1 week geleden

Het Johannes-evangelie (06)

Bijbelgedeelte: Johannes 1 vers 29-34

Het Lam van God – de Zoon van God

 

Van hoofdstuk 1 vers 29 tot hoofdstuk 2 vers 11 hebben we een overzicht van Gods hele heilsplan. In de verzen 29-34 vinden we hoe de boodschap over de Heer Jezus eerst tot het volk van Israël komt (Joh. 1:31). Maar omdat Hij door de Zijnen werd verworpen, is de boodschap van redding in de verzen 35-42 gericht tot alle volken; deze verzen zijn een beeld van de huidige genadetijd, die hierdoor gekenmerkt wordt, dat mensen zich rondom de Heer Jezus verzamelen en bij Hem blijven (Joh. 1:39). In de verzen 43-51 vinden we dan hoe de boodschap zich weer tot Israël richt; het is de tijd van het herstel van Israël, dat zal plaatsvinden na de genadetijd. En bij de bruiloft in Kana in Johannes 2 vers 1-11 zien we een beeld van de vreugde van het Duizendjarig Rijk.

“De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh 1:29).

We hebben nu de Heer Jezus voor ons, zoals Hij hier op aarde was en als het Lam van God naar het kruis gegaan is om Zijn leven te geven. Toen dacht Hij aan mij, en Hij dacht aan de gemeente, en bovenal dacht Hij aan de eer van God. Als het ware brandoffer wilde Hij de grondslag daarvoor leggen, dat de zonde eenmaal definitief van voor Gods aangezicht verwijderd kon worden. Mochten we met ons hart begrijpen wat ons verstand niet begrijpen kan!

Met dit vers komt een zeer ontroerende gebeurtenis voor ons; we horen een getuigenis van Johannes de Doper, dat nog nooit eerder in deze vorm gegeven is. Johannes ziet de Heer Jezus tot hem komen. Waar kwam Hij vandaan, waar was Hij daarvoor geweest? De Heer begeeft Zich nu in de nabijheid van Zijn getuigen, en deze omstandigheid brengt Johannes ertoe om van de Heer Jezus als het Lam van God te getuigen.

Deze uitdrukking ‘lam’ komen we in het Oude Testament op verschillende manieren tegen. Iedereen moest tijdens het Pascha-feest op zoek naar een lam (Ex. 12:3). In Jesaja 53 vers 7 wordt de houding van de Heer Jezus vergeleken met een lam, dat ter slachting geleid wordt. Deze aangrijpende uitdrukking wordt nu door Johannes de Doper rechtstreeks toegepast op de Heer Jezus en Zijn werk. Met de woorden: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”, wijst hij de mensen om hem heen naar de persoon van de Heer.

Dit getuigenis van Johannes de Doper bevat eigenlijk twee verklaringen over de Heer Jezus: de eerste verklaring betreft dat, wat Hij is, namelijk het Lam van God; en de tweede verklaring beschrijft dat, wat Hem kenmerkt, namelijk dat Hij de zonde van de wereld wegneemt.

Als we de diepte van deze zin goed willen begrijpen, moeten we er eens naast leggen wat Johannes niet zegt. Hij zegt niet: “Zie, het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegnemen zal”. En hij zegt ook niet: “Zie, het Lam van God, dat de zonden van de wereld heeft weggenomen”. Hij spreekt helemaal niet over zonden, de zonden van de wereld. Als dat zo zou zijn, zou de wereld gered worden. De verklaring van Johannes hier is een abstracte verklaring, die door de vraag van de tijd is opgelost; hij beschrijft de zaak op zichzelf. Het gezichtspunt hier gaat tot het einde; aan het einde van alle dagen, in de eeuwige toestand, zal de zonde van de wereld – zonde als beginsel – voor de ogen van God weggenomen zijn. Dit wegnemen van de zonde van de wereld gebeurt niet van de ene dag op de andere, maar het is het eindpunt van het proces wanneer alle dingen in harmonie zijn met God. Dit einddoel wordt bereikt door bepaalde fasen. Zelfs voordat de nieuwe hemel en nieuwe aarde er zijn, zijn bepaalde resultaten aan het licht gekomen. Wanneer God de zonde van de wereld wegneemt, is het niet langer een kwestie van schuld, maar een kwestie van wat de stand van zaken voor God is. Hierom werd Christus “eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf” (Hebr. 9:26).

De eerste fase of het eerste resultaat daarbij is de zonden-vergeving in de huidige tijd (1 Joh. 1:9). Het Lam van God heeft de grondslag daarvoor op Golgotha gelegd, dat onze zonden vergeven zijn. Ieder die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van de zonden door Zijn naam (Hand. 10:43). Deze eerste fase is al bereikt. We hebben een tweede fase, wanneer de Heer Jezus eenmaal de schepping, die nu zucht, uit haar slavernij van de vergankelijkheid zal leiden en Zich ook in de schepping verheerlijken zal (Rom. 8:21,22). Een andere fase is dat het volk van Israël Hem opnieuw zal aannemen, en zelfs zal aanbidden. Dit zijn allemaal resultaten van het werk van het Lam van God. In 2 Petrus 3 vers 13 hebben we dan de eindtoestand, wanneer in de nieuwe hemelen en op de nieuwe aarde gerechtigheid wonen zal. De Heer Jezus als het Lam van God zal de zonde uit het universum volledig verwijderen. De onrechtvaardigen zullen in de poel van vuur zijn, ook de duivel en zijn engelen zijn in verdoemenis, en in Gods schepping, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zal nooit meer zonde zijn. Nergens in de nieuwe schepping zal het oog van God zonde vinden! Wat een diepe vrede zal dat betekenen, God zal tot rust komen en niets meer met de zonde te doen hebben. Eens gaf Hij Zijn Zoon, opdat Hij voor onze zonden sterven zou – eenmaal zal het hele universum van God volledig met Hem in overeenstemming zijn! “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!”

Izak stelde zijn vader Abraham de vraag: “Waar is het lam voor het brandoffer?” Hier hebben we een antwoord op deze vraag: het is de Heer die hier naar Johannes komt. We kunnen elk woord in deze zin benadrukken. “Zie”, daarmee wordt ons gevraagd om onze ogen op de Heer Jezus te vestigen; dit is geen vluchtige blik, maar een intense overweging in geloof en aanbidding. Om dit ongestoord te kunnen doen, moeten we onze blik van andere dingen afwenden. We kunnen niet bezig zijn met de dingen van deze wereld, noch met de dingen van deze aarde, en gelijktijdig de Heer Jezus aandachtig beschouwen.

De tweede nadruk kunnen we op het woord “het Lam van God” leggen. In de tijd van het Oude Testament waren oneindig veel lammeren die zijn geslacht; maar deze vele dieren wijzen allemaal naar het Lam van God. Er is slechts één Lam van God – uniek en onvergelijkbaar.

De derde nadruk ligt op het woord “Lam van God”. Johannes richt de opmerkzaamheid niet op Hem als de Koning of de Messias of de Profeet, zoals het volk Hem verwachtte en hebben wilde. Maar op het Lam waren ze niet voorbereid, dus wilden ze Hem niet. Aan de ene kant verbinden we gedachten, zoals geduld en toewijding, aan het Lam, maar aan de andere kant ook de zijde van een offerlam.

De vierde nadruk ligt op het “Lam van God”. In het Oude Testament waren het mensen die een lam uitzochten, afzonderlijke personen of families, of een heel volk; hier is het niet een persoon, maar God Zelf, die Zich het Lam Gods voorzien heeft, “voorgekend vóór de grondlegging van [de] wereld, maar in [het] laatst van de tijden geopenbaard” (1 Petr. 1:19,20). Het moet onze harten bewegen, dat God Zichzelf dit Lam heeft voorzien, dat dit Lam openbaar geworden is, dat dit Lam naar Golgotha ​​gegaan is. Dit Lam zal nooit in de eeuwigheid vergeten worden – “het Lam dat geslacht is, is waard” (Openb. 5:12).

Als een zondaar ooit een goddelijke bedekking voor God zou vinden, als er ooit verzoening voor de zonde zou zijn, dan moest ze van Hem komen, moest het voldoen aan de normen van Zijn heiligheid. En daarom was er geen andere weg dan dat de eeuwige Zoon van God mens werd en naar het kruis moest gaan om daar als het Lam van God als offer te sterven. Hoe onuitsprekelijk zwaar moet het probleem van de zonde in de ogen van een heilig God zijn, dat geen woord van Zijn almacht, geen ander offer toereikend was, om verzoening te doen! Als we Gods normen van absolute heiligheid zien, hoe groot is dan Zijn liefde, die Zijn eigen zoon als Offerlam gaf! Tegen welke prijs zijn we voor God gekocht! En wat moet het het Lam hebben gekost om dit offer te brengen. In hetzelfde uur waarin Hij door God werd verlaten (Ps. 22:2), was Hij een welriekende reuk voor Zijn God (Ef. 5:2). Aan de ene kant leed Hij onuitsprekelijk de zwaarte van het oordeel van een heilig God, en toch aan de andere kant was Hij het offer van een welriekende reuk voor God. Deze diepten en hoogten kunnen wij niet bevatten met ons verstand, we staan ​​in aanbidding voor dit Lam van God – nu en tot in alle eeuwigheid!

“Deze is het van Wie ik zei: Na Mij komt een man die mij vóór is, want Hij was eerder dan ik” (Joh. 1:30).

Het was duidelijk dat degenen die bij de Jordaan stonden niets van de verheven woorden over het Lam van God begrepen. Daarom benadrukt Johannes de Doper nogmaals, dat dit Lam van God niemand anders is dan Degene, van Wie hij de hele tijd al had getuigd. Ze moesten niet denken dat dit Lam van God een tweede persoon was, maar dat het Dezelfde was over Wie hij in vers 15 al gesproken had.

“En ik kende Hem niet; maar opdat hij aan Israël openbaar wordt, daarom ben ik komen dopen met water” (Joh. 1:31)

Wat wil Johannes de Doper ermee zeggen, dat hij de Heer niet kende? Elizabeth en Maria waren zelfs met elkaar verwant (Luk. 1:36). Hij duidt daarmee aan, dat deze onwetendheid bij hemzelf verleden tijd is, nu kent hij Hem – in tegenstelling tot de mensen die Hem nog steeds niet kenden (Joh. 1:10).

Johannes had ook de opdracht gekregen om dit Lam, deze Mens (vlees) geworden Woord van God (Joh. 1:14), aan het volk van Israël voor te stellen. Daarom was hij gekomen, dopend met water. Op wat verbonden is met de doop van Johannes wordt hier niet verder ingegaan. Johannes, de schrijver van dit evangelie, schreef dit pas vele jaren later, nadat de andere evangeliën waren geschreven, en hij kan daarom de betekenis van de doop van Johannes de Doper als bekend veronderstellen. Hij zou de toestand van hun hart moeten voorbereiden, zodat ze bereid zouden zijn om hun Heer te ontvangen. Bovendien wil hij de doop niet in het centrum van zijn woorden stellen, maar de Persoon van het Lam van God, van Wie hij de hele tijd getuigd had.

“En Johannes getuigde en zei: Ik heb de Geest zien neerdalen als een duif uit [de] hemel, en Hij bleef op Hem” (Joh. 1:32).

De duif is het beeld van reinheid; de Heilige Geest daalde na de doop van de Heer op Hem neer en Hij bleef op Hem. Tot op dit moment was er nog geen verzoeningswerk gedaan, had er nog geen bloed gevloeid. De Heilige Geest kwam op de Heer Jezus zonder dat er verzoening gedaan moest worden, omdat Hij rein en zondeloos en absoluut heilig was en is. Bij ons is dat anders; wij konden de Heilige Geest niet eerder ontvangen, nadat het werk van de verzoening was volbracht, en bij ons waren het ook tongen als van vuur (Hand. 2:3). Maar de Heer Jezus als Mens ontvangt de Heilige Geest als bevestiging van het welgevallen van Zijn Vader. Hij is door God met de Heilige Geest gezalfd (Hand. 10:38), Hij is door de Vader als bewijs, dat Hij de Zoon van God is, verzegeld (Joh. 6:27).

Toen de Heer Jezus door Johannes in de Jordaan werd gedoopt, waren veel Joden aanwezig; het berouwvolle overblijfsel van Israël had de oproep van Johannes de Doper gevolgd en liet zich dopen. En temidden van deze berouwvolle Joden stond de Heer, en toen Hij op het punt stond Zich ook te laten dopen, leek het erop dat Hij deze doop nodig had, en net als alle anderen, berouw moest tonen. En toen Hij uit het water kwam, kon God – met eerbied gesproken – Zich niet langer inhouden en scheurde de hemelen en sprak rechtstreeks tot Hem: “U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik welbehagen gevonden” (Mark.1:9-11).

“En ik kende Hem niet; maar Hij die mij heeft gezonden om te dopen met water, Die zei tot mij: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met [de] Heilige Geest doopt” (Joh. 1:33).

In dit vers hebben we een tweede heerlijkheid van de Heer Jezus in dit gedeelte. In vers 29 zagen we dat Hij de zonde van de wereld wegneemt, en hier zien we dat Hij doopt met de Heilige Geest. Het werk van God bestaat uit deze twee zijden: Hij neemt de zonde van de wereld weg, en doopt met de Heilige Geest. De doop met de Heilige Geest is veel groter dan we gewoonlijk denken. De Heer Jezus heeft niet alleen de Heilige Geest Zelf ontvangen, Hij doopt ook met de Heilige Geest. Hij had Zijn discipelen vóór Zijn hemelvaart gezegd, dat ze in de stad Jeruzalem moesten blijven, totdat ze niet veel dagen hierna met de Heilige Geest gedoopt zouden worden (Hand. 1:5-8).

De zegen van de doop met de Heilige Geest is naast de Persoon van de Heer Jezus Zelf de allerhoogste gave van God (Joh. 4:10). Na Zijn opstanding had de Heer tot Zijn discipelen van de Heilige Geest gesproken als de belofte van de Vader (Hand. 1:4). Wat is deze belofte van de Vader? Handelingen 2 vers 33 maakt dit duidelijk: de Heer Jezus Die in de hemel is teruggekeerd, heeft van de Vader de belofte van de Heilige Geest ontvangen om die vervolgens aan ons door te geven. En dit gebeurde op de Pinksterdag in Handelingen 2 vers 1-4. Overigens is deze vijftigste dag na Zijn opstanding op de dag nauwkeurig voorspeld in Leviticus 23 vers 15 en 16. Het nieuwe spijsoffer van de twee beweegbroden (beweegoffer) is een beeld van de gemeente gevormd uit gelovigen uit de Joden en uit de volkeren.

De passage in Handelingen 2 vers 1-4 toont in vers 1 het tijdpunt van de doop met de Heilige Geest; dat gebeurde op de dag van Pinksteren. De doop met de Heilige Geest is een eenmalige daad op deze Pinksterdag en heeft een collectief gezichtspunt. In vers 2 zien we de doop met de Heilige Geest zelf beschreven. In vers 3 hebben we de zegen van de inwoning van de Heilige Geest in elke gelovige, en in vers 4 hebben we de gevolgen van de inwoning van de Heilige Geest in de gelovigen. Wat een geweldige zegen! Op deze dag heeft de Heilige Geest de gemeente gevormd en Hij woont in deze gemeente als geheel en ook in ieder persoonlijk. Wanneer we samenkomen als gemeente, is God, de Heilige Geest, naast de Heer Jezus aanwezig en wil ons leiden. Hoeveel zegenrijke ervaringen hebben we daarmee al gehad!

En wat een zegen is de persoonlijke inwoning van de Heilige Geest in elke gelovige! In de hoofdstukken 14-16 spreekt de Heer Jezus zeer uitvoerig over de werkingen van deze Goddelijke Persoon. Hij zal ons herinneren aan de woorden van de Heer Jezus (Joh. 14:26), Hij zal getuigen van de Heer Jezus (Joh. 15:26), Hij zal ons in de hele waarheid leiden en de toekomst verkondigen (Joh. 16:13). Alleen door deze Goddelijke Persoon in ons kunnen we de Bijbel begrijpen, de profetie begrijpen. Wat een geweldig feit is deze doop met de Heilige Geest! Het is in deze Schriftplaatsen ook opvallend, dat in deze zending van de Heilige Geest alle personen van de Godheid gelijkelijk betrokken zijn: de Vader zou Hem in de naam van de Zoon zenden (Joh. 14:26), de Zoon zou Hem van de Vader zenden (Joh. 15:26), en de Heilige Geest zou ook van Zichzelf uit komen (Joh. 16:13).

Vraag: De doop met de Heilige Geest wordt vijf keer aangekondigd, vier keer in de evangeliën (Matth. 3:11; Mark.1:3; Luk. 3:16; Joh. 1:33) en eenmaal in Handelingen (Hand. 1:5); het wordt in Handelingen 11 vers 16 met terugwerkende kracht vermeld en het wordt in 1 Korinthe 12 vers 13 daarmee verklaard, dat alle gelovigen tot één Lichaam zijn gedoopt. Welke betekenis heeft het, dat juist ook Johannes hier spreekt over de doop met de Heilige Geest? Johannes spreekt immers niet over de gemeente, maar over het gedrag van de individuele gelovigen, daarom past het niet echt bij het onderwerp van Johannes om dit vers met de vorming van het ene Lichaam in 1 Korinthiërs 12 in verbinding te brengen.

Antwoord: Dopen betekent het geven en ontvangen van de Heilige Geest. God heeft de Heer Jezus als Mens op aarde na Zijn doop door Johannes de Doper met de Heilige Geest  gezalfd, gaf Hem de Geest. En Hij zou nu ook in staat zijn om de Heilige Geest aan anderen te geven. De verschillende gevolgen die hiermee verbonden zijn, staan in deze Schriftplaats de schrijver niet voor ogen. De gedachte hier is, dat een mens – een verheerlijkte Mens Die achter een volbracht verzoeningswerk staat – de autoriteit heeft om de Heilige Geest aan anderen te geven.

“En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is” (Joh. 1:34).

Dat de Heer Jezus de Geest van God zendt, is een zeer sterk bewijs dat Hijzelf een Goddelijk Persoon is. Het is ondenkbaar dat een mens een Persoon van de Godheid zenden kan. Het gedeelte begon met het Lam van God en het besluit met de Zoon van God. Hij laat zien dat Hij de Zoon van God is door Iemand naar de Godheid te kunnen zenden. Dat is een geweldige heerlijkheid van onze Heer! En Johannes wordt daardoor overweldigd en getuigt met nadruk, dat Hij de Zoon van God is.

Wordt D.V. vervolgd.

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 21.03.2017. [Samenvatting van Bijbelkonferentie]

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol