1 maand geleden

Al mijn bronnen zijn in U (3)

Psalm 87 vers 7

5. Christus, de bron van vrede

Voordat onze Heer van de Zijnen afscheid nam, richtte Hij tot hen deze hartverwarmende boodschap: “Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14:27).

De eerste vrede die hier wordt genoemd is die welke Hij voor ons heeft verworven door Zijn werk aan het kruis, dankzij welke onze zonden zijn verzoend en onze schuld is weggenomen. “… na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis” (Kol. 1:20). Vrede is gemaakt, we hoeven het alleen maar te aan te nemen. God is bevredigd door het werk van Christus, en wanneer de zondaar dit gelooft, is er volmaakte vrede tussen God en hem. Het bloed dat aan het kruis vergoten is, is de volmaakte rust van het geweten. De geopenbaarde liefde aan het kruis is de volmaakte rust van het hart. Wij bezitten nu alles. Het is genoeg te geloven, “Want wij die geloofd hebben, gaan in <de> rust” (Hebr. 4:3). “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rom 5:1). Christus is de waarborg van onze huidige positie voor God. God beschouwt ons als aangenaam gemaakt in de Geliefde, omdat wij voor Hem staan in al de volmaaktheid van Christus, als de verheerlijkte Mens. Maar Christus staat ook borg voor onze hoop op wat komen gaat: God heeft ons “van tevoren verordineerd om gelijkvormig te worden aan het beeld van Zijn Zoon”. Kan de ziel meer verlangen? Nee, het is volledig bevredigd; zij bezit een volkomen rust.

De tweede vrede, die de Heer “mijn vrede” noemt, is de vrede die Hij onophoudelijk genoot, ondanks de beproevingen die Hem gedurende Zijn hele weg overkwamen. Deze vrede kwam voort uit de volmaakte gemeenschap die Hij onderhield met Zijn Vader, een gemeenschap die nooit verstoord werd door enige wolk. Dat was zo omdat de Heer Jezus te allen tijde blijk gaf van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en vertrouwen jegens God. “Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng … omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is” (Joh. 4:34; 8:29). Zo geeft een onderworpen wil te midden van beproevingen ons ook gemoedsrust. Door het juk van Christus op ons te nemen – het juk van volkomen onderwerping aan de wil van God – zullen wij rust vinden voor onze zielen. Zoals Hij, moeten wij kunnen zeggen: “Uw wil geschiede!”

Deze dubbele vrede is het deel van iedere gelovige, maar de bron ervan is in Christus alleen. Op de avond van de opstandingsdag horen wij Hem aan de bange discipelen de geruststellende boodschap verkondigen: “Vrede zij u!”. Hierop toonde Hij hun Zijn handen en Zijn doorboorde zijde, bewijzen van een volmaakte verlossing waarop voortaan hun vrede zou rusten (Joh. 20:19-20). Toen herhaalde Hij weer: “Vrede zij u!” (vs. 21), in verband met de zending die Hij hun had toevertrouwd, bij de uitvoering waarvan zij de tegenstand van de wereld zouden ontmoeten. Hij had hun dit reeds daarvan in kennis gesteld: “Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33). Alleen in Christus, de Overwinnaar over de wereld en haar vorst, kan onze ziel vol vrede blijven in de vijandige en onrustige omgeving waarin wij leven. Deze vrede behoort toe aan de ware discipelen van de Heer Jezus. Geroepen om Hem te volgen op de weg waarop Hij zelf is gegaan, gaan zij voorwaarts met hun ogen gericht op Hem, de leidsman en voleinder van het geloof (zie Hebr. 12:2). Welke beproevingen ons ook te wachten staan op deze weg, de vrede van Christus zal heersen in onze harten (Kol. 3:15). De Heer zal ons de wens van de apostel vervullen, die hij richtte tot de vervolgden in Thessalonica: “Moge nu de Heer van de vrede Zelf u altijd op elke manier de vrede geven. De Heer zij met u allen!” (1 Thess. 5:23a; 2 Thess. 3:16).

Voor de gelovige is er een andere veel voorkomende oorzaak van ongerustheid: bezorgdheid. Maar zulke zorgen zijn een belediging voor God. Meer nog, het neemt onze vrede en vreugde in Christus weg. Laten we dus oppassen dat we ons niet bij voorbaat zorgen maken! De Heer zal geenszins “de ijzeren poort” openen voordat wij er voor staan (Hand. 12:10). Heeft Hij niet gezegd: “Weest dan niet bezorgd voor morgen … voor [elke] dag is zijn eigen kwaad genoeg” (Matth. 6:34)? Wat een onbewolkte vrede zouden wij bezitten als wij deze les leerden! De Heer heeft beloofd met ons te zijn alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw (Matth. 28:20). Is dit niet genoeg voor ons? Laten we leunen op de arm van de Almachtige! Hij zal ons zeker leiden tot het einde van onze reis, want Hij is bij machte om “volledig te behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden” (Hebr. 7:25). Als wij werkelijk onze hand in de hand van de Heer Jezus hebben gelegd, houdt Hij ons vast met een steviger greep dan wij de Zijne kunnen vastpakken, en daarin bestaat onze vrede, onze zekerheid, onze vreugde.

Christus, de bron van onze vrede, is de onze en wij hebben alles in Hem. Wie uit deze bron drinkt, heeft de zekerheid van Zijn liefde en Zijn almacht. Met de psalmist kan hij zeggen: “Mij ontbreekt niets … goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven” (Ps. 23:1,6).

6. Christus, de bron van vreugde

Voordat de Heer Jezus naar het kruis ging, zei Hij tegen de Zijnen dat zij tijdens Zijn afwezigheid ook in Hem de bron van hun vreugde zouden vinden. Zoals Hij hun Zijn vrede gaf, wilde Hij hun ook Zijn vreugde geven. “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. Als u Mijn geboden bewaart, zult u in Mijn liefde blijven, zoals ik de geboden van Mijn Vader heb bewaard en in Zijn liefde blijf. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt” (Joh. 15:9-11). Wij hebben hetzelfde deel als wat de Heer Jezus in deze wereld bezat. Wat een voorrecht! Geen eigen wil verhinderde Hem te verblijven in de liefde van de Vader en een volmaakte vreugde te smaken. Zo zal het ook met ons zijn, mits wij in Zijn liefde blijven en Zijn geboden onderhouden. Alleen gehoorzaamheid stelt ons in staat te genieten van de zegeningen die verbonden zijn met onze positie, die Gods genade ons heeft geschonken.

Dit geldt in het bijzonder voor de vreugde in Christus: op de weg van Zijn wil genieten wij van Zijn liefde, en die is dan werkelijk een bron van diepe en onveranderlijke vreugde voor ons. Christus in ons, dat is de vreugde van het hart. Waar Hij is, daar is vreugde. “Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen, laat hen voor eeuwig juichen omdat U hen beschut; laat in U van vreugde opspringen wie Uw Naam liefhebben” (Ps. 5:12). Wanneer onze gemeenschap met Hem verstoord is, zal de vijand als eerste van de zegeningen ons van de vreugde beroven. Het zijn niet de moeilijkheden van de weg die het wegnemen, maar de ongebroken wil, het gebrek aan gemeenschap met de Heer, een verdeeld hart, de werkzaamheid van het vlees. In één woord, het genot van de vreugde in Christus hangt af van onze geestelijke toestand.

Van binnenuit, niet van buitenaf, komt bitterheid en droefheid van hart. Noch omstandigheden, noch mensen zijn in staat de diepe en vreedzame vreugde te verstoren, die elke gehoorzame en trouwe gelovige ten deel valt. De Heer beloofde: “… en niemand neemt de blijdschap van u weg” [1] (Joh. 16:22). Paulus, die met de grootste moeilijkheden te kampen had, kon zeggen: “Ik ben vervuld met troost, ik  vloei over van vreugde bij al onze verdrukking” (2 Kor. 7:4). Toen Hij vervolgens gevangen werd gezet, werd hij blootgesteld aan de intriges van valse broeders die van plan waren verdrukking aan zijn gevangenschap toe te voegen. Had hij nu medelijden met zichzelf? Nee, in plaats daarvan schreef hij aan de Filippenzen: “… daarin verblijd ik mij, ja, zal ik mij ook verblijden.” Hij spoorde hen aan hetzelfde te doen: “Verblijdt u altijd in de Heer! Nogmaals zal ik zeggen: verblijdt u! … Weest in niets bezorgd …” (Fil 1:17,18; 3:1; 4:4,6). Zijn vreugde in Christus was een schat die niemand hem kon afnemen.

Wij vergeten soms dat “Christus aandoen” niet betekent dat wij ons in het kleed van ellende en droefheid hullen, maar dat “gloriekleding” en een “lofgewaad” onze versierselen zijn (Job 16:15; Jes. 61:3). Onder invloed van ongunstige omstandigheden die wij moeten doorstaan, worden wij maar al te dikwijls gekenmerkt door een neerslachtige geest. Maar vreugde is niets ongewoons in het christelijk leven. Het is het teken, dat wij werkelijk en ten volle leven in de liefde van God, geopenbaard in Christus, en dat deze liefde ons genoeg is. “Zie, Mijn dienaren zullen juichen vanwege een hart vol vreugde” (Jes. 65:14). Dit is het voorrecht dat ons is gegeven, het gezegende volk dat de klank van de bazuin kent (Ps. 89:16). “Overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht” – voor ons is dat de heerlijkheid van God, erkend in het aangezicht van Christus – “lieflijkheden zijn in Uw rechterhand” (Ps. 16:11). Wij zijn gewend “in iets” vreugde te vinden, ons “over iets” te verblijden. Maar ware vreugde is niet afhankelijk van “iets”, zij komt van Christus, Die ons zijn eigen vreugde geeft. Hij is het die alle dingen verlicht, zelfs de moeilijkste en pijnlijkste. God beveelt ons niet te vluchten in een droomland, maar geeft ons vreugde, zelfs te midden van het dagelijkse gezwoeg, in het genot van de ware gemeenschap met Hem en met de Heer Jezus. “En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En dit schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is” (1 Joh. 1:3,4).

De dag is nabij waarop onze vreugde compleet zal zijn, de dag waarop we Christus van aangezicht tot aangezicht zullen zien. De belofte die Hij aan Zijn discipelen deed, kunnen wij ook voor onszelf nemen: “… maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden” (Joh. 16:22). Zo moedigt ook de apostel Petrus ons aan ons te verblijden in verdrukking: “… opdat u zich ook verblijdt met vreugdegejuich bij de openbaring van Zijn heerlijkheid” (1 Petr. 4:13). Wat een vreugde zal ons hart vervullen wanneer wij, opgestaan en veranderd, de Heer in Zijn heerlijkheid zullen aanschouwen! In afwachting van die dag hebben wij het voorrecht Hem in geloof te aanschouwen, zodat wij ons nu al “in Hem kunnen verheugen met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde” (verg. 1 Petr. 1:8). Onze vreugde heeft dus reeds het kenmerk van de eeuwigheid hier op aarde.

7. Christus, de bron van kracht

De gelovige heeft geen macht in zichzelf. Dit te erkennen kost ons echter de grootste moeite, omdat de erkenning van onze machteloosheid vernederend is voor het vlees. Wij verlangen “iets te doen”, en onbewust denken wij misschien dat wij daardoor bepaalde verdiensten in de ogen van God kunnen verwerven – tot op de dag dat Hij ons door Zijn Woord, maar vooral door de ellendige vruchten van onze eigen wil, duidelijk maakt, dat wij volstrekt niet in staat zijn tot iets goeds uit onszelf. Maar in Zijn genade toont Hij ons ook, dat wij in Christus de bron van alle kracht en alle wijsheid bezitten. Wij leren, dat alleen hij die in Hem blijft, vrucht kan dragen, en dat wij buiten Hem helemaal niets kunnen doen. “Ik vermag alles door [2] Hem die mij kracht geeft” (Fil. 4:13), weten wij dan uit eigen ervaring. Maar dan leren wij ook, zoals Paulus, dat naarmate wij ons bewust zijn van onze zwakheid, de kracht van Christus zich in ons kan openbaren. “Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2 Kor. 12:10).

Wij zuchten dikwijls onder deze zwakheid, omdat zij een hinderpaal schijnt te zijn. Maar integendeel, het gevoel van onze machteloosheid opent ons de toegang tot de enige bron van kracht, Christus. Hij roept ons toe, zoals tot de apostel: “Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Kor. 12:9), zodat ook wij kunnen roemen in onze zwakheid, zodat de kracht van Christus in ons kan wonen. Wij zijn slechts aarden vaten, zwak en waardeloos in onszelf; de overvloed van kracht zal altijd van God zijn, nooit van ons.

Laten wij daarom ophouden naar onszelf te kijken, hetzij om te trachten in eigen kracht te handelen, hetzij om te zuchten over ons gebrek aan kracht; laten wij liever naar Christus alleen kijken. Onze kracht is in Hem, en staat ons ter beschikking naarmate wij er gebruik van maken, en in ons het geloof bereid vindt, het te ontvangen. “Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte” (Ef. 6:10). In het christelijk leven is alles een gave: van het begin tot het einde is het God die geeft. “En God is machtig alle genade overvloedig te doen zijn jegens u, opdat u in alles, altijd in bezit van al het nodige, overvloedig bent tot alle goed werk …” (2 Kor. 9:8). Tot de genade die God over ons wil laten vloeien, behoort ook de kracht die ons in staat zal stellen om in elk goed werk overvloedig te zijn. Zo worden wij “door Zijn Geest met kracht gesterkt naar de innerlijke mens”“met alle kracht bekrachtigd, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap” (Ef. 3:16; Kol. 1:11). Deze beloften zijn bijzonder kostbaar voor gelovigen die een lange beproeving doormaken en daardoor gemakkelijk aan ontmoediging worden blootgesteld. “In stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn” (Jes. 30:15). Stil blijven, in alles op de Heer steunen en op Hem vertrouwen – dat is wat wij nodig hebben om overwinning te behalen over onszelf en over de vijand. De Heer wil dat onze harten niet ontroerd of bang zijn (Joh. 14:27). De kracht van de verzoeking, waaruit zij ook moge bestaan, ligt in de zwakheid van ons eigen hart, dat dikwijls zo ongelovig is. Satan weet dat heel goed; daarom doet hij pogingen om ons te ontmoedigen, door onze ogen van de Heer af te leiden en ze op onze moeilijkheden te richten. Alle ontmoediging komt van de duivel, nooit van de Heilige Geest: “Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid” (2 Tim. 1:7). Iedere gelovige moet zich dit in gedachten houden en de ontmoediging ontvluchten, zoals hij de zonde ontvlucht.

De onfeilbare bron van hulp is, dat wij ons voeden met Christus, het hemelse manna dat ons sterkt en onderhoudt te midden van de beproevingen, moeilijkheden en verzoekingen, waarmee wij hier op aarde te maken krijgen. “Hij geeft de vermoeide kracht en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft” (Jes. 40:29). Maar zoals Israël geen voorraad manna voor zichzelf kon aanleggen (Ex. 16:16), zo moeten ook wij ons dagelijks met Christus voeden. Hij geeft ons nooit meer kracht dan nodig is voor het huidige moment. Daarom is het belangrijk dat wij volharden in een voortdurende afhankelijkheid van Hem, door ons hart bezig te houden met Zijn persoon. “Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen die boven zijn” (Kol. 3:1,2).

We hebben nu een beetje gekeken naar degene in Wie al onze bronnen zijn. Kijkend naar Zijn schapen zegt Hij: “Ik ben gekend door de Mijnen, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken” (Joh. 10:14,15). Christus te kennen — dat is de kostbaarste schat van het geloof. Dit is het deel van hen die de apostel Johannes ‘vaders’ noemt: “Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent die van [het] begin af is” (1 Joh. 2:13). Maar de Heer Jezus verlangt, dat de Zijnen Hem allen kennen, “zoals de Vader Mij kent,” zegt Hij, “en Ik de Vader ken” (Joh. 10:15), dat wil zeggen, op volkomen wijze. Alles wat ertoe bijdraagt te groeien in de kennis van Zijn heerlijke Persoon, in Zijn liefde en in alle rijkdommen die Hij voor ons heeft verworven, helpt onze genegenheid voor Hem en onze gemeenschap met Hem te versterken, Hem werkelijk aanwezig te laten zijn in ons leven en ons om te vormen naar Zijn beeld. “Want te leven is voor mij Christus” (Fil. 1:21), schreef de apostel aan de Filippenzen. Ook zei hij: “Weest samen mijn navolgers, broeders” (Fil. 3:17). Wat was zijn geheim? Hij richtte zijn ogen op Christus en achtte alles schade, vanwege de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, zijn Heer (Fil. 3:7,8). Hij had slechts één verlangen: “Christus te winnen,” “Christus aan te grijpen,” ”Hem te kennen.”

Willen we Zijn voorbeeld niet volgen?

 

NOTEN:
1. Anderen lezen ‘zal … wegnemen’.
2. Letterlijk ‘in’, dit is in de kracht van.

 

Marc Tapernoux; © www.haltefest.ch

Jaargang 1970; bladzijde 225

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW