5 jaar geleden

Aanbidding – les 12

12. Mephiboseth

We hebben al vaker gemerkt dat het Oude Testament een "prentenboek" is, waarin we mooie voorbeelden van dat, wat we in het Nieuwe Testament vinden. Wij slaan nu 2 Samuel 9 op en willen zien wat we daaruit allemaal kunnen leren. Om u te helpen het verhaal te begrijpen, moeten we eerst eerst Samuel 18:1-5, 2 Samuel 4:4 en 2 Samuel 5:8 en pas dan 2 Samuel 9 lezen.

Na David zijn rechtmatige plaats als koning over het volk van Israël had ingenomen, nam hij geen wraak op de nakomelingen van Saul, hoewel deze hem jarenlang hadden vervolgd. In plaats daarvan wilde hij hen goedheid bewijzen. Lijkt David daarin niet op onze God en Vader, die verloren zondaars begenadigt en goedheid aan hen bewijst? Hij kan dat doen om wille van Zijn geliefde Zoon, die Hij aan het kruis voor ons overgegeven heeft.

David, de jongste van de acht zonen van Isaï, stelt ons dus God, de Vader voor ogen. Jonathan, de oudste zoon van Saul, kunnen we zien als een beeld van de Heer Jezus. Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de kleinzoon van Saul, geeft een treffend beeld van de onbekeerde mens, dat wil zeggen van u en mij, zoals we vóór onze bekering waren. Ziba, de knecht van Saul, zou misschien als een beeld van de Heilige Geest gezien kunnen worden.

1. Wat zegt 1 Samuël 18 vers 1-5 over de relatie tussen David en Jonathan?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

2. Geef een korte beschrijving wat u in 2 Samuel 4 vers 4 gelezen hebt (Saul en Jonathan waren in de strijd tegen de Filistijnen):

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

3. Hoe dacht David over lammen en de blinden (2 Samuël 5:8)?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

U vraagt zich waarschijnlijk af: "Is dit nu de houding van een gelovig man? Zoiets kan toch niet!" Dat klopt! In de periode van genade, waarin wij leven, is dat onvoorstelbaar! Maar we moeten hier kreupelheid en blindheid symbolisch of geestelijk verstaan.

4. Denk daarom eens goed na over waarvan kreupelheid en blindheid een beeld zou kunnen zijn:

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

5. Wat wilde David (een beeld van God de Vader) graag doen (2 Samuël 9:1)?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

Op welke grond?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

Wat is het eerste dat van Mefiboseth, de zoon van Jonathan, gezegd wordt (2 Samuël 9:3)?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

6. Hoe heeft Mefiboseth waarschijnlijk zich gevoeld toen hij bij de koning geroepen werd?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

Vinden we in dit verhaal niet uw en mijn geschiedenis? Heeft God niet ook ons goedheid willen bewijzen voor dat, wat de Heer Jezus gedaan heeft? Zijn we niet tot Hem geroepen door de Heilige Geest? En hoe stonden wij daar voor Hem?

7. Wat doet Mefiboseth toen hij bij David gebracht werd, en wat zijn zijn woorden? (2 Sam. 9:6 en 8)?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

8. In 2 Samuel 9 vers 6 spreekt David Mefiboseth met zijn naam aan, waarop Mefiboseth met de woorden: "Zie, hier is uw dienaar" antwoordt. Is het niet ronduit aangrijpend, met welke drie mooie woorden David in vers 7 zich tot Mefiboseth wendt?

Welke woorden waren dat?

……………………………………………………………………………………………………………………

Maar David liet het niet alleen bij deze woorden. Hij zegt verder tegen Mefiboseth in hetzelfde vers: "… want ik zal u zeker goedertierenheid bewijzen omwille van uw vader Jonathan. Ik zal u alle akkers van uw vader Saul teruggeven, …"*.

Zo bewees David zijn liefde aan Mefiboseth voor dat, wat Jonathan in 1 Samuël 18 vers 4 gedaan had, waar hij David zijn mantel, zijn kleding, zijn zwaard en zijn boog alsmede zijn gordel gaf.

 

9. Maar dan komt er nog iets heel wonderbaars bij. Wij vinden aan het eind 2 Samuel 9 vers 7:

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

10. In nog een ander vers in hetzelfde hoofdstuk bevestigt David tweemaal bovenstaande uitspraak. In welke vers is dat?

……………………………………………………………………………………………………………………

Er staat in vers ……. zelfs: "Mefiboseth zal aan mijn tafel eten als een van de zonen van de koning".

11. Waar woonde Mefiboseth later en in welk vers staat dat?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

Wat wordt in het zelfde vers als laatste van hem gezegd?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

We hebben dus uw en mijn geschiedenis gelezen. U en ik waren allebei verlamd door de zonde. God haat de zonde. Maar omdat de Here Jezus God zo lief had, zodat Hij Hij zijn kostbaar leven aflegde, kan God ons nu genade en goedheid bewijzen. Nu zijn wij om zo te zeggen, aan "Koningszonen" gelijk geworden; we zijn kinderen van God geworden en we mogen ook "aan de tafel van de koning" eten!

12. Mefiboseth is rijkelijk gezegend door David. Wat heeft God volgens Efeze 1 vers 3 ons allemaal geschonken?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

13. Hoe vaak mocht Mefiboset aan de tafel van de koning eten (vers 7 aan het einde en vers 10 aan het einde):

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

Is hij daar waarschijnlijk ooit weggebleven, alleen maar omdat hij geen zin had om daar te verschijnen?

……………………………………………………………………………………………………………………

Zou hij daar dan met vuile kleren gekomen zijn?

……………………………………………………………………………………………………………………

Zou hij weg durven blijven, alleen maar omdat het gezicht van een andere tafelgenoot hem net aan stond?

……………………………………………………………………………………………………………………

14. Wie bepaalde daar aan de tafel, wat er allemaal moest worden gedaan?

……………………………………………………………………………………………………………………

We vinden in hetgeen besproken is drie dingen bij elkaar: goedheid, erfdeel, en gemeenschap.

Met betrekking tot ons hebben we, geestelijk gezien, drie tegenhangers. 

a) Goedertierenheid: "Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. Die heeft Hij in rijke mate over ons uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker, … " (Titus 3:4-6).

b) Een erfdeel: "… opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven." (Titus 3:7). "Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen bewaard voor u, die in de kracht van God door het geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereeed is om  in de laatste tijd geopenbaard te worden" (1 Petrus 1:3-5 – Voorhoeve Vertaling, 4e druk). "… In Hem (Christus), in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden …" (Efeze 1:11 – Voorhoeve Vertaling, 4e druk).

c) Gemeenschap: "… opdat ook u met ons  gemeenschap zoudt hebben. Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Johannes 1:3 – Voorhoeve Vertaling, 4e druk). "De drinkbeker der dankzegging, die wij met dankzegging zegenen, is die niet de gemeenschap met het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus?" (1 Korinthe 10:16).

Deze gemeenschap wordt in beeld uitgedrukt als we samen zijn verzameld aan de tafel van de Heer. We hebben ons in de vorige les daarmee bezig gehouden in verband met het schriftgedeelte uit Korinthe 10 vers 14-22. We hebben gemeenschappelijk deel aan de Heer Jezus en aan de resultaten van Zijn verlossingswerk, doordat we eten van het ene brood en allen drinken uit de beker. Door het eten van het ene brood betuigen we dat we verenigd met alle verlosten over de hele wereld leden van het ene lichaam zijn, waarvan de Heer Jezus het verheerlijkte hoofd is.

Wij willen nogmaals benadrukken dat alles wat we in 2 Samuel 9 vinden, zinnebeeldig te verstaan is. Jonathan is een beeld van de Heer Jezus. Maar als we de rest van zijn leven nagaan, moeten we helaas vaststellen dat hij later God halfslachtig diende. Ziba blijkt zelfs later een oplichter te zijn! We kunnen veel uit van deze beelden leren, maar moeten ons ervan bewust zijn dat al deze mannen mensen waren zoals u en ik, met veel fouten en helaas vaak ontrouw aan God! Dit moet ons eraan herinneren waakzaam te zijn!

*In deze cursus wordt gebruik gemaakt van de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders vermeld.

© Bibelkurs.com

© Vertaling: Frisse Wateren – rm

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol