2 weken geleden

Al mijn bronnen zijn in U (1)

Psalm 87 vers 7

 

In deze Psalm wijzen de zonen van Korach op de vreugde die in Jeruzalem zal heersen tijdens het Duizendjarig Rijk. De zegeningen die het deel zullen zijn van het herstelde Israël hebben hun oorsprong in degene “die daar geboren zijn” (vs. 4), in de eens verworpen koning. Als zij “die in rijen dansen, zingen”, dan zullen zij zeggen: “Al mijn bronnen zijn in U!” (vs. 7).

De toekomst van de gelovigen van de huidige bedeling is nog heerlijker, daar de hemelse zaligheid ver uitstijgt boven de zegeningen van Israël onder de heerschappij van Christus. Door het geloof kunnen wij nu al iets genieten van de toekomstige vreugde, als wij wandelen in de kracht van “de hemelse roeping van God in Christus Jezus” (Fil. 3:14; 1 Thess. 2:12). Laten wij daarom reeds hier op aarde waarmaken, dat al onze bronnen in Christus zijn, en “buiten Hem” geen andere zoeken! Christus, de bron van alle genade die ons geschonken wordt: wat een rijkdom! Hij is de Bron

  • van leven;
  • van licht;
  • van liefde;
  • van genade;
  • van vrede;
  • van vreugde;
  • van kracht.

 

Ongetwijfeld kan men nog andere toegevoegen, maar wij willen onze beschouwing beperken tot deze genoemde gunsten, die stuk voor stuk kostbare juwelen zijn in de schatkist van het geloof.

1. Christus, de bron van leven

De bron van ons nieuwe leven is in Christus. Hij is het die leven geeft. “… zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil” (Joh. 5:21). Nergens wordt gezegd, dat het eeuwige leven in onszelf is, want wij bezitten het alleen in Christus (1 Joh. 5:11-13). In Hem, het vleesgeworden Woord, “was leven” (Joh. 1:4). Hij kwam naar de aarde, opdat Zijn schapen “leven hebben, en het overvloedig hebben” (Joh. 10:10). “Omdat Ik leef, zult ook u leven” (Joh. 14:19).

Christus is dus ons leven, wij bezitten niets buiten Hem, en als wij dit door het geloof verwezenlijken, kunnen wij met de apostel Paulus zeggen: “… en ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20). Dan zullen de vruchten van het leven van Christus in ons openbaar worden, en kunnen de mensen het water zien stromen uit de bron die “met Christus verborgen is in God” (Kol. 3:3). Daartoe moeten wij in Hem blijven, zoals de rank uit zichzelf geen vrucht kan dragen, maar in de wijnstok blijft. “Blijft in Mij en Ik in u … wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen” (Joh. 15:4,5).

Christus is ook nu nog de geslagen Rots waaruit het water van het leven ontspringt. Wie van dit water drinkt, zal in eeuwigheid geen dorst hebben, maar het water dat Christus hem zal geven, zal in hem worden tot een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven, en stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien (zie: Joh. 4:14; 7:37-38). De gelovige heeft zijn dorst gelest in Christus; in Hem heeft hij gevonden, wat alle behoeften van zijn ziel bevredigt. De Geest in Hem is niet alleen een fontein van levend water, dat springt tot in het eeuwige leven, maar uit Hem stroomt ook levend water dat de dorst lest van hen die nog dorst hebben. Hij is tot overvloeiing gevuld, zodat zijn mond spreekt van de heerlijkheden die zijn hart geniet, en zo maakt hij anderen deelgenoot van deze rijke zegening.

Terwijl hij in de woestijn wandelt, heeft de gelovige het voorrecht onophoudelijk te putten uit de bron van levend water; want daardoor wordt dit leven ondersteund, vernieuwd en versterkt. “Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is, en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop. Hij merkt het niet als er hitte komt, zijn blad blijft groen. Een jaar van droogte deert hem niet, en hij houdt niet op vrucht te dragen” (Jer. 17:8).

De geestelijke Rots waaruit wij onderweg onze dorst lessen, zal ons niet alleen vergezellen tijdens onze woestijnreis (1 Kor. 10:4), maar zal dan ook aanwezig zijn in de heilige stad, in het hemelse Jeruzalem. Daar zal de rivier van het water van het leven, blinkend als kristal, voortkomen uit de troon van God en het Lam. Dat zal het leven zijn in al zijn verheven kracht en volheid, geopenbaard in zijn eigen domein, waar alles er volkomen mee in overeenstemming is. “De beekjes van de rivier verblijden de stad van God, het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste” (Ps. 46:5). De boom van het  leven zal er zijn wortels in uitstrekken; hij zal twaalf vruchten dragen en elke maand zijn vrucht geven (Openb. 22:1,2). Tenslotte, bij het aanbreken van de eeuwige dag, horen wij de Alpha en de Omega nog eenmaal uitroepen: “Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet” (Openb. 21:6). Christus zal dus de bron van levend water zijn tot in alle eeuwigheid, waaraan allen die hier op aarde gehoor hebben gegeven aan de oproep van Zijn genade, “Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken,” zich zonder einde kunnen verkwikken.

2. Christus, de bron van licht

De mens in zijn natuurlijke staat is niet alleen zonder leven, maar ook zonder licht. Ingesloten in de duisternis van de zonde, is hij niet in staat Gods wil te kennen en alle dingen te beoordelen naar Zijn gedachten. Maar God heeft in Zijn genade hem uit deze toestand van dood en morele duisternis willen bevrijden door hem goddelijk leven en licht te schenken in Christus, het vleesgeworden Woord. “In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen … Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en iedere mens verlicht” (Joh. 1:4,5,9). Het licht scheen in de baarmoeder van de duisternis toen de Zoon van God in een menselijk lichaam naar deze aarde kwam: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft [Hem] verklaard” (Joh. 1:18). Zijn aanwezigheid in deze wereld verlichtte alle dingen. In Zijn laatste oproep aan Zijn volk kon Hij zeggen: “Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft” (Joh. 12:46).

Ook vandaag nog verkondigt Christus door het evangelie: “Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Joh. 8:12). Deze boodschap is tot iedere zondaar persoonlijk gericht. Wie het in geloof aanneemt, bezit het ware licht, het licht van het leven. Christus wordt zo voor iedere gelovige de bron van licht, die hem in staat stelt Jezus zonder struikelen na te volgen. Eens duisternis, nu zijn wij “licht in de Heer”. Wij kunnen echter niet wandelen als “kinderen van het licht” (Ef. 5:8), tenzij wij werkelijk afgezonderd zijn van deze wereld van duisternis. “Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?” (2 Kor. 6:14). Als wij als kinderen van het licht wandelen, weten wij te onderscheiden, wat de Heer welgevallig is en brengen wij “de vrucht van het licht” voort, dat is “in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid” (Ef. 5:9). De goddelijke natuur in ons beoordeelt alles, wat daarmee niet in overeenstemming is in ons innerlijk en in onze wandel, en leidt ons door de werkzaamheid van het Woord en de Heilige Geest tot afzondering van het kwaad in al zijn vormen.

Alleen op deze voorwaarde zullen wij het licht van Christus om ons heen weerspiegelen. Wij zullen een getuigenis zijn te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder wij zullen schijnen als lichten die het woord van het leven vertonen, onberispelijk en rein, onbesproken kinderen van God (zie: Fil. 2:15,16). Onze Heer Jezus zelf heeft gezegd: “U bent het licht van de wereld; een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn” (Matth. 5:14). Wat een voorrecht, maar ook wat een verantwoordelijkheid: het licht van de wereld, zoals Christus zelf! Allen zijn “zonen van [het] licht en zonen van [de] dag. Wij zijn niet van [de] nacht of van [de] duisternis” (1 Thess. 5:5). Laten we ons bewust zijn van de verantwoordelijkheid die op ons rust!

Wanneer Christus in heerlijkheid verschijnt, zal het licht in al zijn pracht schijnen en de duisternis van deze wereld verdrijven. Spoedig zal het zover zijn, want “de nacht is ver gevorderd en de dag is nabij” (Rom. 13:12). Alle zonen van het licht zullen met deze heerlijkheid worden omgeven. De heilige stad heeft noch de zon noch de maan nodig om haar te verlichten, want de heerlijkheid van God zal haar verlichten, en het Lam, de bron van het goddelijk, ongeschapen licht, is haar lamp. Zij zal dit licht op de gehele aarde weerkaatsen, en de volken zullen door haar licht wandelen (Openb. 21:23, 24). Zo zal onze arme wereld, nu gehuld in de duisternis van de zonde, verlicht worden door hemelse heerlijkheid tijdens het Duizendjarig Rijk. Moge dit verheven vooruitzicht tot onze ziel doordringen en in ons het verlangen aanwakkeren om ook hier op aarde te openbaren, dat wij allen zonen van het licht en zonen van de dag zijn.

 

Marc Tapernoux; © www.haltefest.ch

Jaargang 1970; bladzijde 161

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW