8 jaar geleden

Aanbidding (deel 2 – slot)

Christelijke aanbidding II

In het Oude Testament leest men indrukwekkende getuigenissen van gelovigen, die een persoonlijke relatie met God beoefenden en Hem aanbaden – zowel in het dagelijkse leven als ook in verbinding met de rituele offerdienst. Als Gods Zoon mens wordt en Zich op de aarde aan de mensen openbaart, brengt Hij ook voor de aanbidding iets nieuws: “Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook degenen die Hem [zo] aanbidden” (Joh. 4:23). Wat wordt daarmee bedoeld, wat is daaraan nieuw, en wat betekent dat voor uw en mijn aanbidding?

Begripsmatig geldt zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament, dat het in de grondtekst gebruikte woord “zich neerwerpen” of “aanbidden” betekent. Dikwijls gebeurt het, omdat mensen Jezus eer brengen, Zijn scheppingsmacht erkennen of Hem om hulp vragen (Matth. 2:2,811; 8:2; 9:18; 15:25; 20:20), ook is het vaak een reactie op een openbaring van God (Matth. 14:33; 28:9,17; Joh. 9:38; 1 Kor. 14:25). Een bijzondere betekenis heeft het begrip “aanbidder” bijvoorbeeld in Handelingen 16 vers 14; hier gaat het om heidenen, die aan de joodse godsdienst deelnamen, zonder veranderd te zijn.

Inhoudelijk nieuw is de christelijke aanbidding – de aanbidding van de Vader in geest en waarheid door ware aanbidders, zoals de Heer Zelf het invoert (zie Joh. 4): Gods Zoon onthulde de nieuwe, christelijke aanbidding van een uitverkoren Zoon, die Hij op een reisetappe aantrof, die Hij overduidelijk gaan “moest” (Joh. 4:4). Dat was niet de aanzienlijke Nicodémus uit het vorige hoofdstuk; ook geen van zijn discipelen – noch degene, die Hem later vroeg: “Heer, toon ons de Vader”; het was nog niet eens Maria van Bethanië, die Hem kort vóór Zijn dood “voor de dag van Zijn begrafenis” zalven zou, wat een ontroerend beeld van aanbidding is (Joh. 12:1 en volgende). Het was een vrouw die in de stad als zondares bekend was. Dat toont duidelijk: Aanbidding is geen zaak van rang en namen, het is geen ceremonie voor de elite, ook niet voor mannen met veel kennis gereserveerd – maar het is voor mensen die zich van hun zonden bewust geworden zijn, die zich door God laten aanspreken, die Gods heerlijkheid gewaar worden, die overtuigd worden, geloven en – dat komt erbij – bij hen dat alles ook sporen in het persoonlijke leven achterlaat, zoals de vrouw uit Johannes 4 tot een getuigenis voor de andere bewoners van de stad werd.

“Noch … noch …” – Aanbidding wordt anders

De Samaritaanse brengt in haar gesprek met de Heer de religieuze controverse tussen Joden en Samaritanen naar voren: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden; en gij zegt dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden”. Zijn antwoord: “Vrouw, geloof Mij, er komt een uur dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want, de Vader zoekt ook degenen die Hem [zo] aanbidden” (Joh. 4:21,23). De Zoon van God wijst beide opvattingen, de verkeerde en de tot dan toe de juiste, terug (“noch … noch …”) en gaat direct op het ware in (“maar”):
De Samaritanen hadden – net zoals zoveel mensen vandaag – een “zelf geknutselde” religie met gemixte elementen uit heidendom en Jodendom; zij wisten in werkelijkheid niet, wat zij aanbaden (vs. 22a; 2 Kor. 17:34).De Joden wisten weliswaar wat zij aanbaden, want hun godsdienst was hen door God Zelf geopenbaard (vs. 22b; verg. Ex. 25; Lev. 1 en volgende hoofdstukken). En wat zij kenden werd in Jeruzalem aangebeden – zo had God het bepaald. Maar aan de meesten van hen had God geen welgevallen, omdat zij niet geloofden (1 Kor. 10:5) – hun godsdienst was vaak niet echt. De tegenstelling van de christelijke aanbidding tot de beide religies formuleert de Zoon van God zo: Hem gaat het om “ware aanbidders”, die “de Vader aanbidden in geest en waarheid” (vs. 23). Geen menselijke bedachte, maar de door God geopenbaarde aanbidding. Niets alleen aanbidding van God, maar van de Vader. Niet door offers, maar geestelijk. Niet in Jeruzalem maar in geest en waarheid. Deze nieuwe aanbidding is nu de enige juiste aanbidding – God moet zo aangebeden worden (vs. 24).

Kenmerken van de christelijke aanbidding

De Zoon van God stelt de christelijke aanbidding met drie kenmerken voor. De Vader zoekt:

  • ware aanbidders van de Vader
  • aanbidding in geest
  • aanbidding in waarheid

1. Ware aanbidding van de Vader

In het Johannes-evangelie wordt het “ware” vaker tegenover een beeld voorgesteld (verg. 1:9; 6:32; 15:1; 17:3). Dat christelijke aanbidders “ware” aanbidders zijn, stelt een dubbele tegenstelling voor: terwijl vele aanbidders uit het Jodendom niet geloofden, geen nieuw leven hadden en een puur uiterlijke, rituele godsdienst praktiseerden (zie boven), is het volk van christelijke aanbidders een heilige natie, een volk ten eigendom, het is een heilig priesterschap, een geestelijk huis van levende stenen (1 Petr. 2:4 en volgende verzen) – het zijn opnieuw geboren mensen, die het nieuwe leven hebben, de Heilige Geest bezitten, daardoor Gods openbaring verstaan en Hem waarachtig aanbidden kunnen (verg. 1 Kor. 2:10 en volgende verzen). Wij zijn door de nieuwe geboorte kinderen van God, zijn uit de Geest – deze Goddelijke Persoon – geboren en hebben daardoor Gods natuur (Joh. 3:5,6). Zo kunnen wij de “ware” aanbidding brengen. Doe ik dat ook geheel praktisch gezien? God wijst uiterlijke vormen en vrome show af; mijn aanbidding moet echt, van harte en oprecht zijn.

“Ware aanbidders” kunnen de christelijke aanbidders ook in zoverre zijn, toen eerst door Christus Gods waarheid tenslotte geopenbaard werd: “De genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Joh. 1:17; verg. 14:6). Deze door Gods Zoon geopenbaarde waarheid konden ook de opnieuw geboren aanbidders in het Oude Testament zoals David en anderen nog niet kennen (Matth. 11:27). Dat geldt in het bijzonder voor de betrekking tot de Vader: Alleen de Zoon is de weg tot de Vader (Joh. 14:6). De betrekking van de Zoon tot de Vader wordt tweeërlei uitgedrukt: door gemeenschap en liefde (lees Joh. 5:19 en volgende verzen; 14:7,10).

In deze betrekking van de liefde van de Vader heeft Zijn Zoon ons gebracht, zoals Hij verkondigd heeft: “Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader en [naar] mijn God en uw God” (Joh. 20:17), en “de Vader Zelf heeft u lief” (16:27). Dat is meer dan de “Vader” als Schepper en zorgende Onderhouder, die ook de Joden al kenden verg. Ex. 4:23; Matth. 6). De innerlijke betrekking als kind tot de ons liefhebbende Vader – “Abba, Vader” – bevestigt de Heilige Geest in ons (Rom. 8:15).

Bent u zich van deze liefde bewust? Dan is er geen plaats meer voor de zorg, dat men nog verloren zou kunnen gaan. “De volmaakte liefde drijft de vrees uit” (1 Joh. 4:18). Is het niet overweldigend dat wij dezelfde liefde ervaren mogen, die de Vader voor Zijn Zoon heeft? Daarom heeft Jezus ons Zijn Vader bekend gemaakt (Joh. 17:26). Daarbij is de kennis van de Vader niet iets wat gegroeid is, en het is ook niet iets, dat aan “gerijpte” christenen voorbehouden zou zijn. In principe weet ieder kind, wat een vader is. Zo schrijft Johannes aan de “kinderen” – de jongsten in het geloof – “omdat gij de Vader kent” (1 Joh. 2:13).

En de Vader zoekt aanbidders – Hij zoekt u en mij als Zijn aanbidders. Wat betekent de Vader voor mij? Ervaar ik Zijn liefde? Kan mij de gedachte dat God mijn Vader is, rust, vrede, warmte en vertrouwen geven? Maakt het mij dankbaar dat de grote God Zich aan mij geopenbaard heeft – als Vader? Overigens is de aanbidding niet voor de Vader gereserveerd, want allen moeten de Zoon eren, zoals zij de Vader eren (Joh. 5:23) – daarom wordt Jezus Christus evenzo aangebeden als God, de Vader.

Ieder kind geniet gemeenschap met zijn vader. Zo mag ik ook van harte de betrekking tot God de Vader beleven, en Hem daarvoor aanbidden. God, de Vader zoekt mij als Zijn aanbidder. Deze aanbidding moet waarachtig zijn – echt, uit een vol hart. Een vanzelfsprekendheid?

2. Aanbidding in geest

Wat met de aanbidding “in geest” bedoeld wordt, verklaart de Heer Zelf in Johannes 4 vers 24: “God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid”. Omdat God een geest is, dus zonder lichaam, niet fysiek grijpbaar is, moet ook de aanbidding “in geest” gebeuren. De menselijke geest is dat, wat de mensen van het dier onderscheidt, door hem kan de mens met God contact opnemen (verg. Rom. 8:16: “onze geest”). Dat gebeurt, doordat men zich in gedachten tot God begeeft en Hem zo aanbidt. Paulus spreekt daarvan in 1 Korinthe 14 vers 14-15, dat hij “met de geest” bidden en lofzingen kan.

Deze geestelijke aanbidding konden de gelovigen van het oude Testament ook al praktiseren (en hebben het ook gedaan1, het zwaartepunt lag toen echter toch op het rituele offeren van dieren op een altaar, in de met de zintuigen waarneembare handelingen. De Heer maakt duidelijk: Christelijke aanbidding is niet aan een geografische plaats gebonden2. Wij mogen in gedachten in de aanbidding daarheen gaan, waar God Zelf zich ophoudt – in het heiligdom (Hebr. 10:19). Materiële, fysiek grijpbare dingen voeren van de ware aanbidding af.

De christelijke aanbidding is niet alleen “in geest” – dus verstandelijk – maar ook “door de Geest” – dus geestelijk. Dat toont ons niet Johannes 4, maar bijvoorbeeld Filippi 3 vers 3: “wij, die [God] dienen door [de] Geest van God” (verg. ook Rom. 8:15,16). Ook hier ligt een tegenstelling tot de joodse aanbidding, want in plaats van een dierlijk offer zijn er nu “geestelijke slachtoffers” (1 Petr. 2:5), “een lofoffer” – “dat is de vrucht van de lippen die Zijn naam belijden” (Hebr. 13:15).

De aanbidding “door de geest” gebeurt in de kracht van de Geest (want de natuurlijke mens kan zonder Gods Geest niet kennen en Hem niet behagen, 1 Kor. 2:10; door de Geest hebben wij toegang tot de Vader, Ef. 2:18) en in overeenstemming met de leiding en werkzaamheid van de Geest (Rom. 8:14; 1 Kor. 12:11). Dat is niet iets wat oncontroleerbaar is, want de menselijke geest mag zich niet zelfstandig maken (verg. 1 Kor. 14:32), en ook het verstand is niet uitgeschakeld: “Ik wil lofzingen met het verstand” (1 Kor. 14:15). De Heilige Geest is de “Beslisser”: Hij kan mij gedachten van aanbidding ingeven, die in mijn hart zonder geluid blijven en misschien ook “vaag” zijn. Wanneer ik aanbidding uitspreek, beslist Hij ook, welke de goede en juiste gedachten van mijn verstand Hij ter aanbidding gebruiken wil. Rituelen en liturgiën – ook als zij slechts “zijdelings” bestaan – “blussen de Geest uit” (verg. 1 Thess. 5:19).

Geestelijke aanbidding is heel praktsich dat, wat de Heilige Geest in mij omhoog brengt om God te eren. De Geest moet de heerschappij over mijn leven hebben, ook in de aanbidding.

3. Aanbidding in waarheid

God bepaalt wat waar is. De mens kan waarheid waarnemen, in zoverre God haar openbaart en hij haar gelooft. Dat geldt ook voor de aanbidding: Zo, zoals God in het oude Testament de door Hem getoonde offers accepteerde en de door mensen zelf uitgedachte offers afwees (Gen. 4; Lev. 10), zo accepteert Hij ook van christenen alleen een aanbidding, die met de door Hem gedefinieerde en geopenbaarde waarheid overeenstemt. Dat strekt zich uit (als men Deut. 26 toepassen mag) van de eigen verlorenheid en gebondenheid tot Gods bevrijding en redding tot aan de overvloedige geestelijke zegeningen, die wij van God ontvangen hebben en – dat komt er bij – van Wie wij kinderen geworden zijn.

In het Oude Testament openbaarde zich God allereerst als de Schepper (Gen. 1-3), dan als de Almachtige (Gen. 17), dan als de Verbondsgod Jehovah (Ex. 3:6). Dat waren openbaringen die met de schepping en Zijn schepsels in verbinding stonden. Pas in het Nieuwe Testament openbaarde Hij zich “in de Zoon” (Hebr. 1:2), als God de Vader met een Zoon van Zijn liefde – in een eeuwige betrekking losgemaakt van het geschapene. Door Zijn genade is Hij de Vader van iedere gelovige geworden, die Zijn kinderen zo liefheeft, zoals Hij Zijn eniggeboren Zoon liefheeft (zie boven). In zoverre is de waarheid door Jezus Christus geworden (Joh. 1:17); 14:6; 18:37). Wie gelooft, kent door de Heilige Geest de waarheid (1 Joh. 2:20,21; Joh. 16:13). Maar wie niet gelooft, kent noch Hem noch de Vader (Joh. 16:3).

Dat de genade en waarheid door Jezus Christus geworden is, stelt het christelijke tijdperk tegenover die van de wet van Sinaï, dat door Mozes geegven was (lees Joh. 1:17). Daarmee wordt evenwel niet de totale openbaring van God aan de kant geschoven. De Vader, Die aanbidders zoekt – dat spreekt van betrekking (Joh. 4:23). Hij is tegelijk de God, Die in geest en waarheid aangebeden worden moet – dat spreekt van Zijn wezen (Joh. 4:24). Ook voor christenen is God de Schepper, de Almachtige, de Leidsman en Bewaarder, de Heilige. Al datgene wat de gelovige uit het Oude Testament eerbied inboezemt en waarvoor zij God vereerden3, kan ook voor christenen thema en inhoud van de aanbidding zijn; dat toont de aanbidding van de toekomst, zoals zij in Openbaring beschreven wordt. Van de gelovigen van het huidige christelijke tijdperk is er tevens een nieuwe dimensie bijgekomen – zij kunnen God als hun Vader aanbidden. En zij kennen God in een nieuwe hoedanigheid daardoor, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft.

Voorbeelden: Dat God heilig is, wisten ook de Oudtestamentische gelovigen; dat Hij zo heilig is, dat Zijn Zoon plaatsvervangend voor de zonden sterven moest, weten alleen christenen. Dat Hij liefheeft, beleefden ook de Oudtestamentische gelovigen; dat Hij zo zeer liefheeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, weten alleen christenen.

In mijn aanbidding mag ik deze dimensie verstaan en van harte de Vader aanbidden, Die zich in Zijn Zoon geopenbaard heeft. Ik mag echter niet afdekken, wat waar is en blijft: dat Hij de “zalige en enige Heerser” is, “de Koning der koningen en Heer der heren … Hij die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoond, die geen mens gezien heeft, of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen” (1 Tim. 6:15,16).

NOTEN:
1. Zie daartoe het vorige artikel in nummer 85.
2. Op de “geestelijke plaats” voor de gemeenschappelijke aanbidding gaan we afzonderlijk in de volgende bijdrage in.
3. Zie de bijdrage in het vorige nummer.

Thorsten Attendorn

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM