar het hoofddoel. Rome had eeuwen lang gejaagd naar de beheersing van het Christendom en van de wereld. God oordeelde beiden door de vuurstroom uit Arabië. Maar het Mohammedanisme blijft de machtige gesel van God in het Oosten, gelijk het Romanisme die in het Westen.

DE MONOTHEÏSTEN. DE BEELDENSTRIJD

Terwijl de Arabieren onder Abu-Beker en Omar de Griekse landstreken overstroomden, en gewest na gewest van het rijk afscheurden, vergenoegde zich de keizer met het uitzenden van legers tot hun verdrijving, terwijl hijzelf in zijn hoofdstad bleef om theologische kwesties te behandelen. Sedert het ten einde brengen van zijn voorspoedige oorlogen tegen Perzië, was de godsdienst bijna uitsluitend het voorwerp van zijn zorg geworden. Twee grote geloofsverschillen beroerden op dat ogenblik de gehele Christelijke wereld. De eerste strijd, de zogenaamde Monotheïstische, was de herleving onder gewijzigde vorm van de oude monofysietische of de eutychiaanse ketterij. Onder de algemene naam van Monofisieten zijn begrepen de vier hoofdafdelingen van hen, die zich afscheidden van de Oosterse kerk, namelijk de Syrische Jakobieten, de Kopten, de Abyssiniërs en de Armeniërs. De vader van deze talrijke en machtige gemeenschap was Eutyches, de abt van een monnikenklooster te Constantinopel in de vijfde eeuw. De Monofisiten bestreden de onderscheiding van twee naturen, de goddelijke de menselijke, in Christus; de Monotheïsten namen de twee naturen in Christus aan, maar erkenden niet meer dan één wil in de gezegende Heer. Een welgemeende, maar niet geslaagde poging werd door keizer Heraclitus beproefd, om de‑  Monofysieten met de Griekse kerk te verzoenen. Maar daar later weinig bijzonders omtrent deze Oosterse ketters te vermelden valt, willen wij hier afscheid van hen nemen.

De beeldenstrijd of beeldenstorm verreist nu een nadere overweging. Het raakte het hart van het Christendom, zoals geen andere strijd ooit te voren gedaan had, en behoort tot de belangrijkste punten in de geschiedenis van de Roomse kerk. Izebel verschijnt nu in haar ware gedaante, en haar boze aard kenmerkt voortaan zeer duidelijk het pausdom. De pausen, die toen de Stoel van Petrus innamen, verdedigden en rechtvaardigden openlijk de beeldendienst. De fundamenten van de Roomse godsdienst werden blootgelegd; en het bleek, dat vervolgzucht en afgoderij de twee zuilen waren, waarop haar aanmatiging en heerschappij rustten.

HET EERSTE ZICHTBARE VOORWERP VAN CHRISTELIJKE VERERING

Er is voldoende bewijs om te geloven, dat gedurende meer dan driehonderd jaren na de eerste verkondiging van het evangelie noch beelden, noch andere zichtbare voorwerpen van godsdienstige verering toegelaten werden bij de openbare eredienst in de kerken of de afzonderlijke godsdienstoefening in de huizen. Waarschijnlijk werd aan zulke dingen niet gedacht onder de Christenen vóór de dagen van Constantijn; en wij moeten ze bepaald aanmerken als een eerste vrucht van de vereniging tussen kerk en staat. Vroeger hadden de Christenen krachtig getuigd tegen de afgoderij van de heidenen, en daarvoor de dood getrotseerd. Daarom is het zo opmerkenswaard, dat keizerin Helena, de moeder van Constantijn, de eerste was die de Christenen tot dit onterend bijgeloof de weg wees. men verhaalt dat zij, in haar ijverige belangstelling omtrent godsdienstige plaatsen, het hout van “het ware kruis” ontdekt en weer opgegraven heeft. Dit was voldoende voor de oogmerken van de vijand. De voorliefde van de menselijke natuur tot voorwerpen van verering was ontbrand; het vuur verspreidde zich snel; het onontwijkbaar gevolg – de afgoderij – was daar.

Dergelijke herinneringen aan de Heiland, de maagd Maria, de apostelen en de kerkvaders waren spoedig te voorschijn gehaald. De heiligste overblijfsels (relikwieën), eeuwen lang verborgen gebleven, werden nu in gezichten ontdekt. Zo volkomen gelukte de list van de vijand, dat de gehele kerk in de strik liep. Van de eeuw van Constantijn tot de Arabische overweldiging nam de godsdienstige eerbied voor beelden, schilderijen en relikwieën gestadig toe. De eerbetoning aan relikwieën kenmerkte vooral de kerken van het Westen; die aan beelden van de kerken van het Oosten; doch van Gregorius de Grote af werd ook het Westen gunstiger gestemd jegens de beelden. Tengevolge van het bijna totale verval der letterkunde, zowel onder geestelijken als leken, bleek het gebruik van beelden een niet geringe macht te bezorgen aan de priesters. Schilderijen, standbeelden en zichtbare voorstellingen van heilige dingen werden het meest gebruikte middel om te onderwijzen, vroomheid aan te kweken en godsdienstig gevoel te versterken in het gemoed van het volk. De meer verstandelijk ontwikkelden of verlichten onder de geestelijkheid mochten hun best doen, om het onderscheid te handhaven tussen eerbied voor beelden als hulpmiddel tot, niet als voorwerp van verering; maar de kortzichtige vroomheid van het gewone volk spot met deze spitsvondige onderscheiding. Dat de apologeet (verdediger van een geloofspunt) [2] goed kan onderscheiden tussen beelden als voorwerpen, die eerbied opwekken of als voorwerpen, die worden aangebeden, en dat bij de onkundige en bijgelovige menigte het gebruik van en de eerbied voor beelden onveranderlijk ontaardt in afgodendienst, is voor geen ernstige twijfel vatbaar.

Voor de zesde eeuw ten einde was, had zich de afgodendienst gevestigd in de Oosterse kerk; en gedurende de zevende eeuw maakte zij een geleidelijke en zeer algemene voortgang in het Westen, waar zij te voren enigszins voet gekregen had. Het werd toen gewoonte neer te vallen voor beelden, teneinde daarvoor te bidden, ze te kussen, ze te versieren met edele stenen en kostbare metalen, er de hand op te leggen bij het zweren, ja zelfs om ze te doen dienen als doopgetuigen.

LEO PROBEERT DE BEELDENDIENST AF TE SCHAFFEN. HET EERSTE EDICT

Omstreeks het jaar 726.

Keizer Leo III, bijgenaamd de Isauriër, een vorst met grote bekwaamheden, had de moed tegenover zovele moeilijkheden te proberen de kerk van haar verfoeilijke beeldendienst te reinigen. Daar de geschriften van de partij, die het onderspit delfde, zorgvuldig verduisterd of vernietigd werden, zwijgt de geschiedenis over de beweegredenen van de keizer: maar wij zijn geneigd te geloven, dat Mohammeds nieuwe geloof en voorspoed zeer op Leo werkten. Bovendien was er een tamelijk algemeen gevoelen onder de Oosterse Christenen, dat het de toenemende afgoderij van de kerk was, die de kastijdende hand van God, door middel van de Mohammedaanse overweldiging, over hen gehaald had. De Christenen hoorden gedurig uit de mond van Joden en Mohammedanen de verachtelijke naam van afgodendienaars. De grote strijd over de beelden sproot zeer waarschijnlijk hieruit voort.

Leo beklom de troon van het Oosten in het jaar 717. Na het rijk beveiligd te hebben tegen buitenlandse vijanden, begon hij zich bezig te houden met de godsdienstaangelegenheden. Hij koesterde de ijdele gedachte, dat hij op zijn keizerlijk bevel de godsdienst van zijn onderdanen zou kunnen wijzigen en verbeteren. Tegen het jaar 726 vaardigde hij een edict uit tegen het bijgelovig gebruik van beelden, zonder hun vernieling te bevelen. Wij kunnen niet denken, dat Isauriër hiertoe gedreven werd door vrees voor de ware God; veeleer geloven wij, dat zijn beweegredenen door zelfzucht waren ingegeven. Als hoofd van het rijk en tevens ogenschijnlijk hoofd van de kerk, meende hij door edicten de volkomen en gelijktijdig de uitroeiing van de afgoderij door het het rijk te kunnen bewerken en een kerkelijke alleenheerschappij te vestigen. Maar Leo had zijn tijdelijke macht in geestelijke zaken veel te veel overschat. De tijd was voorbij, waarin keizerlijke edicten de godsdienst van het  rijk omkeerden. Tot zijn diepe vernedering moest hij nog kennis maken met de honende, onbeschaamde en hooghartige opgeblazenheid en macht van de kerkvoogden, zowel als met de godsdienstige gehechtheid van het volk aan zijn beelden.

Het eerste edict verbood alleen het aanbidden van beelden, en bepaalde dat zij zo hoog gesteld zouden worden, dat men ze niet aanraken noch kussen kon. Maar op het ogenblik, dat de onheilige hand van de keizer de afgoden aantastte, werd de opgewondenheid hevig en algemeen. Het verbod omvatte alle klassen: geleerd en ongeleerd, priester en boer, monnik en soldaat, geestelijke en leek; mannen, vrouwen, zelfs kinderen werden betrokken in deze nieuwe beroering. Het edict bewerkte onmiddellijk een burgeroorlog zowel in het Oosten als het Westen. De invloed vooral van de monniken was krachtig. Zij brachten een pretendent naar de troon te voorschijn, wapenden het gemeen [3], en verschenen in een slecht uitgeruste vloot voor Constantinopel. Het Griekse vuur echter bracht de ongeregelde aanvallers ten onder; de aanvoerders werden gegrepen en ter dood gebracht. Leo, getergd door de weerstand die zijn edict opgewekt had, vaardigde een nieuwe en nog strenger edict uit. Hij beval nu de vernietiging van alle beelden en het witten van de muren, waarop dergelijke dingen afgeschilderd waren.

Wordt D.V. vervolgd.

NOTEN BEWERKER:

[1] Hierbij moet men denken aan het eind van de 19e eeuw.

[2] wetenschap der verdediging (bijzonder van het Christendom).

[3] Het laagste en de armste bevolkingsgroep.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol