15 jaar geleden

Afgodendienst

Al aan het begin van de morgen voordat het proefwerk begon in klas 12, zet een meisje een kleine pluchen beer voor zich op de tafel neer, naar de proefwerkopgaven toegewend; op mijn vragende blik zegt zij: “Hij helpt mij bij de concentratie, en ik kan veel beter nadenken wanneer hij mij aankijkt”. Amulet, bijgeloof, afgoderij … een amulet, ja, dat zou zij nog toegeven, maar afgodendienst? In het algemeen zullen de mensen dat in onze dagen ver van zich afwerpen, dat is iets wat men in Afrikaanse landen, bij de primitieven volken en culturen heeft, en vroeger bij de oude Germanen en de Grieken en Romeinen met hun “afgoderijfamilies”.

Wat is afgoderij? In de heilige Schrift wordt het onder twee aspecten genoemd. Enerzijds materieel, dat betekent met materiele offers aan afgoden verbonden; anderzijds moreel, dat betekent in het denken en in de instelling van het hart.

I.

Afgodendienst is de verering van andere “goden” in plaats van de ene, ware eeuwige God, in de vorm van beelden of afgoden. Deze afgodenverering vond al zeer vroeg in geschiedenis van de mensheid ingang, zij werd al door de voorvaderen van Abraham in Chldea gepraktiseerd (vergelijk Jozua 24:2). Bij het gezin van Jakob bevonden zich”terafims” , zogenaamde huisgoden die het huis bewaken moesten (Genesis 31:34; 35:2); en in Ezechiel 20 spreekt de profeet van de goden van Egypte die het volk van Israel niet verliet (vers 8), en daarvan dat “hun ogen achter de drekgoden van hun vaderen waren” (vers 24). Met grote droefheid en met toorn zegt God door Ezechiël tot Zijn volk: “Zijt gij verontreinigd geworden in de weg van uw vaderen, en hoereert gij achter hun verfoeiselen? Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe …!” (Ezechiel 20:30-31).

Het volk heeft zich steeds weer aan de afgodendienst van de buurvolken, de Baal van de Kanaänieten, de Molech (Milkom) van de Ammonieten, de Astoreth van de Sidoniërs (1 Koningen 11:5-7) overgegeven, met alle verschrikkelijke gevolgen ook voor hun leven als volk. Het is absoluut een van de grote themas van de profeten om het volk Israel van de afgodendienst weg tot verering van de ware God, de “verbonds-God” Jehovah (Jahweh) terug te brengen.

Ook het feit dat het volk Israël zich een beeld, het gouden kalf, gemaakt had en het als de “god die u uit het land Egypte uitgeleid had” aanduidde, was afgodendienst. Daarom begrijpen wij ook waarom God als het eerste van Zijn geboden aan het volk zei: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geengesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in den hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God” (Exodus 20:3-5; Deuteronomium 5:7-9).

Daarbij komen duidelijke uitspraken over de nietigheid van de afgoden: “De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut” (Jesaja 44:9); en van hout wordt gezegd: “Dan is het voor den mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neer” (Jesaja 44:15).

“Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt” (Psalm 96:5; vergelijk ook Psalm 31:7). Het woord “nietigheid” en het woord “afgoden” is in het Hebreeuws hetzelfde begrip. Ook het in het Nieuwe Testament gebruikte Griekse woordeidolon voor “afgoden” (waarvan ons vreemde woord “idool” is afgeleid) betekent zoveel als “schaduwbeeld” en maakt duidelijk hoe waardeloos, nietig en levenloos de afgoden zijn. Deze kennis mag ons er zeker niet toe brengen te menen, dat de afgoden helemaal niet bestaan. Wanneer apostel Paulus zegt: “dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen God is dan Een” (1 Korinthe 8:4), dan zegt hij ook dat achter de afgoden-offers demonen staan, en “maar dat wat de volken offeren [namelijk de afgoden-offers], zij dat aan de demonen offeren en niet aan God” (1 Korinthe 10:20). In de heidense omgeving in Korinthe was alle vlees dat op de markt verkocht werd, voor de afgodenoffers geslacht. Omdat een afgodenoffer niets is, was er aanvankelijk niets tegen zulk vlees te eten, maar met de beperking dat het geweten van een medebroeder daardoor niet gekwetst werd (vergelijk 1 Korinthe 8:10-13). De deelname aan een afgodenoffermaaltijd zelf – aan een “tafel van de demonen” – betekende daarentegen verbinding met demonen, en dit was en is voor de Christen absoluut onmogelijk (1 Korinthe 10:21). “Ik wil niet dat u gemeenschap hebt met de demonen” (vers 20).

Vandaag schijnt er in onze zogenaamde Christelijke landen geen afgodendienst meer te zijn (hoewel er ook op dit Christelijk terrein de verering van “beelden” zijn!). Het is waar dat er hier geen afgodentempels in de zin van de oude Griekse afgodendienst zijn, maar zijn er niet een hele rei van “voorwerpen”, bijvoorbeeld zulke amuletten of talismannen, waaraan een of andere geheimzinnige krachten toegeschreven worden? Is er vandaag niet weer veel bijgeloof, dat wil zeggen “geloof in fabelachtige wezens, geesten, toverachtige krachten, geloof in de voorspelbaarheid van de toekomst, ook in de verschijning van buitenaardse wezens”? Juist in de laatste tientallen jaren is het bezig zijn met deze dingen stormachtig toegenomen: in bijna iedere krant vindt men een horoscoop, films over het “buitenaardse” trekken miljoenen mensen en raken in hun ban. Boeken over de toekomst worden in hoge oplagen verkocht, terwijl de mensen zich van God afwenden en zich daarom in zulke fenomenen interesseren. Overigens heeft het Woord van God dit al voor de latere tijden beschreven: “De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezig houden met verleidende geesten en leringen van demonen die in huichelarij leugen spreken …” (1 Timotheüs 4:1-2). Nog erger zal het in het toekomstige Romeinse rijk zijn, wanneer er een echte terugkeer naar de afgodendienst zal zijn: “En de overigen van de mensen … bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen, dat zij niet aanbaden de demonen en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen kijken, niet horen en niet lopen” (Openbaring 9:20).

II.

Afgodendienst wordt in het Woord van God ook onder een moreel aspect beschouwd. De Heer Jezus Zelf heeft in de zogenaamde bergrede gezegd: “Niemand kan twee heren dienen … U kunt niet God dienen en Mammon” (Mattheüs 6:24) [Mammon is een Aramees woord voor rijkdom, geld; hier als persoon voorgesteld – vertaler]. Met “Mammon” wordt het geld, de winst en dat “waarop men zich verlaat” bedoeld. Het wordt in de plaats van het vertrouwen op God, ja in plaats van God Zelf gesteld. In deze zin wordt ook in Efeze 5:5 een (c)hebzuchtige(c) een afgodendienaar genoemd (zie ook Kolosse 3:5). Hij doet alles om iets in zijn bezit te krijgen, hij is uitsluitend op zichzelf gefixeerd. Zelfs het lichamelijk genot kan tot afgoderij worden: “hun God is de buik” (Filippi 3:19). Hier is ook deeigenwil aan toe te voegen, dat “afgoderij en beeldendienst” (1 Samuël 15:23) is.

Wat kan zich alles tussen God en mijn hart stellen – dingen of ook personen of mijn eigen ik! Dat alles zijn afgoden die in het hart de plaats, die God toebehoort, innemen. Luther heeft eens gezegd: “Waaraan je hart hangt, dat is je God”. Ieder van ons heeft daarom zeker aanleiding te onderzoeken, hoever het huidige welvaartsdenken met al zijn wensen en begeerlijkheden zijn denken en handelen gevangen neemt. Wij mogen aan de ernstige vermaning van de apostel Johannes niet voorbijgaan: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1 Johannes 5:21).

Rainer Brockhaus, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW