8 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (42)

Deel 1: 32-814 n. Christus

Hoofdstuk 10 – vervolg (II)

CONSTANTIJN

De godsdienst van Constantijn

Alles wat wij van Constantijns godsdienst weten tot op het tijdstip van zijn zogenaamde bekering, wekt de gedachte op, dat hij uitwendig, hoewel niet met hart en ziel, een heiden was. Eusebius zelf erkent, dat hij op die tijd in twijfel was, welke godsdienst hij zou omhelzen. Staatsbeleid, bijgeloof, huichelarij, ingeving worden beurtelings aangegeven als de enige of overheersende invloed, die over zijn volgend godsdienstig standpunt besliste. Toch zou het onbillijk zijn te vooronderstellen dat zijn belijdenis van het Christendom en zijn openbare getuigenissen ten gunste daarvan opzettelijke huichelarij werden genoemd. Zowel zijn godsdienstige als kerkelijke loopbaan laten een zedelijker en natuurlijker verklaring toe. Ook kunnen wij niet geloven, dat er iets, dat op goddelijke ingeving leek, in zijn verschijning of in zijn droom geweest is. Er moge iets ongewoons nabij de zon, of in de wolken voorgekomen zijn, dat de verbeelding tot een wonderteken van het kruis vervormde; en daarna moge hij in sterk opgewonden toestand een droomgezicht hebben gehad; maar de geschiedenis, zoals zij daar ligt, kan niet dan als een fabel beschouwd worden, die de keizer vleien en zijn grote bewonderaar en lofredenaar  Eusebius welkom zijn moest. Er zullen er op dit ogenblik maar weinigen gevonden worden, die het feit als werkelijk gebeurd aanmerken.

Wij twijfelen niet, of staatkunde en bijgeloof speelden een hoofdrol bij de verandering, die in Constantijns gemoed plaats greep. Van zijn jeugd af aan had hij de vervolging van de Christenen aangezien; en hij moet hebben opgemerkt, dat er in hun godsdienst een levenskracht schuilde, die haar belijders verhief boven de macht van hun vervolgers, en die de ondergang van alle andere stelsels overleefde. Hij had een reeks van keizers gezien, die allen openlijke vijanden van het Christendom waren, maar die voor het grootste deel een afgrijselijke dood stierven. Alleen zijn vader, de beschermer van het Christendom, onder al de keizers van het langdurige vervolgingstijdperk, was geëerd en vreedzaam ten grave gedaald. Zulke sterk sprekende feiten konden niet nalaten op het bijgelovig gemoed van Constantijn hun invloed uit te oefenen. Bovendien kon hij met staatsman-wijsheid berekenen, welke zedelijke invloed het Christendom bezitten moest; hoe het de strekking had om rustige gehoorzaamheid aan het wereldlijk gezag te bevorderen; en hoe bijna de helft van zijn rijk er neiging toe openbaarde.

Maar wij hoeven ons niet langer met de beweegredenen van de keizer bezig te houden; liever nemen wij op dit keerpunt in de kerkgeschiedenis aangekomen, de toestand van de christelijke gemeente in ogenschouw, zoals hij die vond in 313, en zoals hij die achterliet in 337.

De gemeente, zoals Constantijn haar vond

Tot op deze tijd toe was de kerk volkomen vrij en onafhankelijk van de staat geweest. Zij had een goddelijke inrichting, rechtstreeks van boven, en gescheiden van de wereld. Zij maakte voortgang, niet door staatsbescherming, maar door goddelijke kracht, ondanks alle vijandige invloed. In plaats van steun te ontvangen van het wereldlijk gezag, werd zij van het eerste ogenblik af als een vreemde indringster, als een hardnekkig en verderfelijk bijgeloof weerstaan. Tien malen werd de duivel toegelaten de gehele Romeinse macht tegen haar op te zetten en tien malen moest deze macht tegen haar het onderspit delven. Als zij haar trouwbeloften gedachtig gebleven was, zowel als de liefde van Hem, die zegt: “Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, evenals ook Christus de gemeente” (Ef. 5:29), zij zou nimmer de bescherming van Constantijn aanvaard hebben ten koste van haar trouw aan Christus. Maar de gemeente, als geheel genomen, raakte nu in vele opzichten vermengd met de wereld.

Wij zagen vroeger al, dat sinds de dagen van de apostelen, zich een toenemende liefde tot de wereld en tot uitwendige grootheid geopenbaard had. Deze neiging, waarvoor wij allen zo vatbaar zijn, had de Heer in Zijn genade gestuit door de satan toe te laten een vervolging te verwekken. Maar in plaats dat de gemeente deze beproeving als een kastijding uit de hand van de Heer aannam, en haar wereldzin beleed, werd zij de plaats en het pad van de verwerping moe; en dacht zij in het genot van de zonneschijn van de wereld haar Heer toch wel te kunnen behagen en dienen. Deze begoocheling van de satan kreeg haar beslag door middel van Constantijn, al lag dit volstrekt niet in zijn bedoeling. “Welke ook de beweegredenen van zijn overgang mogen geweest zijn”, zegt Milman, “het lijdt geen twijfel, of Constantijn volgde een verstandige en oordeelkundige politiek, door zich liever in verbond dan in oorlog te begeven met een tegenstander, die de welvaart, de kennis, zo niet de bezitting en de bevolking van het rijk voor de helft aan zijn zijde had”.

De vereniging van kerk en staat

In de maand maart van het jaar 313 had te Milaan de afkondiging plaats van het onheilig huwelijk tussen kerk en staat. Het beroemde edict van die datum verleende aan de Christenen onbeperkte toelating, en baande de weg tot de wettelijke vestiging van het Christendom en zijn overwicht over elke andere godsdienst. Openlijk werd dit voorgesteld door de nieuwe keizerlijke standaard, de Labarum. Behalve de eerste letters van de naam Christus en het symbool van Zijn kruis, zag men daaraan het gouden afbeelding van de keizer. Deze tekenen dienden als voorwerpen ter verering, zowel van heidense als christelijke soldaten, om hen tot geestdrift te verwekken ten dage van de strijd. Zo verenigde hij, die de naam heeft van de grote Christenkeizer, in het openbaar de afgodendienst met de aanbidding van de ware God. Vergissen wij ons niet, dan zouden wij zonder aarzelen zeggen, dat hij in die tijd tenminste, een heiden was in zijn hart en een Christen uit militaire overwegingen. Slechts als een bijgelovig soldaat omhelsde hij het Christendom. Op dat ogenblik zou hij met ingenomenheid begroet hebben de bijstand van welke beschermende godheid ook, die hij meende, dat hem de wereldheerschappij kon bezorgen, welke hij najaagde. Wij bemerken geen spoor van christelijkheid, veel minder nog van de ijver van een nieuw bekeerde bij hem; integendeel ontdekken wij gemakkelijk het oude bijgeloof van het heidendom met een christelijk gewaad omhangen. Namen wij dit niet in aanmerking, dan zou de zogenaamde kruisbanier als de vermetelste ontering van de gezegende Heer moeten beschouwd worden. Maar het gebeurde in onwetendheid. Hij legde steeds grote bezorgdheid aan de dag, om zijn heidense soldaten en onderdanen gerust te stellen, en alle vrees weg te nemen wat betreft de veiligheid van hun oude godsdienst. De vroegste edicten van Constantijn, hoewel gunstig werkende voor de Christenen, werden daarom in zulke voorzichtige bewoordingen gesteld, dat alle botsing met de gebruiken en vrijheden van het heidendom moest voorkomen worden. Maar langzamerhand rezen de Christenen in zijn gunst en zijn milde en toegenegen handelingen spraken luider dan de edicten. Niet alleen gaf hij hun de burgerlijke en godsdienstige rechten terug, waarvan zij beroofd waren geworden zowel als de kerken en eigendommen die in de tijd van de Diocletiaanse vervolging waren verbeurd verklaard, maar hij stelde hen in staat door zijn eigen rijke giften nieuwe plaatsen van bijeenkomst te bouwen. De bisschoppen bewees hij grote vriendelijkheid, en gestadig had hij hen om zich heen in zijn paleis, op zijn tochten en in zijn oorlogen. Ook eerde hij de Christenen niet weinig, door de opvoeding van zijn zoon Crispus toe te vertrouwen aan de vermaarde Lactantius, die een Christen was. Maar met al zijn vorstelijke bescherming, matigde hij zich tegelijk de oppermacht aan over de aangelegenheden van de gemeente. Hij verscheen in de vergaderingen van de bisschoppen, mengde zich in hun beraadslagingen, en hield toezicht op de regeling van de godsdienstzaken. Van die tijd af werd in alle officiële stukken de naam “katholiek” (algemeen) op de kerk toegepast.

Constantijn, het hoofd van de kerk en de hogepriester van de heidenen

Na de volkomen nederlaag van Licinius, was het gehele Romeinse gebied onder de scepter van Constantijn tezamen gebracht. In zijn proclamatie aan zijn nieuwe onderdanen in het Oosten, verklaart hij zich voor het werktuig, door God uitverkoren om het ware geloof te verbreiden; en dat God hem de overwinning gegeven had over alle machten van de duisternis, opdat de aanbidding van Hem alleen zodoende algemeen zou worden. In een brief aan Eusebius zegt hij: “Daar de vrijheid nu weer hersteld, en door de voorzienigheid van de grote God en mijn eigen bemiddeling, die draak uit het bestuur van de staat geworpen is, vertrouw ik, dat de macht van God aan allen openbaar is geworden; en dat zij, die uit vrees of ongeloof tot vele misdaden vervallen zijn, komen zullen tot de kennis van de ware God en tot het behoorlijk inrichten van hun levenswijze”. Constantijn nam nu zijn plaats als hoofd van de kerk meer openlijk voor het oog van de wereld in; maar hield tegelijkertijd het ambt van Pontifex Maximus (hogepriester) van de heidenen aan zich. Dit gaf hij ook later niet op, zodat hij stierf als hoofd van de christelijke kerk en tevens hogepriester van de heidenen.

Onder de eerste handelingen van de nu alleen heersende keizer over het Romeinse wereldrijk behoort de intrekking van al de edikten, door Licinius tegen de Christenen uitgevaardigd. Hij bevrijdde alle gevangenen uit de kerker of de mijnen, zowel als van elke vernederende slavenarbeid, waartoe zij veroordeeld waren. Die van hun rang in de burgerlijke of krijgsdienst vervallen verklaard waren, herstelde hij daarin. De hun ontroofde eigendommen werden weergegeven. Alle onderdanen van het rijk werd bij edikt de raad gegeven het evangelie te omhelzen; maar niemand werd gedwongen; het moest een zaak van overtuiging wezen. Toch trachtte hij het Christendom aantrekkelijk te maken door posten en eerbewijzen uit te delen aan proselieten van aanzien, en door het schenken van giften aan de armen, een handelwijze, waarvan Eusebius erkent, dat huichelarij en voorgewende bekering het gevolg waren. Hij beval dat overal kerken zouden worden gebouwd, groot genoeg om, zo nodig, de hele bevolking op te nemen.

Hij verbood het oprichten van beelden van de verschillende goden, en liet niet toe, dat zijn eigen standbeeld in de tempels geplaatst werd. Alle offeranden van staatswege werden afgeschaft en op allerlei manieren trachtte hij het Christendom te verheffen en het heidendom te onderdrukken.

De resultaten van de keizerlijke gunst

Nu zijn wij genaderd tot de overweging van hetgeen voor Christenen van allerlei geloofsbelijdenis, natie en gezindheid het grote historische vraagstuk heeft uitgemaakt, namelijk wat groter schade doet aan de gemeente en Gods volk: op aarde de staatsmacht, die door de wereldlijke middelen waarover zij beschikt, het Christendom zoekt voort te planten, of de aardse macht, die er met geweldige bij de wet geregelde middelen zich tegen aankant? Wij erkennen, dat er veel te zeggen valt voor de grote zegen, verbonden aan een onpartijdig dulden van het Christendom en voor de voordelen, die de maatschappij er uit trekt, wanneer allerlei kwade praktijken door de wet worden onderdrukt; maar begunstiging van overheidswege is altijd verderfelijk gebleken voor de wezenlijke welstand van de gemeente van God. Het is een grote genade, wanneer men de Christenen ongedeerd laat; maar het is een nog grotere genade, wanneer men vrij blijft van vorstelijk beschermheerschap. Het ware karakter van een Christen is dat van vreemdeling en pelgrim hier beneden. Het deelhebben aan Christus, en wel aan Christus, verheerlijkt in de hemel, heeft voor de Christen de gedaante van alle aardse dingen veranderd. Hij is een dienstknecht van Christus in de wereld, hoewel hij niet is van de wereld. De hemel is zijn tehuis; hij heeft hier geen blijvende stad. Wat kan de gemeente verwachten van een wereld, die haar Heer kruisigde? Of liever: wat mag zij van die wereld aannemen? Haar deel is hier te lijden en verworpen te worden, zoals de apostel zegt: “Om uwentwi1 worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen”. De Heer moge zijn volk sparen; maar als verdrukking volgt, moeten wij niet denken, dat ons “iets vreemds” overkomt. “In de wereld hebt gij verdrukking” (Rom. 8:36; Joh. 16:33).

Het getuigenis van de geschiedenis

Maar zelfs uit de geschiedenis geloven wij, dat het bewezen kan worden, hoeveel beter het was voor het Christendom, toen de Christenen voor Christus op de brandstapel stierven, dan toen zij gevierd werden in de paleizen van de koningen, en met vorstelijke gunsten overladen. Tot opheldering zullen wij onze lezers een bladzijde voorleggen uit de geschiedenis van de grote vervolging onder Diocletianus en een uit de schitterendste dagen van Constantijn. Beide ontlenen wij aan Milman, de deken van de St. Paulskerk {St. Paul Cathedral, Londen – bewerker}, die niet verdacht kan worden van ongunstig gezind te zijn geweest jegens de geestelijkheid.

“De vervolging had nu zes of zeven jaar geduurd, (309) maar in geen deel van de wereld toonde het Christendom enig teken van verval. Het was veel te diep geworteld in de geest van de mensen, veel te ver uitgebreid, veel te krachtig georganiseerd, dan dat het deze hevige, maar vergeefse schok niet zou hebben doorstaan. Was ook de openbare eredienst geschorst, de gelovigen kwamen in het geheim samen, of koesterden in het ontoegankelijk verborgene van het hart wat een onvervreemdbaar recht van het geweten is. Natuurlijk drukte de vervolging het zwaarst op hetgeen het uitstekendst was. Die tot bloedens toe weerstonden, gevoelden zich bemoedigd door de tegenwoordigheid van velen, die, indien zij ook niet durfden toejuichen, ternauwernood hun bewondering konden verbergen. Vrouwen stroomden toe om de zoom te kussen van de kleding van de martelaren en hun verstrooide as of onbegraven gebeente werd door de vrome ijver van de eenvoudige gelovigen ingezameld”.

Krachtens het edikt, door de stervende Galerius afgekondigd, hield de vervolging op; en de Christenen werd de vrije en openbare uitoefening van hun godsdienst toegestaan. Deze rusttijd duurde maar enkele maanden. Maar welk een groots schouwspel volgde, en welk een getuigenis voor de waarheid en kracht van het Christendom! Milman vervolgt aldus:

“Het staken van de vervolging toonde tevens haar uitgebreidheid. De kerkerdeuren werden opengeworpen; de mijnen gaven haar veroordeelde arbeiders weer; alom zag men lange rijen van Christenen zich heenspoeden naar de puinhopen van hun kerken, en de plaatsen bezoeken, vroeger door hun gebeden geheiligd. De publieke wegen, de straten en marktpleinen waren, gevuld met lange processies, die dankliederen zongen voor hun bevrijding. Die het geloof behouden hadden onder de vreselijke martelingen ontvingen de toegenegen begroetingen van hun broeders; die in de ure van de beproeving waren bezweken, haastten zich hun zwakheid te belijden, en naar wederopname in de nu juichende kudde te trachten”.

Wij keren ons nu tot de veranderde stand van zaken onder Constantijn, ongeveer twintig jaren na de dood van Galerius. Let op de verbazingwekkende omkeer in de plaats, door de geestelijken ingenomen.

De bisschoppen verschenen geregeld aan het hof; de verschillen onder de Christenen onderling werden nu staatszaken. De kerkvoogd bestuurde nu niet zozeer door zijn erkende meerderheid in christelijke deugd, als wel krachtens het onvervreemdbaar gezag van zijn ambt. Hij verleende toegang in of verwijderde uit de gemeente, dat gelijk betekenend was met opname tot- of afsnijding van de eeuwige zaligheid; hij sprak het vonnis van de ex-communicatie uit, hetwelk de sidderende schuldige terug wierp onder de heidenen, die verloren gingen. Hij had zijn troon in het voornaamste gedeelte van de christelijke tempel; en hoewel hij nog handelde in de tegenwoordigheid en de naam van de raad van de oudsten, was hij niettemin het erkende hoofd van een talrijke gemeenschap, over wier eeuwig lot hij een onbestemde, maar daarom niet minder gebiedende en ontzag inboezemende heerschappij oefende.

Verstandelijke en wijsgerige vraagstukken kwamen in de plaats van het evangelie; en puur uitwendige godsdienst verving het geloof, de liefde en de hemelse gezindheid. Een gekruisigde Heiland, ware bekering, rechtvaardiging door het geloof alleen, scheiding van de wereld waren zaken aan Constantijn onbekend, en misschien nooit onder zijn aandacht gebracht. De samenhang tussen de natuurlijke en de zedelijke wereld was algemeen aangenomen, en maakte de grondwaarheid van een volksgodsdienst uit, die zich, zoals vanzelf spreekt, niet los kon maken van de volkshartstochten. Het mensdom, zelfs binnen de sfeer van het Christendom, ging achterwaarts naar het stroeve jodendom terug; en in zijn geest, zowel als in zijn bewoordingen, begon het Oude Testament het evangelie van Christus te overheersen.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten
Bewerking: © Frisse Wateren – rm

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol