8 maanden geleden

Acht het enkel vreugde

“Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt, daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt. Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen1 bent, terwijl het u aan niets ontbreekt. Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden” (Jak. 1:2-5).

Luisteren naar Jakobus is een vruchtbare en gezonde oefening. Dat is waartoe hij ons aanspoort: “Hoort, mijn geliefde broeders!” (Jak. 2:5). Dat te praktiseren is gelijktijdig ook ontnuchterend. Want we ontdekken daardoor, dat we ver verwijderd zijn van de normen die hij stelt. Dat wordt al vanaf het begin duidelijk.

“Mijn broeders”, zegt hij, “Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt”. De verzoekingen waar hij over spreekt, zijn de dingen die ons op de proef stellen. Ze kunnen natuurlijk komen in de vorm van verzoekingen, die, zoals vers 14 aangeeft, voortkomen uit onze eigen begeerten. Maar anderzijds ook niet. God verleidt ons nooit. Maar Hij laat verzoekingen van buitenaf toe om de ”beproefdheid van ons geloof” aan te drijven; dat wil zeggen, om ons geloof op de proef te stellen. Alles wat waardevol is, moet worden beproefd en God hecht veel waarde aan geloof.2

Elk jaar lopen duizenden verzoeken via een Londens Patentbureau, maar slechts weinigen ervan zijn werkelijk iets waard. Wanneer de verzoeken door ervaren mensen worden gecontroleerd, schudden ze meestal alleen maar hun hoofd en verwerpen het idee als onwerkbaar. Maar als ze voorstellen om een model te maken om het eens uit te testen, is de uitvinder gelukkig. En hij is des te gelukkiger als het model tijdens de test functioneel en nuttig blijkt te zijn. Het is echter triest wanneer een uitvinding niet eens de moeite waard is om te worden getest. Welnu, geloof is bijzonder kostbaar om beproefd te worden, en inderdaad, we kunnen God prijzen wanneer we dit kostbare goed bezitten, en we een dergelijke beproeving met vreugde tegemoet kunnen treden.

Maar is dit ook de houding waarin we de beproevingen van vandaag {geschreven in de tijd van de Tweede Wereldoorlog} tegemoet treden? We moeten die vraag ieder voor onszelf beantwoorden, en als we die dan eerlijk beantwoorden, zullen de meesten van ons geen reden tot ijdelheid vinden. Onze beproevingen onderscheiden zich zeker van elkaar en zijn zeer divers. Voor velen blazen de winden van tegenspoed uit alle vier de richtingen tegelijk. Hun huizen zijn vernietigd; hun bedrijven zijn beschadigd; hun families verstrooid; sommige familieleden zijn gewond of zelfs gedood; en hun vreugde in christelijke gemeenschap werd grotendeels ontwricht toen de samenkomsten werden opgeheven. Anderen hebben niet in dezelfde mate geleden. Toch ontmoeten ze op verschillende manieren tegenspoed en hun oude, stille leven van goedgeordende christelijke voorrechten wordt verstoord. Beschouwen we zulke dingen als enkel vreugde?

Een dergelijke moeilijke situatie moet men, zo geloven wij, met aanzienlijke kracht tegemoet getreden worden. Maar onze kracht kan alleen voortkomen uit het bewustzijn, dat we in Christus een rijke overvloed hebben. We zijn dankbaar te kunnen getuigen, dat we geen stem van gemor en ontevredenheid hebben gehoord: er is een stille volgzaamheid en acceptatie voor wat God heeft toegestaan. Dit is zeker goed, maar niet waar Jakobus het over heeft. Zo vaak accepteren we gewoon ons eigen lot en reageren we er kalm of zelfs in vol vertrouwen op. En toch worden we niet door vreugde gekenmerkt.

Wat zal ons in zulke omstandigheden in staat stellen om ons te verheugen? Wel, alleen die dingen waar Jakobus het nu over heeft. We moeten weten dat alle omstandigheden er naartoe werken om ons geloof te beproeven. Deze beproeving zal onze volharding bewerken; een eigenschap die God zeer waardeert. Het ligt waarschijnlijk alleen maar in de natuur van bepaalde dingen, dat ze aan een langdurige beproeving onderworpen moeten worden. Om deze reden wordt ons ook verteld, dat we bij volharding het volledige “eindexamen” moeten afleggen. Dit proces is niet iets dat haastig afgehandeld kan worden. Om dat doel te bereiken, loont zich heel die lange weg. Het doel is om volmaakt en volkomen te zijn en dat het aan niets ontbreekt (vs. 4). Wanneer de beproevingen eens zorgvuldig verwerkt zijn, zullen we tot volmaaktheid komen: namelijk als afgestudeerden van de  school van God.

“Och heden”, roepen we uit, “hoever zijn we vandaag nog van zo’n volmaaktheid verwijderd!” De waarheid dwingt ons juist om zo te spreken, en deze tekortkoming wordt door Jakobus in het volgende vers besproken. Dus het doel is om volmaakt en volkomen te zijn en dat het ons aan niets ontbreekt; maar onmiddellijk daarna staat er: “Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt …”. Hoe vaak laten beproevingen in dit opzicht ons ‘ontbreken’ zien! Een kind huilt wanneer er iets misgaat en het gekwetst wordt; meestal omdat het hem simpelweg aan inzicht ontbreekt. Zij of hij kan de reden niet verklaren, noch begrijpen wat er is gebeurd, noch het doel ervan begrijpen. Maar een volwassen persoon zal van een vergelijkbare situatie meer begrijpen en uit de tegenspoed voordeel willen halen. Maar wijsheid is meer dan alleen begrip. Een wijs man is iemand die de dingen die hij begrijpt met inzicht kan gebruiken en toepassen.

Keer op keer onthullen de beproevingen ons gebrek aan wijsheid. Hoe wonderbaar dat we dan wijsheid van God kunnen vragen, die het groots en onvoorwaardelijk geeft. Wijsheid moet ons worden gegeven. Een wijs inzicht in Gods daden en wegen kan onmogelijk vanuit onszelf komen wanneer het ons niet door God gegeven wordt. Daarom zal Hij ook Zijn vinger niet opheffen, alsof we geen wijsheid nodig zouden hebben. Het is ons geloof dat wordt beproefd. Daarom is geloof in ons verzoek zelf een sine qua non, dus een noodzakelijke voorwaarde. Daarom zeggen we met vertrouwen dat als God ons al Zijn wijsheid rijkelijk schenkt, Hij ook voor ons op gelijke wijze in al het andere zorgen zal voor wat we nodig hebben, terwijl de beproevingen hun loop nemen.

Jakobus bewijst niet alleen dat de beproevingen nuttig zijn. Paulus spreekt nog meer in details hierover in Romeinen 5. Nauwelijks heeft hij de rechtvaardiging afgehandeld, dat door het geloof ons deel geworden is, of hij gaat verder met ons te onderwijzen over de volmaakte vruchten van de verdrukkingen. Hij vermeldt niet alleen geduld of volharding, maar ook beproefdheid, hoop en liefde van God die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is (zie: Rom. 5:3-5). Zo zegt ook Petrus in het laatste hoofdstuk van zijn brief: “De God nu van alle genade, die u heeft geroepen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus <Jezus>, Hij zal u, nadat u een korte tijd geleden hebt, volmaken, bevestigen, versterken, grondvesten.” (zie: 1 Petr. 5:10). Hij wijst er dus op, dat God ons lijden gebruiken kan om ons te volmaken, te bevestigen, te versterken en te grondvesten. Misschien zijn we geneigd om uit te roepen: “Al deze moeilijkheden en tegenslagen hebben een angstaanjagend effect op mijn geest”. Maar in onze toewijding aan de God van alle genade, zullen al deze dingen juist het tegenovergestelde effect hebben, en we zullen daardoor tot rust komen.

Het is zeker wenselijk dat we volmaakt en volkomen zijn en aan niets gebrek hebben (Jak. 1:4). En als we dit doel volgen, zullen we ook in staat zijn ons te verheugen. Jakobus stelt zich echter met een beperkte hoeveelheid vreugde niet tevreden. Hij zegt: “Acht het ENKEL vreugde!” Natuurlijk zou een vreugde van vijftig procent niet onbetekenend zijn, maar we worden vermaand ons honderd procent te verblijden. Een volkomen maatstaf! Maar de Bijbel geeft ons dat altijd.

De hoge normen van Jakobus zouden ons moeten aanmoedigen om in geloof alles te vragen van onze God, Die ons zo rijkelijk geeft. En dan zullen we op onze moeizame weg niet moedeloos en terneergeslagen zijn, maar in de kracht en vreugde van ons hart.

NOTEN:
1. Of ‘heel’ (tweede ‘geheel’ in 1 Thess. 5:23).
2. Nog enkele gedachten omtrent Jakobus 1 vers 13-16. Iemand schreef daarover het volgende: <<Hoe gemakkelijk zijn wij ertoe geneigd, God aan te wijzen als de oorzaak van verzoekingen die uit ons eigen hart voortkomen. We moeten onszelf op dit punt niet misleiden. De verzoeking van binnenuit wordt niet door God bewerkt, maar komt uit onze eigen bozen natuur. De verzoeking die hier bedoeld wordt is niet dezelfde als die in vers 2, hoewel God de verzoekingen  van vers 2 en 12 kan combineren met die van vers 13 om ons te laten zien dat ons vlees onbetrouwbaar en slecht is. In vers 2 is de verzoeking  er een die dient tot beproeving van ons geloof en kan ze door God gewild zijn, hier is de verzoeking  een verlokking door de eigen begeerten innerlijk. Zulke verzoekingen en komen niet van God, want Hij kan niet verzocht worden door het kwade. Hij staat immers boven al het kwaad. Ook de Mens geworden Zoon van God, God geopenbaard in het vlees, kon niet verzocht worden door dit innerlijke kwaad. Bij de verzoeking  in de woestijn kwam de satan tot de Heer met verzoekingen van buitenaf, maar hij kon geen verzoekingen van binnenuit bewerken, omdat de Heiland zonder zonde was. De Heer Jezus kende de zonde niet, zodat de satan met zijn uiterlijke verzoekingen geen aanknopingspunt kon vinden in het hart van de Heer. Onze Heiland bewees in alles rein te zijn, ook van innerlijk kwaad. Ja, Hij was de grote overwinnaar over de duivel. Hoe duidelijk bleek bij Hem dat God niet verzocht kan worden door het kwade. Hij sprak: “… de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets” (Joh. 14:30 – FW). Gelukkig dat Hij zo heilig en gescheiden van alle kwaad is. God verzoekt daarom ook niemand. Ook deze uitspraak verdient een weinig aandacht, omdat men op plaatsen in het Oude Testament kan wijzen waaruit duidelijk blijkt dat God wel mensen in verzoeking brengt (Gen. 22:1) of verzoeking toestaat, zoals bij Job. Deze tekst in Jakobus moet daarom in zijn verband gelezen worden. Duidelijk blijkt dan dat met deze verzoeking gedoeld wordt op innerlijk kwaad, dat uit het hart van de mens voortkomt: kwade overleggingen, hoererijen, diefstallen, moorden, overspel, overspel, hebzucht, boosheden, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand (Mark. 7:21-23), enz. Vandaar dat Jakobus ook verder gaat met vers 14: “Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerten meegesleept en verlokt wordt”. Hij schildert ons voor ogen hoe dat gaat, met alle gevolgen die aan de verzoekingen verbonden zijn. Het is als met een vrouw die zich laat leiden door verkeerde seksuele verlangens. Eerst is er de begeerte, die meesleept en verlokt. Dan komt de bevruchting. Vervolgens wordt de vrucht van de verkeerde begeerten openbaar: de zonde (de verkeerde, wetteloze daad) wordt gebaard. Dit kind wordt groter en groter, tot het volwassen, voleindigd is. En na de volwassenheid volgt de dood! Hoe ernstig moeten we daarom letten op de vermaning, speciaal tot de geliefde gelovigen gericht: “Dwaalt niet, mijn geliefde broeders”. Schrijf God niets ongerijmde toe en bewaar uzelf voor deze verzoeking, door te zien op de gevende God en de verkeerde gedachten direkt te veroordelen.>>

 

F.B. Hole; © www.bibelstudium.de

[Vertaald in het Duits uit “Scripture Truth’ door Kyung-Hee Hong. Met kleine inkortingen / wijzigingen van het origineel.]
Online in het Duits sinds 10.12.2006.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW