11 jaar geleden

1 Thessalonika 5 (13)

Hoofdstuk 5 vers 1 sluit onmiddellijk aan bij hoofdstuk 4:14: “… zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen”. Dat is het ogenblik waarop onze Heer komt om het koninkrijk op te richten en door al Zijn heiligen wordt begeleid. Dit tijdstip wordt op andere plaatsen van het Nieuwe Testament ook de verschijning van Christus genoemd. Het gedeelte in hoofdstuk 4:15-18 is een inlassing, waar de apostel uitvoerig verklaarde hoe het mogelijk zal zijn, dat bij de verschijning van Christus alle heiligen met Hem uit de hemel wederkomen: daartoe is er vooraf hun ‘opname’ of ‘thuishaling’. De apostel heeft hierover een openbaring van de Heer gekregen …

1 Thessalonika 5:1-8

A. Inleiding tot hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5 vers 1 sluit onmiddellijk aan bij hoofdstuk 4:14: “… zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen”. Dat is het ogenblik waarop onze Heer komt om het koninkrijk op te richten en door al Zijn heiligen wordt begeleid (1 Thessalonika 3:13). Dit tijdstip wordt op andere plaatsen van het Nieuwe Testament ook de verschijning van Christus genoemd (2 Thessalonika 2:8; 1 Timotheüs 6:14; 2 Timotheüs 4:1,8; Titus 2:13). Het gedeelte in hoofdstuk 4:15-18 is een inlassing, waar de apostel uitvoerig verklaarde hoe het mogelijk zal zijn, dat bij de verschijning van Christus alle heiligen met Hem uit de hemel wederkomen: daartoe is er vooraf hun ‘opname’ of ‘thuishaling’. De apostel heeft hierover een openbaring van de Heer gekregen.

Aan het begin van dit hoofdstuk gebruikt de apostel nog een ander begrip: DAG VAN DE HEER. Om het gelijk vooraf te zeggen: De dag van de Heer omvat een tijdspanne van ongeveer duizend jaar, dat met de verschijning van Christus begint en voortduurt tot de nieuwe schepping van hemel en aarde (Openbaring 20:1-6; 21:1).

B. Indeling hoofdstuk 5

  1. Het plotselinge aanbreken van de DAG VAN DE HEER (vers 1-3);
  2. Duisternis en licht – dag en nacht tegenover elkaar gesteld (vers 4-8);
  3. De belofte van de redding van de toorn (vers 9-11);
  4. Afsluitende vermaningen van verschillende aard (vers 12-22);
  5. Vraag om bewaring (vers 23-24);
  6. Aansporing tot voorbede en groet (vers 25-28).

C. Uitleg van hoofdstuk 5

Vers 1-2: 1. “Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt. 2. Want u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht”.

Tijden en de gelegenheden: Tijden en de gelegenheden1 hebben te maken met gebeurtenissen, waarover al op veelvuldige wijze in het Oude Testament geschreven is. Het Oude Testament is vol met profetieën daarover. De vervulling van deze voorzeggingen is ook vandaag nog te verwachten, omdat zij betrekking hebben op het toekomstige Vrederijk en op de gebeurtenissen die onmiddellijk aan dit rijk voorafgaan. De opname daarentegen is een zaak die in het Oude Testament onbekend was en pas ten tijde van de apostel openbaar werd.

U hebt niet nodig dat u geschreven wordt: De Thessalonikers waren in grote lijnen wel op de hoogte met het handelen van God met deze aarde. Niet alleen heeft de apostel tijdens zijn oponthoud in Thessalonika daarover gesproken, maar er waren onder hen ook joden, die zeker met de Oudtestamentische profetieën vertrouwd waren. Hier enkele schriftplaatsen van het oude Testament die betrekking hebben op de dag van de HEER: Jesaja 2:12-18; 13:5-11; 61:2; Ezechiël 13:5; Joël 1:15; 2:1-11,31; Amos 5:18-20; Obadja 15; Zefánja 1:7,14,18; 2:2 en tenslotte Maleáchi 3:17; 4:1-3. En wat zij nog niet wisten, konden zij zelf nalezen om zich een duidelijk beeld over de gebeurtenissen van deze tijd te vormen.

Als een dief in [de] nacht: Deze tijd zal zeer plotseling aanbreken. De apostel gebruikt hier het beeld van een dief, die volledig verrassend in de nacht komt en in een huis inbreekt2. Het zijn ongelovigen die door deze dag volledig verrast worden. Wedergeboren gelovigen wachten niet op de dag van de Heer. Dit zal pas enige tijd na de opname aanbreken. Voor de gelovigen komt de Heer niet als een dief in de nacht. Nee, als het goed is, verwachten zij Hem dagelijks, zij verlangen ernaar om zij Hem spoedig te zien.

Vers 3: “Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen”.

Vrede en veiligheid: Er zal een tijd komen, dat de mensen elkaar geluk zullen wensen, omdat naar hun mening een stabiele toestand van vrede en veiligheid bereikt is3. Zij geloven dat zij door hun politieke resultaten een evenwicht binnen de volkerengemeenschap hersteld zullen hebben, maar in werkelijkheid staan zij kort voor het aanbreken van de oordelen; er heerst een grote geestelijke duisternis. Dat is niet in tegenspraak met dat, wat de Heer Jezus in Lukas 21 gezegd heeft, dat de mensen met grote angst de toekomstige dingen verwachten zullen. Naar buiten toe wekken zij echter de indruk als zou er vrede en veiligheid zijn. Voor een plotselinge verandering zoals de ingrijpende gebeurtenis van de komst van de Heer is er in hun voorstellingswereld geen plaats. Integendeel, zij spotten over de komst van de Heer (2 Petrus 2).

Barensnood: De plotseling aanbrekende dag van de Heer en de deze begeleidende zware oordelen van de verdrukkingstijd vergelijkt de apostel nu met de barensweeën, die een zwangere vrouw overvallen. Zulke weeën zijn een zeer smartelijke aangelegenheid. Ze zetten plotseling in, op dat ogenblik misschien totaal verrassend; dan komen ze in steeds kortere tijdsperioden en nemen steeds in heftigheid toe.

In Mattheüs 24 heeft de Heer Jezus over “het begin van de weeën” gesproken. Die tijdsperiode zal een tijd van religieuze verleiding zijn, een tijd van oorlogen tussen volkeren en koninkrijken, van anarchie, terrorisme, hongersnoden, epidemieën en aardbevingen (vers 4-8). Er is geen ontkomen aan deze problemen, omdat zij een wereldwijde verschijning zullen zijn. In Openbaring 6 vinden we een uitgebreidere beschrijving van deze tijd in symbolische taal. Aan de dag van de Heer gaat een tijd van morele duisternis vooraf. Men kan deze beschrijvingen niet met de verwijzing afdoen, dat deze verschijningen altijd al in de geschiedenis van de mensen geweest zijn. Het bijzondere treurige daaraan is, dat zich deze dingen daar openbaren, waar het Christendom eens zijn triomfen gevierd heeft. Wie zal loochenen, dat wij op zijn minst in de overgangstijd naar een “na-Christelijke” tijdsperiode en daarmee in de eindtijd leven?

Vers 4-5: 4. “Maar u, broeders, bent niet in [de] duisternis, 5. zodat die dag u als een dief zou overvallen; want u bent allen zonen van [het] licht en zonen van [de] dag. Wij zijn niet van [de] nacht of van [de] duisternis”.

Men kan het eerste deel van deze verzen als oproep verstaan, niet in de duisternis te zijn. Het verband sluit deze mogelijkheid mijns inziens echter uit. We moeten het daarom wel met andere vertalers en uitleggers als een vaststelling verstaan: “Maar u, broeders, bent niet in [de] duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen”. Niet de gelovigen, maar de ongelovigen zal het plotselinge oordeel als een dief overvallen.

Ja, er zijn twee groepen die een volledig verschillende toekomst tegemoet gaan: de gelovigen wachten op de komst van de Heer Jezus, en de ongelovigen wacht daarna een plotseling verderf. Dat geeft de apostel nu aanleiding in vers 4-8 een scherp contrast tussen de mensen van deze wereld en de gelovigen aan te wijzen. Hij gebruikt daarbij bepaalde begrippen, die hij tegenover elkaar stelt:

Terrein van de gelovigen

  • Licht
  • Dag
  • Waken
  • Nuchter

Terrein van de ongelovigen

  • Duisternis
  • Nacht
  • Slapen
  • Dronken

Het eerste onderscheid betreft een natuurverschijning, die we dagelijks beleven: Licht en duisternis. Als een rode draad trekt dit thema door de bijbel van Genesis 1 tot Openbaring 22. Het is de moeite waard zich eens met dit vers of gedeelten van het Woord van God bezig te houden, waar we deze tegenstelling tegenkomen.

De eerste keer is er sprake van licht en duisternis op de tweede scheppingsdag: “En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis” (Genesis 1:4). En direct in het volgende vers worden dan dag en nacht genoemd. Licht en duisternis worden door God gescheiden. Er is geen verbinding tussen hen4 (vergelijk daartoe vooral 2 Korinthe 6:14).

De ongelovigen zijn in de duisternis; zij kennen God niet; het doen van zonde is voor hen normaal; bovendien slapen zij. Daardoor zijn ze niet ontvankelijk voor het werken van God en slaan alle waarschuwingen voor het komende oordeel in de wind. En tenslotte wordt hun slaap nog door dronkenschap en het niet nuchter zijn, door genotsmiddelen, versterkt.

Want u bent allen zonen van [het] licht en zonen van [de] dag: Kinderen van God zijn precies het tegenovergestelde. Zij bevinden zich in het licht, zij kennen God als hun Vader, Die Licht is (1 Johannes 1:5). Zij hebben deel aan het leven van God en zijn daardoor ZONEN VAN HET LICHT. Zij zijn klaar wakker – zouden het tenminste moeten zijn -, onderkennen de tijd en houden zich verre van het niet nuchter zijn, de stimulerende invloed van de wereld. Zij zijn weliswaar nog in de wereld, maar niet van haar (Johannes 17:14,16). Tegelijk zijn ze zich ervan bewust, dat zij een opdracht in deze wereld te vervullen hebben: namelijk het doorgeven van een boodschap van de genade en liefde van God. Toen de Heer Jezus in deze wereld was, was Hij het LICHT VAN DE WERELD (Johannes 8:12); nu zijn wij als Zijn discipelen in de tijd van Zijn afwezigheid het LICHT VAN DE WERELD (Mattheüs 5:14).

Gelovigen behoren nu al tot het koninkrijk, dat spoedig zichtbaar op de hele aarde opgericht wordt. Zij zijn immers tot Zijn koninkrijk geroepen (2:12). De kenmerken van het rijk van God worden ons in Romeinen 14:17 genoemd: “… rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest”.

Wij willen ons afvragen, of wij daar, waar wij ons ophouden, een atmosfeer van de vrede en de vreugde en de gerechtigheid verbreiden. Of zijn er in uw en mijn leven nog gebieden die bij de nacht horen en het licht schuwen?

Vers 6-7: 6. “Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn. 7. Want zij die slapen, slapen ‘s nachts en zij die dronken zijn, zijn’s nachts dronken”.

Het principiël onderscheid tusen gelovugen en ongelovigen is nu zeer duidelijk geworden. Maar trekken wij daaruit ook voor ons leven de daarbij behorende conclusies? Onderscheiden wij ons duidelijk van de ongelovigen? En wel op alle levensterreinen: in onze doelen, onze gewoonten, in ons optreden en gedrag, en ook in ons uiterlijk? Ook gelovigen kunnen slapen, anders zou de apostel de oproep tot waakzaamheid en nuchterheid niet uitspreken.

Slaap en dronkenschap behoren bij het terrein van de nacht en de duisternis. Het is daarom voor een kind van God volledig levensvreemd, wanneer hij slaapt of dronken is. Dat kenmerkt de “overigen” (hier weer een beschrijving voor de ongelovigen zoals in hoofdstuk 4:13). Afgezien van alle mogelijke genotmiddelen (alcohol, tabletten, verdovende middelen, tabak) stellen zich de mensen van deze wereld ook bloot aan de stimulerende invloeden van geestelijke en politieke stromingen.

We moeten als gelovigen al deze gevaren duidelijk onder ogen zien. Voor ons is het klaarlichte dag. Wij worden opgeroepen ons van al deze bedwelmende invloeden te onttrekken, die ons beneveld en slaperig maken kunnen.

Vers 8: “Maar laten die van [de] dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij [het] borstharnas van [het] geloof en [de] liefde aangedaan hebben, en als helm [de] hoop van [de] behoudenis”.

Laten wij nuchter zijn: Nog eens de oproep van de apostel nuchter te zijn. Maar hoe kunnen wij ons voor al deze gevaren behoeden, die ons omgeven? Doordat wij ons voor de strijd wapenen en onze wapenrusting aantrekken.

Deze wapenrusting bestaat uit het borstharnas van het geloof en de liefde en de helm van de hoop van de behoudenis (= redding). Deze beide stukken van de wapenrusting dienen niet de aanval, maar de verdediging. We hebben deze drie christelijke deugden al in hoofdstuk 1 gevonden: geloof, liefde, hoop. Daar waren het de innerlijke kenmerken van het geestelijk leven. Hier toont de apostel dat zij tegelijk ook het bewaringsmiddel, de bescherming voor de nacht, zijn.

Het borstharnas van het geloof en de liefde beschermt het hart. Dat is het vaste vertrouwen in het handelen van God en Zijn wegen met ons. Het geloof ziet op die onzichtbare, blijvende dingen. Daarbij komt de liefde van God en de liefde tot elkaar, zoals we al in hoofdstuk 3:12 en 4:9-10 gevonden hebben. Deze liefde is een machtige bescherming.

De helm van de hoop van de behoudenis5 beschermt het hoofd. Ons hoofd denkt voortdurend. Overdag voeren we daarom dikwijls, zij het ook zachtjes, ‘zelfgesprekken’; ‘s nachts dromen we. In welke richting denken wij? Achterwaarts of voorwaarts? Onze gedachten zouden veel met onze hoop bezig moeten zijn. Wij mogen vrijmoedig onze hoofden opheffen, omdat wij weten dat onze verlossing nabij is (vergelijk Lukas 21:28), hier de verlossing van ons lichaam (Filippi 3:20-21). Dat geeft ons vreugde en bescherming voor vele gevaren.

NOTEN:
1. Het met “tijden” weergegeven Griekse woord is chronos en betekent een kortere of langer tjdsperiode. Van dit woord is ons woord “chronologie” afgeleid. Het hier met “gelegenheden” weergegeven woord kairos komt 86 keer in het Nieuwe Testament voor en is meestal ook met “tijd” vertaald. Daarbij ligt het zwaartepunt niet op de tijdsduur, maar op de bijzondere eigenaardigheid, waardoor die bepaalde tijd gekarakteriseerd wordt. Zulke “tijden” waren bijvoorbeeld de tijd voor de zondvloed, de tijd van de verlossing van Israël, de wetgeving, de aflossing van het koningschap van de nakomelingen van David door de volken. Een nieuwe tijdsperiode zal beginnen, wanneer de Heer Jezus wederkomt om het rijk op te richten.
2. Dit beeld wordt op meerdere plaatsen in het Nieuwe Testament gebruikt (Mattheüs 24:43; Lukas 12:39; 1 Thessalonika 5:2,4; 2 Petrus 3:10; Openbaring 3:3; 16:15).
3. Het is al opmerkenswaardig hoe vaak in politieke toespraken of op kiesplakkaten deze beide begrippen “vrede en veiligheid” gebruikt worden. Onwillekeurig worden wij daardoor steeds weer aan dit vers herinnerd.
4. Wij treffen het begrip duisternis vooral aan in de volgende vier betekenissen:
(a) zij is een beschrijving van de morele verblinding van de mensen als gevolg van de zondeval (Mattheüs 4:16; Johannes 1:5; 3:19; 2 Korinthe 6:14; 1 Petrus 2:9);
(b) zij is een kenmerk van satan en zijn demonen (Lukas 22:53; Efeze 6:12; Openbaring 16:10);
(c) zij is een beschrijving voor de verblijfplaats van boze geesten en van het oordeel van de bozen (Mattheüs 8:12; 2 Petrus 2:4; Judas :6,13) en
(d) niet op de laatste plaats een beeld van de dood in vergelijking met het natuurlijke leven (Job 10:21-22).
5. Het hier gebruikte Griekse woord is soteria. Meestal is het met “redding” of “behoudenis”, soms ook met “zaligheid” vertaald.

Wordt D.V. vervolgd.

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW