12 jaar geleden

1 Petrus 4:7

Petrus had de Heer Jezus, de Zoon des mensen, zien komen in Zijn Rijk (Mattheüs 16:28 en 17:1). Dat had een blijvende indruk op hem gemaakt zodat hij nog tientallen jaren erna (2 Petrus 1:16) zich erop beroept als bewijs dat hij van de werkelijkheid getuige was en geen verzonnen fabels was nagevolgd. Daarom verbindt hij in zijn eerste brief zijn vermaning tot een heilige wandel en tot volharden tot vier keer toe met deze voorafgaande gebeurtenis (1:7,13; 4:13; 5:1). Zijn doel was om degenen die gelovig geworden waren, een werkzame aansporing en een jubelende vreugde met het oog op deze openbaring te geven.

Petrus gaat nog verder dan de openbaring van de heerlijkheid in het duizendjarig rijk en wijst in beide brieven op het einde van alle dingen, op hun ondergang. Welke gevoelens  roepen deze gedachten bij ons op? Zouden we niet meer en meer van al het aardse, dat spoedig haar einde zal vinden, losgemaakt willen worden? En zouden we niet de ons geschonken tijd benutten om onze wandel aan te passen aan dit gebeuren en dat wat erna komt? (2 Petrus 3:11-14). Dat betekent “nuchter” zijn.

En bij dit bewustzijn zullen we ook een duidelijke blik voor het behoorlijke en onbehoorlijke hebben en ons dienovereenkomstig gedragen. Wanneer wij ons steeds bewust zijn dat alles waarop het vlees vertrouwen kan spoedig ten einde zal zijn, zullen onze harten niet door de zichtbare dingen gevangen genomen worden. Veelmeer zullen we “nuchter en waakzaam tot gebed” zijn, om te blijven ademen en bewegen in de atmosfeer en tegenwoordigheid van God. Het gebed geeft – naast het Woord van God – onze voeten een veilige grond.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW